Het doorschijnend bladvlieskelkje (Ombrophila translucens) is een schimmel uit de familie Gelatinodiscaceae. De soort vormt zeer kleine, witachtige tot vrijwel doorschijnende apothecia op afgevallen bladeren van loofbomen. In Nederland wordt de soort vooral aangetroffen op bladeren van eik (Quercus).
In de Nederlandse mycologische literatuur en in de NDFF Verspreidingsatlas wordt de soort vermeld als Hymenoscyphus whitei Hengstm. Index Fungorum en Species Fungorum behandelen Ombrophila translucens echter als de geaccepteerde naam en Hymenoscyphus whitei als een synoniem.
Taxonomie De soort werd in 1943 door de Amerikaanse mycoloog W.L. White oorspronkelijk beschreven als Helotium translucens. Het holotype is afkomstig uit de omgeving van Milton in Massachusetts in de Verenigde Staten en werd verzameld op rottende bladeren van esdoorn (Acer). Het type-exemplaar wordt bewaard in het Farlow Herbarium van de Harvard University.
W.-R. Arendholz plaatste de soort in 1979 in het geslacht Hymenoscyphus onder de naam Hymenoscyphus translucens. Deze naam kon echter niet worden gebruikt, omdat Hymenoscyphus translucens (Gillet) Kuntze al in 1898 voor een andere soort was gepubliceerd. Jan Hengstmengel stelde daarom in 1985 de vervangingsnaam Hymenoscyphus whitei voor. In hetzelfde jaar werd de soort door H.O. Baral overgebracht naar het geslacht Ombrophila, waarmee de naam Ombrophila translucens ontstond.
Kenmerken Uiterlijke kenmerken De vruchtlichamen zijn kleine, gesteelde apothecia die afzonderlijk of in kleine groepen op het bladoppervlak verschijnen. Ze zijn vers vrijwel kleurloos tot wit en doorschijnend. Bij indrogen kunnen ze bleek okerkleurig worden.
De apothecia blijven kleiner dan 1 mm. In Noord-Amerikaans materiaal werd een diameter tot ongeveer 0,4 mm beschreven, met een steel van ongeveer 0,3 mm. Voor Nederlands materiaal worden witte, kort gesteelde apothecia tot ongeveer 0,8 mm breed vermeld. Het vruchtbare oppervlak is vlak wanneer het apothecium volledig ontwikkeld is.
Microscopische kenmerken De asci zijn cilindrisch tot knotsvormig en bevatten acht ascosporen. Voor Nederlands materiaal worden maten van ongeveer 71–90 × 8,5–10 µm opgegeven; de asci ontstaan niet uit haken. Seaver vermeldt voor Noord-Amerikaans materiaal asci van ongeveer 75–95 × 10–11,5 µm.
De ascosporen zijn hyalien en ongeveer 12–15,5 × 3,5–4,5 µm groot. Ze zijn langwerpig tot omgekeerd eivormig en kunnen enigszins hoekig van vorm zijn. De sporen liggen in de asci in één rij of gedeeltelijk in twee rijen. De parafysen zijn knotsvormig en aan de top ongeveer 3–3,5 µm breed.
Voor een zekere determinatie van het doorschijnend bladvlieskelkje is volgens de Nederlandse Verspreidingsatlas microscopische controle noodzakelijk.
Ecologie Het doorschijnend bladvlieskelkje is een saprotrofe soort die leeft op afgevallen, verterende bladeren van loofbomen. In Nederland wordt hij vooral vermeld van bladeren van eik (Quercus) in loofbossen.
Het oorspronkelijke type werd verzameld op bladeren van Acer, terwijl een paratype op afgevallen bladeren van Quercus werd gevonden. Ook beuk (Fagus sylvatica) is als substraat gemeld. De vruchtlichamen kunnen zowel op de nerven als op het overige bladweefsel ontstaan.
Verspreiding De soort is bekend uit zowel Noord-Amerika als Europa. Het type is afkomstig uit Massachusetts in de Verenigde Staten.
In Nederland is het doorschijnend bladvlieskelkje 'zeer zeldzaam'. De huidige zeldzaamheidsclassificatie van de NDFF Verspreidingsatlas is gebaseerd op gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023. In het Overzicht van de Paddestoelen in Nederland uit 1995 werden onder meer vondsten uit Slangenburg bij Doetinchem uit 1946 en de Duursche Waarden bij Olst uit 1979 vermeld.
Categorie:Gelatinodiscaceae Categorie:Schimmelsoort