miniatuur|Het Kathedraalkoor Hasselt (België) Een koor is een groep zangers en zangeressen, doorgaans bestaande uit meerdere zangstemmen, die onder leiding van een koordirigent staat. De term vocaal ensemble wordt wel gebruikt voor kleine koren.

Nederland telde in 2020 zo'n 1 miljoen koorzangers. Europa telde in 2021 zo'n 37 miljoen koorzangers, verdeeld over bijna een miljoen koren in 40 landen.

Etymologie Het woord koor is waarschijnlijk via het Oudfranse cuer (dat zowel een groep zangers, de altaarruimte in een kerk, als koorzang betekent) ontleend aan het middeleeuws Latijnse chorus (met dezelfde betekenis), dat op zijn beurt voorkomt uit het Oudgriekse khorós (een groep zangers of dansers die tijdens religieuze feesten en toneelstukken optrad; tevens de aanduiding van de plek waar dat gebeurde).

Geschiedenis thumb|Gregoriaans koor Koorzang heeft zijn oorsprong in religieuze bijeenkomsten. In Europa treffen we koorzang aan in de Vroegchristelijke (4e eeuw) liturgie. Een schola cantorum was een koor in de allervroegste vorm toen er nog geen meerstemmige muziek bestond. Dit koor zong eenstemmige kerkmuziek (Gregoriaans) en bestond voornamelijk uit mannelijke geestelijken. Tijdens de mis bevonden zij zich in het koorgedeelte van de kerk.

Omdat het vrouwen in principe niet was toegestaan een actieve rol te vervullen in de eredienst zongen zij ook niet in het koor. Vrouwelijke kloostergemeenschappen (die in de late middeleeuwen ontstonden) hadden wel een eigen koor met nonnen.

Het oudste, nog bestaande jongenskoor ter wereld is de Regensburger Domspatzen. Het koor stamt uit 975 toen bisschop Wolfgang van Regensburg een kathedraalschool stichtte die onder meer jongens leerde zingen in de liturgie.

Uit eenstemmige muziek ontwikkelde zich in de negende eeuw tweestemmigheid, eerst in de vorm van het organum. Rond 1200 ontstond driestemmige koormuziek. Bij deze stukken is de belangrijkste stem de tenor, omdat deze de melodie zingt (het Latijnse tenere betekent 'vasthouden', dus de stem die de melodie 'vasthoudt'). Hieronder klinkt de bas (bassus betekent diep, laag) die de baslijn zingt. De hoogste stem is de contratenor (contra betekent 'tegen', dus de tegenstem tegen de tenor), ook wel altus genaamd (van altus cantus, dat 'hoge zang' betekent). Het kwam regelmatig voor dat de mannenpartijen aangevuld werden met blaasinstrumenten, of dat een partij voor zangstem door een instrument werd uitgevoerd.

Ook ontstond de (wonderlijke) praktijk dat er aan een melodie met religieuze Latijnse tekst, tegenmelodieën met wereldlijke teksten in de landstaal toegevoegd werden. Doordat de muziek bestond uit lange melismen en de tekst daardoor haast niet te volgen was, kon dit waarschijnlijk redelijk ongestraft in de kerk uitgevoerd worden.

miniatuur|Het motet Peccata mea Domine van Johannes Cleeff uit de Leidse Koorboeken (1549–1564) met linksboven de partij van de superius, linksonder de tenor, rechtsboven de contratenor en rechtsonder de bassus. Het was gebruikelijk met elkaar rond een muziekstandaard te staan met daarop 1 groot koorboek, waarin de verschillende stemmen apart genoteerd stonden (dus niet boven elkaar zoals in een hedendaagse partituur). Dit beperkte ook de grootte van het koor door het aantal zangers dat rond één boek kon staan. Na de uitvinding van de boekdrukkunst in de 15e eeuw werden muziekstukken ook uitgegeven in losse stemboekjes, waarmee elke zanger zijn eigen koorpartij in handen kreeg, en het koor dus groter kon zijn.

Rond 1450 werd een hoge vierde stem aan de driestemmigheid toegevoegd, namelijk de superius (Latijn, 'de hoogste'), tegenwoordig sopraan genoemd (van het Italiaanse sopra, 'boven'). Vervolgens verschoof de melodie van de tenor naar de sopraan, zodat deze beter hoorbaar werd.

De (complexe) Renaissancistische madrigalen uit de 14e eeuw worden beschouwd als de eerste belangrijke vormen van wereldlijke meerstemmige zang, die echter niet bedoeld waren voor uitvoering door een koor maar door enkele solozangers. Er was geen sprake van openbare concerten met dergelijke werken (concertzalen ontstonden pas in de 18e eeuw), maar deze muziek werd aan de hoven (zoals het Bourgondische Hof) en in stadspaleizen door mannelijke zangers uitgevoerd om de edelen en de aristocratie te vermaken.

De Italiaanse frottola (15e-eeuws volksliedje) is een andere vroege vorm van wereldlijke meerstemmige zang. Meerstemmig studenten-, liefdes- en drinkliederen werden in kroegen en in kleine kring door mannen als gezamenlijk tijdverdrijf gezongen.

In de 16e en 17e eeuw werden madrigalen ook in de huiselijke kring gezongen (waar ook vrouwen aan deelnamen) zoals de Franstalige psalmen en Latijnse Cantiones Sacrae van Jan Pieterszoon Sweelinck.

In de 18e eeuw waren voor het eerst vrouwelijke solisten te horen tijdens openbare muziekuitvoeringen, en ook tijdens de uitvoering van missen in kerken. Pas in de 19e eeuw kwam koorzang als burgerlijk tijdverdrijf op (zie bijvoorbeeld de oprichting van het Toonkunstkoor Amsterdam in 1829). Omdat openbare koorzang niet langer alleen gerelateerd was aan kerkmuziek en kerkzang konden ook vrouwen nu in koren zingen.

Bezetting miniatuur|Zangers rond een koorboek, Parijs ca. 1450 Men spreekt in de regel van een koor bij een bezetting van minimaal twaalf zangers die minstens in twee stemmen zingen. De 'stemmen' zijn de verschillende zangstemmen in de groep, van hoog tot laag; meestal zingen koren vierstemmig: sopraan, alt, tenor en bas (SATB). Als deze partijen solistisch bezet worden spreekt men van een kwartet, bij een dubbele bezetting per stemsoort van een dubbelkwartet. Heel kleine ensembles zingen ook wel zonder leiding van een dirigent, maar worden dan geleid door een van de zangers die de inzetten aangeeft.

De sopraan- en altpartijen worden in de regel door vrouwen uitgevoerd. De tenor- en baspartijen worden vrijwel altijd door mannen gezongen. In sommige koren (met een tekort aan mannen) worden lage vrouwenstemmen ingezet om de tenorpartij te versterken. De klankkleur van een lage vrouwenstem is echter heel anders dan de typisch heldere kleur van de hoge mannenstem. Er is een wereldwijde tendens dat er steeds minder mannen met echte tenorstemmen zijn. Dit heeft deels een fysieke reden (onder bevolkingen met lange mensen zijn er minder tenoren), deels een culturele reden: hoog zingen wordt in sommige culturen als 'niet-mannelijk' beschouwd.

De verdeling over de verschillende stemmen bij een gemengd koor hoeft in aantal niet gelijkwaardig te zijn. Wel is het van belang dat er balans in geluidssterkte is. Omdat lage stemmen in de regel sterker klinken dan hoge, en mannenstemmen sterker dan vrouwenstemmen, is bij een kamerkoor een bezetting van 6S - 5A - 5T - 4B niet vreemd.

Er zijn ook aparte vrouwen- en mannenkoren, waarbij men de partijen in de regel verdeeld over 2 tot 4 stemmen: Sopraan - mezzosopraan - alt 1 - alt 2, en bij een mannenkoor: Tenor 1 - tenor 2 - bariton - bas. Bij een kinderkoor dat meerstemmig kan zingen is meestal sprake van een verdeling in sopraan 1 - sopraan 2 - alt.

Bij veel Engelse koren, met name de universiteits- en kathedraalkoren met een eeuwenoude traditie zoals het King's College Choir in Cambridge, wordt de sopraanpartij (treble) door jongens en de altpartij door countertenoren uitgevoerd. De kinderen in deze koren zingen enkel de sopraanpartij, en er zingen geen vrouwen mee.

Goed getrainde koren, zowel kamerkoren, oratoriumkoren als opera- en operette-koren kunnen wel 6-tot 8-stemmige werken zingen. De stemverdeling is dan als volgt: Sopraan 1 - sopraan 2/mezzosopraan - alt 1 - alt 2 - tenor 1 - tenor 2/bariton - bas 1 - bas 2.

Een 8-stemmig koorwerk kan echter ook verdeeld zijn over twee SATB-koren. Men spreekt dan van dubbelkorigheid. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de koorpartijen van Bachs Matthäus-Passion.

Er bestaat kerkmuziek uit de Renaissance die oploopt tot wel 40 stemmen (het motet Spem in Alium, voor acht 5-stemmige koren van Thomas Tallis) of het Stabat Mater van Krzysztof Penderecki voor drie koren van 16 stemmen elk, dus in totaal 48 verschillende zangpartijen.

De grootte van koren hangt samen met het repertoire: een kamerkoor dat kamermuziek uitvoert zal gemiddeld een bezetting hebben van 3 à 6 stemmen per stemsoort, dus in totaal 12 à 24 zangers. Een oratoriumvereniging of opera/operettekoor is in de regel veel groter, met 10 à 20 zangers per stemsoort, dus 40 à 80 zangers, soms oplopend tot 120. Dergelijke aantallen zijn gebruikelijk voor grotere koorwerken zoals in de Negende Symfonie van Beethoven (Ode an die Freude), Ein deutsches Requiem van Johannes Brahms, Carmina Burana van Carl Orff en Bachs Matthäus-Passion. In de (professionele) authentieke uitvoeringspraktijk van Barokmuziek wordt echter gewerkt met kleinere koren.

Koorpraktijk

Koorvorming miniatuur|Gospelkoor De essentie van koorklank is een homogeen geluid: in plaats van dat er individuele stemmen te horen zijn, dienen deze zoveel mogelijk met elkaar te versmelten. Voor een zanger in het koor betekent dat dat wanneer hij zichzelf niet meer hoort tijdens het zingen, dat doel is bereikt. Ook is het van belang dat zangers leren hoe ze hun stemmen kunnen kleuren, dat wil zeggen, met bijvoorbeeld een heldere of gedekte stem te zingen om een bepaald effect te bereiken.

Een koorzanger kan lessen stemvorming volgen om te leren zijn stem zo optimaal mogelijk te gebruiken, dat wil zeggen, zo zuiver mogelijk en met een goede ademsteun, goed gearticuleerd en in elk register te kunnen zingen zonder de stem te forceren. Ook is het van belang dat koorzangers kunnen noten lezen en solfège beheersen, dat wil zeggen, een partij direct van de bladmuziek kunnen zingen, zonder dat de hulp van een muziekinstrument nodig is om de noten goed te treffen. Met lessen koorvorming kunnen deze vaardigheden in groepsverband getraind worden. Ook zijn er koren waar de dirigent tijdens het inzingen (de warming-up) aan het begin van de repetitie ademhalingsoefeningen en stemtechnische aanwijzingen geeft.

Een koor zingt in principe onversterkt. Alleen bij koren die moderne muziekstijlen zingen zoals gospelkoren en popkoren wordt gebruik gemaakt van geluidsversterking.

Vaardigheden Niet elk koor stelt hoge technische eisen aan zangers: er zijn ook koren waarbij het sociale aspect voorop staat en waar iedereen welkom is, ongeacht het niveau van zingen. Desondanks zijn er minimale vaardigheden die men dient te hebben om goed in een koor te functioneren, waaronder de vaardigheid om een melodie foutloos te kunnen nazingen, zichzelf na aanwijzingen van een dirigent te kunnen corrigeren op fouten, en een koorpartij grotendeels uit het hoofd te kunnen leren zodat men naar de dirigent kan kijken voor aanwijzingen tijdens het zingen.

Kinderen kunnen meestal vanaf 6 of 7 jaar terecht bij een kinderkoor. Vaak zijn er verschillende leeftijdsgroepen, afhankelijk van of het kind al kan lezen of niet. Ook is het nodig dat een kind de concentratie kan opbrengen om tijdens een repetitie op te blijven letten. Meestal duren repetities van kinderkoren voor jonge kinderen maximaal 45 minuten.

Repetities en uitvoeringen