Maurits van Oranje (Dillenburg, 14 november 1567 – Den Haag, 23 april 1625), prins van Oranje en graaf van Nassau was stadhouder en legeraanvoerder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Tot hij in 1618 de titel prins van Oranje erfde van zijn halfbroer Filips Willem, werd hij Maurits van Nassau genoemd. In de literatuur en populaire traditie is hij beter bekend als prins Maurits.

Maurits bracht zijn jeugd deels door op slot Dillenburg, waar zijn oom Jan van Nassau hem in het Duits opvoedde. Zijn vader Willem van Oranje kon dat niet op zich nemen, omdat hij destijds in de Nederlanden was om de Opstand tegen Spanje te leiden. Na opleidingen in Heidelberg en Leiden werd Maurits op zijn achttiende verjaardag stadhouder van Holland en Zeeland. Hij bracht twee jaar door in het Staatse leger, voordat hij het opperbevel kreeg. Maurits werd in 1590 stadhouder over de provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht.

Als kapitein-generaal voerde hij het leger aan tegen Spanje. Gedurende de Tien Jaren van 1588 tot 1598 behaalde hij onder het politieke leiderschap van de landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt vele overwinningen. Het was een keerpunt in de oorlog en de Spanjaarden werden uit het noorden en oosten van de Republiek verdreven. Op militair gebied was dit succes mede te danken aan de hervormingen die Maurits samen met de Friese stadhouder Willem Lodewijk in het leger doorvoerde. De goede samenwerking met Van Oldenbarnevelt kreeg een deuk toen Maurits tijdens een expeditie op een Spaans leger stuitte: de Slag bij Nieuwpoort. Tijdens het Twaalfjarig Bestand brak er in de Republiek een religieus conflict uit. Maurits koos de kant van de orthodoxe calvinisten (gomaristen), waarmee hij recht tegenover Van Oldenbarnevelt kwam te staan, met uiteindelijk een machtsovername en de onthoofding van de landsadvocaat tot gevolg. De verantwoordelijkheid voor deze politieke moord berust bij Maurits.

De jaren erna ging het land zowel op bestuurlijk als op militair gebied achteruit. Na zijn overlijden volgde zijn halfbroer Frederik Hendrik hem op als stadhouder.

Achtergrond thumb|left|Slot Dillenburg, in Nassau, waar Maurits werd geboren en een deel van zijn jeugd doorbracht.

Voor Maurits' geboorte verwierf zijn vader, Willem van Oranje, groot aanzien aan het Habsburgse hof in Brussel, de Nederlanden. In 1544 erfde hij het prinsdom Orange en werd daarmee de hoogste edele in de Nederlanden na de landsheer. Onder deze landsheer Karel V verliep de samenwerking goed en werd Willem benoemd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Als stadhouder was hij plaatsvervanger van de landsheer. Ook nam hij zitting in de Raad van State die de landsheer moest adviseren.

Onder Karels opvolger, Filips II, verliep de samenwerking minder voorspoedig. Dat kwam vooral door het verschil van inzicht tussen Filips en Willem omtrent twee belangrijke vraagstukken die toen in de Nederlanden, maar ook in andere Europese landen speelden. Het ene vraagstuk betrof de centralisatie van het gezag. Filips wilde meer macht naar zich toetrekken ten koste van de macht van de afzonderlijke provincies. Het tweede vraagstuk betrof de reformatie die door Maarten Luther was ontketend. Ook in de Nederlanden groeide in deze tijd het aantal protestanten, door de onvrede over de Katholieke Kerk. Filips II wilde boven alles eenheid in zijn landen en daarom duldde hij geen andere religie dan het katholicisme. Wie er toch protestantse ideeën op nahield, werd vervolgd. Op beide punten hield Oranje er andere ideeën op na. Hij wilde geen centralisatie omdat dat zijn macht zou beperken, en hij streefde naar godsdienstvrijheid om onrust onder de bevolking te voorkomen. Door het innemen en verdedigen van deze standpunten verloor hij het vertrouwen van Filips II. Toen Filips II generaal Alva met 10.000 soldaten naar de Nederlanden zond om orde op zaken te stellen, vluchtte Willem van Oranje in april 1567 naar het Nassause stamslot Dillenburg. Zijn oudste zoon Filips Willem die in Leuven studeerde werd bij Alva's komst in gijzeling genomen en naar Spanje gestuurd.

Vroege jaren thumb|left|Maurits op ongeveer twaalfjarige leeftijd, Daniel van den Queborn, circa 1578-1579.

Geboorte en familie De familie Nassau woonde op de voorvaderlijke burcht in Dillenburg. Daar woonden onder andere Jan van Nassau en zijn broer Willem, zonen van Willem de Rijke, zo genoemd vanwege het grote aantal kinderen dat hij had, en Juliana van Stolberg. Hoewel Willem de Rijke een lutheraan was, kreeg zijn zoon Willem een katholieke opvoeding aan het Habsburgse hof in Brussel. Willem zou het soevereine land Orange erven en zo aan de naam Van Oranje komen. Zijn eerste vrouw Anna van Buren overleed al vroeg. Uit dit huwelijk waren twee kinderen geboren: Maria en Filips Willem.

Na het overlijden van Anna trouwde Willem met de nog zeer jonge Anna van Saksen. Het eerste kind dat uit dit huwelijk voortkwam was Anna, maar zij stierf al kort na haar geboorte. Hierna werd de eerste Maurits geboren, maar ook die stierf al snel. De tweede Maurits, de latere stadhouder, werd op 14 november 1567 geboren. Na hem volgde nog een meisje, Emilia van Nassau. Maurits' moeder kon niet wennen aan het leven op het kille slot en trok daarom na de geboorte van Emilia naar Keulen, waar zij wel het haar gewenste weelderige bestaan kon leiden. Zij leefde in Keulen zo uitbundig dat Willem zich in 1571, mede wegens haar buitenechtelijk kind Christina van Dietz, van haar liet scheiden, wat in die tijd ongebruikelijk was. In 1571 werd zij opgesloten en zes jaar later, krankzinnig geworden, stierf zij. Maurits zag Anna na haar vertrek nooit meer terug en zijn oudere, nog levende halfzus Maria nam gedeeltelijk de moederrol over.

Jeugd en onderwijs Nadat Willem van Oranje de Nederlanden was ontvlucht vanwege de komst van Alva, heeft hij twee pogingen gewaagd met huurlegers de Nederlandse Opstand aan te wakkeren. De eerste keer was in 1568, waarbij zijn legers werden verslagen. De tweede keer, in 1572, sloeg de opstand met hulp van de geuzen wel aan. Vanaf dat jaar bleef Willem in de Nederlanden.

Vanwege Willems afwezigheid werd de opvoeding van Maurits overgenomen door Maurits' oom Jan. Hierdoor heeft Jan een grote invloed gehad op de ontwikkeling van Maurits. Hij kreeg op Dillenburg les in Duits, godsdienst, geschiedenis, Frans en Latijn. Ook leerde hij vechten, paardrijden en -springen, zoals een echte edelman betaamt. Later in 1575 werd hij samen met vier neven naar de universiteit gestuurd. Hij studeerde eerst in Heidelberg in het calvinistische land de Palts, in het huidige Duitsland. Na een korte periode aan de universiteit werd hij in 1577 als tienjarige naar de Nederlanden gebracht. Op het Nassause kasteel van Breda kreeg hij Nederlands onderwijs samen met neef Filips van Nassau. In 1582 ging Maurits naar de pas in 1575 opgerichte universiteit van Leiden op kosten van de Staten van Holland, Zeeland en Utrecht. Hij woonde op het prinsenhof, wederom vergezeld door Filips van Nassau en een bescheiden gevolg. Hij kreeg les van de beroemde humanist, filoloog en historiograaf Justus Lipsius, die hem onderwees in geschiedenis en het neostoïcisme. Rudolphus Snellius doceerde wiskunde, een vak waardoor Maurits erg geboeid raakte. Verder bleef hij ook oefenen met paardrijden, worstelen, zwemmen en het gebruik van wapens.

De Spanjaarden, onder leiding van Alexander Farnese, de hertog van Parma, rukten steeds verder op in de Nederlanden en de situatie zag er somber uit voor de opstandelingen. In grote delen van het zuiden, oosten en noorden van de Nederlanden had Spanje de controle terug. Toch werd de Spaanse koning afgezworen door de opstandige provincies. In de hoop voor steun besloten de Staten-Generaal de soevereiniteit van de provincies aan andere Europese monarchen aan te bieden. De steun van Frankrijk liep uit op een fiasco. Terwijl men zocht naar andere mogelijkheden, werd Willem van Oranje vermoord door Balthasar Gerards in Delft in 1584, het jaar dat Maurits zeventien zou worden.

Vanwege zijn jeugdige leeftijd kon hij zijn vader niet opvolgen als leider van de opstand. Wel kreeg Maurits in 1584 zitting in de Raad van State als eerbetoon aan zijn afkomst. Hoewel hij daar weinig invloed kon uitoefenen, kon de ambitieuze Maurits de aangeboden functie niet weigeren. blz. 25 Dat jaar nam hij het devies aan waaruit zijn aspiraties bleken: Tandem fit surculus arbor, "uiteindelijk wordt een twijgje een boom". Echte macht bezat de Raad van State niet, die was in handen van degenen die belastingen konden heffen: de afgevaardigden van de provincies, ofwel de Staten-Generaal.

Stadhouderschap thumb|Johan van Oldenbarnevelt, de landsadvocaat van Holland die Maurits naar voren schoof als plaatsvervanger van Leicester als legeraanvoerder. thumb|left|Schilderij van Daniel van den Queborn uit 1588 waar een jonge Maurits op staat afgebeeld.

Op Maurits' achttiende verjaardag, in 1585, werd hij vanwege zijn hoge status benoemd tot stadhouder van Holland en Zeeland. blz. 28 In die functie was hij vertegenwoordiger van die provincies, kon hij regenten in steden benoemen en gratie verlenen aan veroordeelden. Tegelijkertijd kreeg hij de titel geboren prins van Oranje, hoewel dat niet terecht was: die titel kwam toe aan zijn oudere halfbroer, Filips Willem. Wel gaf deze titel hem in de Nederlanden veel aanzien.

Na Frankrijk werd er geprobeerd hulp te krijgen van Engeland. De soevereiniteit wilde de Engelse koningin Elizabeth I niet. In plaats daarvan was zij bereid de opstandelingen met geld en militairen te steunen in ruil voor zeggenschap over het land door de benoeming van de gouverneur-generaal. Deze functionaris werd haar vertrouweling, de Engelsman Robert Dudley, graaf van Leicester. Met Maurits' benoeming als stadhouder voorkwamen Holland en Zeeland dat Leicester of een andere Engelsman de vacante plek zou innemen en daarmee de gewestelijke zelfstandigheid kon bedreigen.

Leicester zag de jonge stadhouder als een concurrent van zijn eigen gezag en de relatie tussen hen beiden was niet warm. In zijn functie als gouverneur-generaal kreeg Leicester tevens te maken met veel mislukkingen, vaak te wijten aan zijn eigen persoonlijkheid. Zijn inzichten met betrekking tot het katholicisme dat met vuur en zwaard bestreden moest worden, een handelsverbod met Spaanse gebieden en zijn houding tegenover het staatsbestel botsten vaak met de gewesten. Johan van Oldenbarnevelt, sinds 1586 de landsadvocaat van Holland, vertrouwde Leicester niet en aasde erop de macht van de Staten-Generaal en Holland te vergroten ten koste van die van de Engelsman. Van Oldenbarnevelt was een ambtenaar die was opgeklommen van pensionaris van de stad Rotterdam tot landsadvocaat van Holland. Door zijn kunde was hij in staat om in de doorgaans verdeelde Staten-Generaal de neuzen dezelfde kant op te krijgen: de Hollandse kant.

Maurits bemoeide zich als stadhouder niet met politiek en richtte zich uitsluitend op de aanvoering van het leger. Zijn eerste wapenfeit was de verovering van Axel in 1586, die hij samen met Philip Sidney leidde. Leicester was naast gouverneur-generaal ook opperbevelhebber van het leger. Toen bekend raakte dat Leicester vrede wilde sluiten met Parma verspeelde hij zijn laatste krediet. Hij probeerde nog door middel van een staatsgreep zich meester te maken van Maurits en Van Oldenbarnevelt, maar deze plannen mislukten waardoor zijn positie onhoudbaar werd. blz. 140-141. Toen hij tijdelijk naar Engeland trok, greep Van Oldenbarnevelt de kans om Maurits naar voren te schuiven als bevelhebber over de door Holland en Zeeland betaalde troepen.