miniatuur|Israëlische troepen in 1948 Het Israëlisch defensieleger (IDF) (Hebreeuws: - Tseva Hagana Lejisraël) omvat de Israëlische landmacht, de Israëlische marine en de Israëlische luchtmacht. De Israëlische strijdkrachten verschillen in veel opzichten van de meeste andere strijdkrachten ter wereld, zoals dienstplicht voor vrouwen en nauwe relaties tussen landmacht, luchtmacht en marine.
De acroniemen IDF (Engels: Israel Defense Forces) en Tsahal (Hebreeuws: ) worden algemeen als synoniem voor dit leger gebruikt.
Naast de marine, luchtmacht en landmacht heeft de IDF een opperbevelhebber die de taken van o.a. de Militaire Politie en de Mossad waarborgt.
Geschiedenis De oorsprong van het huidige leger ligt in het mandaatgebied Palestina toen Joodse paramilitaire en terroristische groepen als Etsel/Irgun, Lechi en Hagana (opvolger van de Hashomer) gevormd werden. Die groepen richtten zich zowel tegen de Arabische bevolking als tegen de Britse soldaten. Het zionistische ideaal was om een Joodse staat te stichten.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog versloegen de Britten de Turken. Het aan de Britse zijde vechtende Joodse Legioen bleef ten dele achter in het mandaatgebied Palestina en vormde een eerste professionele Joodse militaire organisatie. In 1917 deed de Britse regering in de Balfour-verklaring de toezegging te helpen bij de totstandkoming van een nationaal tehuis voor Joden in Palestina. Dat stond haaks op het streven van sommige Arabische nationalisten om Palestina te laten opgaan in een Groot-Syrië. Felle nationalistische agitatie resulteerde in april 1920 bij het Nabi Musafeest in een grootschalig oproer in Jeruzalem. Joodse leiders verweten de Britse troepen hen onvoldoende te beschermen en richtten dat jaar de paramilitaire organisatie Hagana op.
De Arabisch-Palestijnse opstand van 1936-1939 bespoedigde de ontwikkeling van een Joodse strijdmacht. Officieel voerden de Britten met het MacDonald White Paper na 1939 een meer pro-Arabische politiek, met beperking van de Joodse immigratie en de vaststelling dat het "nationale tehuis" geen Joodse staat impliceerde. In feite werkte men nauw met de Hagana samen om via de Jewish Settlement Police, de Jewish Auxiliary Forces en de Special Night Squads de Arabische bevolking onder controle te brengen. De Hagana kreeg daartoe Britse training in tactieken en wapenonderricht. Op het platteland werden de kibboetsen versterkt en zo geplaatst dat ze elkaar konden ondersteunen. Zo ontstonden samenhangende verdedigingszones, die voor een deel bepalend waren voor de grenzen van de latere staat Israël.
In 1941, tijdens de Tweede Wereldoorlog, kreeg de Hagana een operationele tak, de Palmach. Die vormde in feite een klein staand legertje van uiteindelijk zo'n zesduizend mannen en vrouwen. De Palmach voerde in opdracht van de Britten in Libanon en Syrië sabotageacties uit tegen Vichy-Frankrijk. In 1944 richtten de Britten de Joodse Brigade op. Leden daarvan sloten zich na de oorlog bij de Palmach aan.
De centrale organisatie maakte het mogelijk een gezamenlijk militair beleid uit te voeren, troepen te concentreren, wapens binnen te smokkelen en een zekere standaardisering van training en uitrusting door te voeren. Veel kenmerken die de IDF nog steeds typeren, hadden in die periode hun oorsprong. Omdat de milities allereerst hun eigen woonplaatsen beschermden, was er een grote eenheid van leger en volk. De verhoudingen waren informeel en de discipline was zwak. Het moreel was echter goed en de motivatie groot. Er was nog geen dienstplicht maar iedere weerbare man werd geacht zijn steentje bij te dragen. Ook vrouwen waren vaak bewapend. Er werd regelmatig en langdurig getraind. Een mobiliseerbaar burgerleger kreeg de prioriteit boven een select beroepsleger. Campagnes moesten daarom kort en beslissend zijn. Dat noopte tot een agressieve strategie met preventieve aanvallen. Er waren intensieve contacten met de internationale wapenhandel, waarbij men zich niet al te veel gelegen kon laten liggen aan nationale of internationale regelgeving. Er waren nauwe banden tussen politiek en leger. Politici werden vaak commandant en commandanten politicus.
Reeds voor de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 dwong de Palmach met militaire middelen de oprichting van een Joodse staat af. Een campagne met bomaanslagen ondermijnde het Britse gezag. Gewapende confrontaties tussen de Palmach en Arabische strijdgroepen overtuigden de internationale gemeenschap ervan dat het ondoenlijk was om een onafhankelijk Palestina onder een enkelvoudig bestuur met volledig gezag te plaatsen. In november 1947 stelde de aangenomen Resolutie 181 Algemene Vergadering Verenigde Naties aan alle lidstaten voor om Palestina in een Joodse en Arabische staat te verdelen binnen een economische unie. De belangrijkste Joodse groeperingen aanvaardden dit plan weliswaar, maar het werd door de Arabische bevolking en leiders algemeen afgewezen, onder andere omdat een Arabische staat slechts 42% van het gebied zou krijgen tegenover een Joodse staat met 56%. De Palmach had dit al voorzien en was enkele jaren vóór de Britse machtsoverdracht begonnen met de uitvoering van de plannen A, B en C; op 5 april 1948 werd begonnen aan Plan D.
Bij het uitroepen van de staat Israël op 14 mei 1948 werd er vanuit de Hagana een formeel Israëlisch leger opgericht. Dit gebeurde door een besluit van David Ben-Gurion in zijn hoedanigheid van minister van Defensie; dit werd door het kabinet bekrachtigd op 31 mei 1948. Na de oprichting van dit Israëlische defensieleger sloten de twee militante ondergrondse Joodse organisaties Etsel en Lechi, - aanvankelijk door Ben-Goerion uitgesloten -, een los verbond met de IDF. Tot aan het einde van de Onafhankelijkheidsoorlog (1948) opereerden deze twee organisaties onafhankelijk van de IDF. Daarna werden ze opgeheven en werden hun leden deel van de IDF. Leden van de zionistische milities speelden, in de halve eeuw daarna, een belangrijke rol in de Israëlische politiek: Yigal Allon, Moshe Dayan en Yitzhak Rabin waren hooggeplaatste leden van de Hagana-Palmach. Menachem Begin leidde de Irgun, en Yitzhak Shamir was een prominent lid van de Lechi. Drie van deze mannen, Rabin, Shamir en Begin, werden later premier van Israël.
De lokale Arabische bevolking was, ook na versterking door duizenden vrijwilligers uit andere gebieden, militair geen partij voor de veel beter georganiseerde IDF. De Arabische buurlanden erkenden Israël niet en zonden expeditiemachten uit om heel Palestina onder Arabisch gezag te brengen. Daarbij hoopten ze ieder het gebied te kunnen annexeren. Door een geheime overeenkomst met Jordanië kon de IDF zijn krachten concentreren op Egypte. De massamobilisatie gaf de IDF een numeriek overwicht, ondanks het probleem dat de Joodse populatie slechts zeshonderdduizend bedroeg. Men wist ruim honderdduizend soldaten in het veld te brengen. Er werden in 1948 twaalf brigades opgericht, tien infanteriebrigades en twee pantserbrigades. De brigade zou daarna het belangrijkste organisatieniveau blijven. Divisies ofwel Ugdot zijn eigenlijk divisiehoofdwartieren met een wisselende samenstelling aan brigades. De brigades zijn meestal nauw aan een bepaalde regio verbonden die dan bij mobilisatie de meeste troepen levert, die vaak in het burgerleven nauwe contacten met elkaar onderhouden. Een brigade is informeel naar de regio vernoemd. Zo heeft de Golanibrigade haar basis bij de Hoogvlakte van Golan. De Etzionibrigade komt uit West-Jeruzalem en kreeg een steeds grotere omvang die gemobiliseerd kon worden toen de bevolking daar toenam. Om veiligheidsredenen bleef de officiële nummering van de brigades lang geheim en krijgshistorici pasten tot in de jaren 1980 vaak een onjuist nummer toe. Dat gold niet voor de 7e Pantserbrigade, de elite-eenheid van het leger.
Dat men van alle kanten aangevallen werd, leidde tot een "belegeringsmentaliteit" die nog generaties zou doorwerken. De Egyptenaren werden verslagen in een bewegingsoorlog of Blitzkrieg, een tactiek waarin de IDF zich zou gaan specialiseren. Voor die tactiek waren voertuigen nodig die slechts met grote moeite verkregen konden worden. Wapenaankopen zouden een belangrijk deel gaan uitmaken van het buitenlands beleid en men begon het belang in te zien van een eigen wapenproductie, hoewel daarvoor op dat moment nog geen industriële basis was.
De huidige IDF kwam tot stand tussen 1949 en 1956, door veel ervaring op te doen in de verscheidene conflicten met de vijandelijke Arabische buurlanden. Tussen 1956 en 1966 was er een periode van relatieve rust, die de IDF gebruikte om nieuw materieel aan te schaffen en om de organisatie zelf te professionaliseren. Men vermoedt dat Israël in deze periode wapens ontwikkeld heeft.
Algemeen Defensie-uitgaven De staat Israël geeft per jaar 15 miljard dollar uit aan defensie. Dit is tussen 6,5 en 8,5% van zijn bnp. Daarmee staat het land op plaats 15 van alle landen van de wereld.Home | SIPRI, 2012
Steun VS De Verenigde Staten zijn sinds de Zesdaagse Oorlog de grote politieke en militaire steun en toeverlaat van Israël. Israël kreeg van hen tot 2014 meer dan 121 miljard dollar aan militaire steun."bilateral assistance", War against the people, Jeff Halper, Pluto Press, Londen, 2015,p.50
In september 2016 werd bekend dat de VS verspreid over de komende tien jaar 38 miljard dollar steun gaat geven. Als voorwaarden werden gesteld dat Israël alle materieel bij Amerikaanse fabrikanten aanschaft en niet bij haar eigen wapenindustrie; Israël er geen brandstof mee koopt voor zijn leger; Israël niet méér vraagt, behalve als er een oorlog uit zou breken.VS schroeven militaire hulp Israël verder op, Liza van Lonkhuyzen, NRC-Nl, 13 september 2016. President Barack Obama voegde er wel aan toe dat hij blijvend zou aandringen op een tweestatenoplossing voor het Arabisch-Israëlische conflict.Obama hails new defense aid to Israel ....that we will also continue to press for a two-state solution to the longstanding Israeli-Palestinian conflict,....As I have emphasized previously, the only way for Israel to endure and thrive as a Jewish and democratic state is through the realization of an independent and viable Palestine. israelnationalnews.com, 15 september 2016
Dienstplicht Dienstplicht is verplicht voor alle Joodse, Samaritaanse, druzischePalestijn al vier keer veroordeeld voor weigering dienstplicht bij Israëlisch leger. In tegenstelling tot het merendeel van de Palestijnse minderheid in Israël, die gevrijwaard is van dienstplicht, zijn Druzen sinds 1956 wel dienstplichtig dewereldmorgen.be, 24 februari 2014Israel's Druze conscientious objectors aljazeera, 8 januari 2014. Gearchiveerd op 1 augustus 2018. en Circassische mannen en Joodse vrouwen van achttien jaar en ouder, hoewel er uitzonderingen worden gemaakt op basis van geloof of om fysieke en psychologische redenen. Vrouwen moeten twee jaar dienstdoen, mannen drie jaar. Vrouwen mogen vrijwillig drie jaar dienstdoen wanneer zij mee willen doen aan gevechtsmissies, aangezien voor deze missies langere training nodig is. Vrouwen in andere belangrijke posities, zoals programmeurs, dienen ook drie jaar. Vrouwen die meedoen aan gevechtsmissies moeten zich ook enkele jaren inschrijven als reservist, nadat zij klaar zijn met de reguliere training.
Charedische joden Mannen die het charedisch jodendom aanhangen wanneer zij studeren aan de jesjiva's (Talmoedscholen) zijn vrijgesteld van dienstplicht. Deze regel is echter zeer controversieel. Charedische joden mogen dienstdoen in de IDF, maar de meesten doen dat niet.
Vrouwen binnen de IDF Vrouwen zijn ook dienstplichtig, maar ongeveer een derde van de vrouwen gaat niet in dienst om religieuze redenen of omdat ze getrouwd zijn.