De Polder Walcheren (t/m de 18e eeuw ook wel de Staten van Walcheren) was een waterschap in de provincie Zeeland. Het omvatte de kern van het voormalige eiland Walcheren. Het is een van de oudste Zeeuwse poldergebieden en de grootste door dijken en duinen omringde eenheid in de Zeeuws-Zuid-Hollandse Rijn-Maas-Scheldedelta.

Hoewel er vanaf de 12e eeuw al sprake is van waterstaatkundige organisaties, kan men pas vanaf de 15e eeuw spreken van een centraal polderbestuur. In 1965 ging de polder samen met de Nieuwlandse polders op in het Waterschap Walcheren.

Geschiedenis Wateringen Vanaf het begin van de 13e eeuw ontstaan er in Zeeland samenwerkingsverbanden voor de afwatering. In Zeeland Bewestenschelde (alsook in Vlaanderen) heetten deze verbanden 'Wateringen'. Op Walcheren ontstonden de volgende wateringen en/of afwateringsgemeenschappen: De Vijf Ambachten; dateert waarschijnlijk uit de 12e eeuw. Omvat het noordwesten van Walcheren, van Zoutelande tot Oostkapelle. Verleent zijn naam aan de oorspronkelijke vijf ambachten in deze watering: Domburg, Westkapelle, Oostkapelle, Grijpskerke en (vermoedelijk) Meliskerke. Eerst vermelding stamt uit 1273. Wordt later ook wel De Noordwatering genoemd. De Oostwatering; dateert op zijn laatst uit de 13e eeuw. Ligt in het noordoosten van Walcheren, en omvat oorspronkelijk de ambachten Gapinge, Zanddijk, Schellach, het grootste deel van Serooskerke en gedeeltes van Brigdamme en Sint Laurens. Oudste bron stamt uit 1411. Heyensluis; dateert mogelijk uit de 12e/13e eeuw. Verleent zijn naam aan een sluis in de buurt van Kleverskerke. Omvatte de ambachten Noordmonster, Kleverskerke, Nieuwerkerke, Poppendamme, Hoogelande, Buttinge en gedeeltes van Brigdamme en Sint Laurens. Oudste bron stamt uit 1412. Gaat in de loop van de 15e en de 16e eeuw grotendeels op in De Oostwatering, enkel het gedeelte ten westen van de latere Domburgse Watergang gaat op in De Westwatering. De Westwatering; datering onbekend. Omvatte oorspronkelijk de ambachten Koudekerke, Biggekerke, Krommenhoeke en het Middelburgse Westmonsterambacht. Wordt in 1394 voor het eerst vermeld. De Zuidwatering; dateert waarschijnlijk van na 1250. Omvatte oorspronkelijk de ambachten Hayman, Welsinge, Oost-Souburg, Ritthem en Nieuwwerve. De eerste vermelding stamt uit 1397. De plaatsen West-Souburg en Oud-Vlissingen behoorden in deze tijd niet tot een watering. Hoogstwaarschijnlijk hebben zij elk rechtstreeks op zee geloosd.

Dijkgraafschap(pen) Walcheren thumb|Graaf Willem III (1287-1337), graaf van Holland en Zeeland. Splitste in 1323 het kortstondig bestaande 'Dijkgraafschap Walcheren' Uit rekeningen van 1318 blijkt dat er toendertijd sprake was van een overkoepelende dijkgraaf voor heel Walcheren, genaamd Simon den Dint. Dit dijkgraafschap dateert in ieder geval van na 1290. Dit Dijkgraafschap Walcheren zou echter niet lang bestaan. Op 1 april 1323 benoemt graaf Willem III namelijk ene Jan Hendrik Beudvriendszoon tot dijkgraaf van de zuidzijde van Walcheren. Aangenomen mag worden dat er tegelijkertijd ook een dijkgraaf voor de noordzijde van Walcheren aangesteld wordt, al wordt deze pas in 1343 voor het eerst genoemd.

Op 14 april 1324 stelt graaf Willem III een wateringgraaf aan in de Vijf Ambachten waarmee deze uit het dijkgraafschap Noordzijde gelicht wordt. Dijkgraven van dijkgraafschap Noordzijde oefenen na deze afsplitsing enkel nog hun gezag uit in de Oostwatering en Heyensluis. Dit dijkgraafschap staat later uitsluitend bekend als Oostwatering. In 1357 wordt ook het dijkgraafschap Zuidzijde gesplitst, met de grens tussen Oost- en West-Souburg. Hieruit ontstaan de Zuidwatering en de Westwatering. Hoewel in eerste instantie Oud-Vlissingen en West-Souburg tot de Westwatering behoren, splitsen zij zich in de 15e eeuw af. Door de splitsingen van de dijkgraafschappen en het nog steeds bestaan van de wateringen, beginnen deze begrippen in de loop der tijd te vermengen. In de 15e eeuw spreekt men dan ook van de Vijf Ambachten, de Oost-, Zuid- en Westwatering die allen zowel wateringen dan wel dijkgraafschappen zijn. Ze worden namens de graaf bestuurd door een college van dijkgraaf en gezworenen. Deze zijn belast met de zorg voor zowel de afwatering als de dijken.

Centralisatie in Middelburg Voor de dijkzorg op Walcheren leveren de splitsingen van de dijkgraafschappen problemen op. Hoewel de afwatering vrij lokaal geregeld kan worden, zorgt een dijkdoorbraak voor gevaar op heel Walcheren. In 1355 stelt graaf Willem V de magistratuur van Middelburg aan als leiding bij de zorg voor watergangen en dijken. De Middelburgse magistraat krijgt de opdracht om samen met de watering-/dijkgraven en lokale heren, gebreken op te nemen en zo waar nodig voorzieningen te treffen. Zo treed het na de stormvloeden van 1374 en 1375 op bij het herstel van dijken bij Veere, Dishoek en in de Zuidwatering. Hierbij betrekt het de abt van Middelburg, de rentmeester van bewestenschelde en de respectievelijke lokale heren.

Middels een oorkonde van 11 februari 1396, machtigt graaf Albrecht de Heer van Veere (Hendrik I van Borselen),en (rentmeester van Bewestenschelde), Klaas II Van Borssele van Brigdamme, samen met de stad Middelburg, om waar nodig, inlaagdijken aan te leggen op kosten van het 'gemeneland', oftewel op kosten van alle ingelanden van Walcheren. De stad Middelburg krijgt hierbij de macht om bij onenigheid of afwezigheid van de anderen, zelf bindende besluiten te nemen. Deze commissie, samen met de abt van Middelburg, treedt hetzelfde jaar nog op wanneer de dijk bij Dishoek dreigt door te breken. Ook neemt het maatregelen voor een inlaagdijk bij Welsinge. In 1403 blijkt deze commissie nog actief, daar op bevel van Willem van Oostervant(de later graaf Willem VI), deze de dijk bij Dishoek moet laten verhogen en herstellen. Ook na de Sint-Elisabethsvloed van 1404 treedt deze commissie op.

In 1406 bepaalt graaf Willem VI dat op Walcheren elke dijkgraaf binnen zijn gebied dient te zorgen voor het dichten van gaten in de dijken. Daarnaast stelt hij een commissie in die de taak heeft om waar nodig de dijken te laten verhogen op gemeenschappelijke kosten van alle geërfden van Walcheren. In deze commissie benoemt hij de abt van Middelburg, de heer van Veere Wolfert V van Borselen, Klaas II Van Borssele van Brigdamme en een van de twee burgemeesters van Middelburg. Opmerkelijk in deze commissie is de afgenomen macht van het Middelburgse stadsbestuur, mogelijk had dit te maken met de Hoekse en Kabeljauwse twisten waarbij graaf Willem VI Hoeksgezind was en Middelburg meer Kabeljauwsgezind. Hoewel de graaf in 1411 alleen de rentmeester van Bewestenschelde, Philips Van Borssele van Kortgene, met de coördinatie van de dijkzorg op Walcheren belast, blijven Middelburg, de abt en de heer van Veere ook daarna nog een belangrijke rol spelen bij de zorg voor de dijken. Deze groep zou zich in de loop van de 15e eeuw en 16e eeuw ontwikkelen tot een overkoepelend dijkbestuur; de 'Staten van Walcheren''''.

De Staten van Walcheren Pas in 1511 is de eerste vermelding van een waterstaatsbestuur over geheel Walcheren, dat zich de 'Staten van Walcheren' noemt. Deze 'Staten' bestaan uit de abt van Middelburg, de heer van Veere en de magistraat van Middelburg. Deze hebben ieder één stem in de vergaderingen, en samen met de rentmeester van Bewestenschelde, die als opperdijkgraaf de graaf vertegenwoordigt, hebben ze de feitelijke leiding over de waterstaatszorg. In de Vijf Ambachten en in de Oostwatering is het ambt van overdijkgraaf door de graaf aan de abt van Middelburg en de heer van Veere toegekomen. Deze overdijkgraaf heeft de macht om een vertegenwoordiger (dijkgraaf) en zes tot acht gezworenen aan te stellen. Wanneer in 1533 het ambt van overdijkgraaf in de West- en Zuidwatering aan de stad Middelburg toekomt, hebben de Staten van Walcheren de volledige controle over de vier landsheerlijke waterstaatsbesturen.

Tweestrijd en nieuwe reglementen (1511 - 1574) Hoewel de Staten van Walcheren de controle hebben over het waterstaatsbestuur, ontstaat er gedurende de late 15e en vroege 16e eeuw een strijd over de financiële lasten van dijkherstel. Waarin voortdurend de abt met de edelen (samen twee stemmen) tegenover de stad Middelburg staan. Beide partijen spannen hierbij procedures tegen elkaar aan bij de Grote Raad van Mechelen, die in plaats van helderheid voor verwarring zorgt, waardoor de hard nodige dijkwerkzaamheden stagneren. Pas nadat nabij Welsinge de dijken ernstig verzwakt zijn in 1526, wordt Keizer Karel V om maatregelen gevraagd. Op last van de landsheer worden twee zorgdijken aangelegd, die gefinancierd worden door geheel Walcheren voor vijf groten Vlaams per gemet. De prelaat en edelen willen in 1527 en 1528 een belasting instellen van 18 groten Vlaams per gemet om de dijken van Walcheren in goede staat van onderhoud te brengen. Hoewel de magistraat van Middelburg tegen is, wordt dit geschot door ingrijpen van afgezanten van de Keizer toch geheven. En wordt er op 14 juli 1527 een overeenkomst gesloten omtrent buitendijkse werken. Hierbij worden twee commiezen, een afgevaardigd door de abt en de heer van Veere en een door de stad Middelburg, aamgesteld. Deze hebben de taak om toezicht te houden op het dijkwerk, dijkmaterialen in te kopen en loonafspraken te maken met arbeiders. De prelaat en de edelen zijn ontevreden met het akkoord, omdat zij samen slechts één commies mogen aanwijzen. Zij proberen dan ook onder het akkoord uit te komen, eerst via de Keizer. Deze beveelt echter de abt en de edelen zich aan het akkoord te houden, op straffe van 400 gouden realen en voordraging voor de Grote Raad van Mechelen. Beiden weigeren en komen voor de raad. Pas in 1536 komt het tot een schikking; Walcheren wordt weer verdeeld. De prelaat en de edelen besturen de Oostwatering en de Vijf Ambachten, terwijl de magistraat van Middelburg de Zuid- en Westwatering alsmede Vlissingen en West-Souburg bestuurd. In beide gedeeltes wordt afzonderlijk een belasting geheven voor het onderhoud aan de dijken. De Staten van Walcheren zijn verplicht de werken uit te voeren. Jaarlijks in maart mogen beide partijen elkaars gebieden controleren. Bij inundatie wordt het herstel bekostigd door alle gemeten van Walcheren.

thumb|Maximiliaan II van Bourgondië, Heer (later markies) van Veere en eerste edele in de Staten van Walcheren. In 1546 kondigt Keizer Karel V, op verzoek van de Staten van Walcheren, een nieuwe ordonnantie uit over de dijkage, ter vervanging van die van 1536. Voortaan zou in alle wateringen door de ingelanden een gelijk bedrag betaald worden. De Staten van Walcheren mochten twee penningmeesters aanstellen, een voor de Oostwatering en aanliggende polders en de ander voor de andere wateringen. Zij innen het geschot en betalen hiermee de kosten van de uitgevoerde werken. Ook benoemen de Staten twee of drie commiezen die toezicht houden op de uitvoering van de werken. Ook zijn zij verantwoordelijk voor de aankoop van materialen zoals rijs, hout en steen en voor de aanbesteding van de werken. De rentmeester van Bewestenschelde zal als opperdijkgraaf toezicht blijven houden op de rekeningen van de penningmeesters. De commiezen en de penningmeesters moeten in Middelburg, Veere en Westkapelle wonen. Voor elke jaarlijkse vergadering dienen de commiezen een voorbereidende inspectie te plegen van de dijken om daar vervolgens verslag over uit te brengen aan de Staten van Walcheren.