miniatuur|Heksenmonument in Beselare

De Heksenstoet is een tweejaarlijkse stoet waar duizenden figuranten, muzikanten, reuzen en wagens folkloristische vertelsels en taferelen over heksen in Beselare en daarbuiten voor het publiek brengen. Sinds 2012 is de heksenstoet opgenomen in de Vlaamse lijst van immaterieel cultureel erfgoed.

Beselare staat bekend als het heksendorp of toveressenparochie. Dat heeft het te danken aan de verhalen en legendes over heksen, toverij, zwarte en witte magie die er generatie op generatie werden verteld en letterkundige later publiceerden. Het zijn die oude verhalen die de heksenstoet sinds 1963 tot leven brengt.

De laatste zondag van juli op oneven jaartallen trekken Sefa Bubbels, de meestertovenaresse, negen andere Beselaarse heksen, heksen uit sprookjes en 'heksen van heinde en ver' door de dorpskern. De avond van de stoet sluit feestelijk af met de heksenveroordeling en de heksenverbranding. In de weken voor de stoet valt van alles te beleven of te bezichtigen rond de folkloristische heksen.

Ontstaan Dat Beselare gekend staat als heksendorp hebben ze te danken aan enkele letterkundigen die de legendes over heksen neerschreven en ervoor zorgden dat ze zo bewaard bleven. Volksschrijver Edward Vermeulen, pseudoniem Warden Oom, werd geboren te Beselare in 1861. Ondanks dat hij er maar vier jaar woonde, schreef hij romans en verhalenbundels waarin heksenlegendes over Beselare verwerkt zaten. Door die verhalen kreeg Beselare de reputatie van heksendorp.

Ook Lodewijk De Wolf, doctor in de wijsbegeerte en letteren en onderpastoor van Beselare van 1911 tot aan WOI, verzamelde foto's en schreef aantekeningen over Beselare en zijn folkloristische geschiedenis. Ten gevolge van de bezetting door Duitsers ging zijn gehele bibliotheek verloren.

Later halfweg de 20e eeuw bracht Jozef Maes oude vertelsels over de toveressenparochie terug onder de aandacht in zijn Beselaarse gedenkboeken. Zijn zoon Oswald Maes herschreef in 2001 die verhalen over de dorpsheksen in het boek Tooveresse wie syde ghy?. Oswald Maes was ook geestesvader van de heksenstoet. Hij regisseerde jarenlang de stoet en hielp mee met de opstart van de heksenstoet.

Door de vele opschriften en verhalen over die legendes, trokken in 1959 bewoners uit de Zonnebekestraat (nu Beselarestraat) naar het gemeentehuis om hun meestertovenaresse Sefa Bubbels te dopen. Wat oorspronkelijk een straatkermis was, groeide in 1963 uit tot de heksenstoet.

Edities Vroeger ging de stoet elk jaar door, maar toen in de jaren '80 Passendale de Kaasstoet organiseerde was het voor de gemeente niet haalbaar om beide stoeten jaarlijks te financieren. Bijgevolg kwam men tot de overeenkomst om elk jaar afwisselend de Kaas- en Heksenstoet te laten doorgaan. In 2000 werd beslist, door de matige opkomst van de laatste jaren, de Kaasstoet niet meer te laten doorgaan, de Heksenstoet wordt sindsdien om de 2 jaar georganiseerd. De stoet werd in 1990 live uitgezonden op de toenmalige BRT. Tijdens de 44e editie in 2015 startte de stoet voor het eerst in 56 jaar tijdens een regenbui. De 46ste editie in 2019 had als thema 'de boel op stelten'. Deze editie was tevens ook het 60-jarig jubileum van de heksenstoet. De organisatie telde ongeveer 1.300 medewerkers en er waren ongeveer 30.000 bezoekers. De 47ste heksenstoet werd ten gevolge van de coronapandemie tweemaal uitgesteld en vond het pas plaats op zondag 30 juli 2023.

Heksenfolklore in Beselare miniatuur|420x420px|Reuzin Sefa Bubbels tijdens de stoet

Sefa Bubbels Sefa werd geboren als Jozefa Coleta Bubbels. Dochter van molenaar Judocus Bubbels en Joanna Belettere. Langs moeders zijde was zij dus de nicht van Calle Bletters. Sefa was een streuse vrouw met macht als een paard. Zowel zij als haar vader hadden wratten in het aangezicht. Haar vader werd ook wel Dokus Bubbels genoemd omdat hij vol stond met bubbels. Sefa werd geboren in de hondsdagen van 1667. Met haar ouders woonde ze aan het Steenhuylbusch, in het dal van herberg 'De reutel' naast de Polygonebeek. Ook nadat haar ouders waren gestorven bleef Sefa er wonen. Ze ging werken als koemaarte in 't Moerhof te Geluveld. Waar ze haar man, Pieter Jocobus Bierboom, leerde kennen en mee trouwde op 26e jarige leeftijd. Pieter was net als Sefa streus gebouwd, maar heel schuchter. Samen kregen ze 7 kinderen. Kukske van 't Moerhof, Kootje Cluyte, Slekke Laps, Djakke Ramulte, Puiste Sleuvers, Klakke Crotte en Bellotje. In de jaren waarin haar kroost opgroeide, brak de pestziekte uit in de parochie. Geen enkel huis bleef gespaard, ook Sefa niet. Ze mocht haar man en 5 van haar kinderen naar het kerkhof dragen. Haar oudste twee kinderen bleven gespaard, maar zijn nadat de pest overwaaide uit huis vertrokken. Sefa bleef alleen en verbitterd achter in armoede. Ze leefde van haar melkgeit, gekweekte konijnen, ging schooien bij ander parochianen en ging naar de broodbedeling van dis (armenzorg) in de kerk.

Steeds meer en meer werden vreemde gebeurtenissen gelinkt aan Sefa. Iedereen vreesde haar. Meer en meer kwamen klachten binnen over spokerij waar Sefa in zou betrokken zijn. Paarden met slijmkoorts, koeien met staarteuvel, ... Sefa werd door de Baljuw gevraagd in 't Wethuis. Een eerste keer deed Sefa of zij niets wist of afwist van al die spokerij, een tweede keer kwam zij zat, nadat ze met Leeme Caduul wijn had gedronken, binnen en was niet in staat om ondervraagd te worden. De Baljuw stuurde haar weg. Sefa vertrok kwaad huiswaarts. In de nacht die volgde had Sefa haar bruingrijze steenuil opgetrommeld om alle heksen op te roepen tot een heksenvergadering. De volgende morgen stond heel Beselare overeind, het had er die nacht nog nooit zo erg gespookt.

De tijd vloog voorbij en ook Sefa werd ouder. Aan het eind van juli van het jaar 1750, tijdens een snikhete zomer hadden noch de buurt en noch de dis (armenzorg) Sefa gezien. Maar niemand durfde haar huis te naderen om te kijken waar ze was. Uiteindelijk trokken de Baljuw samen met een politiedienaar en geneesheer van het dorp richting het Steenhuylbusch. Wanneer men daar aankwam trof met Sefa dood aan, gestorven tijdens de maaltijd aan een beroerte. Met op de uilenbalk dertien slapende steenuilen. Een timmerman uit het dorp maakte een ruwe kist om Sefa in op te bergen en te begraven. Maar de bijgelovigheid was zo groot dat niemand de durf had om Sefa in haar kist naar het kerkhof te brengen met paard en kar. Uiteindelijk werd een koetsier van de markies aangeduid om de grote zware lijkkist naar het kerkhof te vervoeren. Op de laatste zondag van juli 1750 werd Sefa onder het ziende oog van 't volk ten ruste gebracht. Achter de kar met haar kist liepen vrouwen met een diepe kapmantel huilend om hun beminde Sefa, het waren Clette 't Aendegat, Meele Crotte, Tanneken Vanhulle, Leeme Caduul en Belle Fakke die met haar bel Sefa's eindklok sloeg. Op het moment dat men Sefa begroef, begon het te onweren. De bliksem sloeg in op het Steenhuylbusch en er ontstond vuur. Sefa haar woonst hing in vlammen op. De steenuilen vlogen weg in een zwerm richting d' Eijer Pandenbusschen. miniatuur|Vliegende heks Calle Bletters

Calle Bletters Geboren in 1668 met doopnaam Anna Catharina Belettere, dochter Pieter, Pier de peerdesmet. Langs de Wervikstraat woonden zij in 'de Betoverde Smesse'. Calle betoverde het liefst voermanspaarden die op bezoek kwamen bij haar vader, de hoevesmid. Ze legde haar linkerhand op de rug van de paarden en fluisterde spreuken die ze uit het grote toverboek leerde om die te betoveren. Ze heeft zoveel paarden betoverd dat haar vader op den duur geen werk meer had. Calle haalde haar kunsten uit het grote toverboek. Ze stierf in 1747 en smeet kort voor haar dood, haar zeer beheerd toverboek in het smessevuur. miniatuur|Reuzin Clette 'tAendegat tijdens de stoet

Clette 'T Aendegat Coleta Vandendycke was Clette's echte naam. Ze werd als boorling gevonden in de dijk bij het Crampenbusch aan de Zuidhoek (tussen Geluwe en Beselare) op 4 oktober 1703. Later verhuisde ze naar Geluwe. Clette had voeten als ovenpalen en handen als hamers. Ze was steeds opgetut en vond zichzelf de mooiste vrouw. Ze waggelde rond tussen Beselare en haar woonst in het Gavermeerschen om overschotjes brood bij de bevolking af te bedelen en verzamelde de die in haar wissen mande die ze op haar rug droeg om dan aan haar drie-orige konijnen te voeren. Iedereen gaf haar die overschotjes uit schrik omdat Clette graag deugnieterij uithaalde. Vooral zwangere vrouwen probeerden Clette snel af te wimpelen. Ze had immers altijd in de zak van haar short een flesje toverdrank zitten. Een afkooksel van rode smert en siljadoone. Siljadoone was een kruid die zwangere vrouwen niet mochten drinken of eten. Als men Clette in aantocht zag komen, legde men zout en paasnagel onder hun zulle. Dit zou het kwaad tegen houden. Op een warme namiddag in de maand juli van het jaar 1756 werd Clette levenloos terug gevonden, ze was overleden door een zonneslag. miniatuur|Reuzin Dokke van d'heulebeke tijdens de stoet

Dokke van d'heulebeke Dokke woonde begin jaren 1700 in een oud huisje langs Mispelaerebeek, een zijtak van de Heulebeek. Ze was een handkijkster en kaartlegster. De parochie verdacht haar van omgang met de duivel. Op haar sterfbed zat een zwarte geit en rond diezelfde tijd waren verschillende rare, spokerige gebeurtenissen bij haar woonst waar te nemen. Daardoor liepen de buurtbewoners weg en durfden ze het huis niet te betreden. Toen er geen geluid of beweging meer te horen of zien viel, is men het huis van Dokke binnen gegaan. Men trof Dokke dood aan met haar nek omgedraaid. De duivel vloog weg vanonder haar muts en ineens kwam een geur van solfer en brandend pek vrij. Nu waren ze zeker van haar omgang met de duivel. Haar huis met Dokke's lijk erin vloog die nacht in brand. Nooit heeft iemand nog op diezelfde plaats een woning willen bouwen.

Fyte Kwick Fyte Kwick kwam in het jaar van de pest (1699) met bamis aan de rand van het Vuilewaesbusch wonen. Haar verrotte stulp stond tussen de Vuilewaasstraat en de Zuidhoek en was helemaal overgroeid met biezen duivelsklauw en kwikkruid (vandaar Kwick). Niemand kende Fyte of wist vanwaar zij afkomstig was. Ze zag eruit als een misgroeid en verschrompeld schepsel met een te lang gezicht. Je kon haar van ver horen afkomen door haar piepende adem. Fyte was een waarzegster waarbij vreemd bezoek langs kwam.. Ze werd door andere toveressen verdacht van haar ziel te verkopen aan de duivel in ruil om waarzegster te kunnen zijn. Het volk wou daarom niet bij haar langsgaan want zij had God afgezworen enkel bijgelovige mislukkelingen gingen bij Fyte langs. In de winter van 1739-1740 was Fyte spoorloos verdwenen. Was ze vertrokken of had de duivel haar lichaam meegenomen? Voor de eerste wereld oorlog kon men de plek van Fyte's stulp nog aanwijzen door de overwoekering van duivelsklauw en kwikkruid. Na de Eerste Wereldoorlog is het Vuilewaesbusch en dus haar woonplaats verdwenen.

Meele Crotte