Ruisend gruis is de laatste roman van de Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans, postuum verschenen in september 1995. Vigeland Fahrenkrog is professor in de mineralogie en boort in zijn nieuwe villa in de omgeving van de stad Groningen een gat in de muur, waar onophoudelijk een vreemd poeder uit komt stromen dat hem verhindert zijn huis te verlaten. Zijn dochter Lievestro heeft een handplant die zich aanvankelijk alleen in haar handpalm, maar uiteindelijk over haar hele lichaam vastzet, met fatale gevolgen. In de contemporaine recensies werd het boek algemeen ingedeeld bij het surrealisme of het fantastische verhaal. Ook het oordeel dat de roman niet tot de hoogtepunten uit het oeuvre van de auteur behoort, was algemeen.Van Steenwijk (1996), 164 Hermans' biograaf Willem Otterspeer ziet het als een sleutelroman waarin personages herkenbaar gebaseerd zijn op werkelijk bestaande mensen.

De auteur begon in oktober 1993 aan de roman. Thema's zijn de onmogelijkheid om contact met andere mensen te maken, de natuurwetenschappen en het onvermogen om ergens zeker van te zijn.

Ontstaansgeschiedenis en autobiografische achtergrond Onderaan de tekst staat vermeld dat de auteur op 25 oktober 1993 aan de roman begonnen is. In een brief van 6 november 1993 deelde de auteur Wilbert Smulders mee dat de titel Ruisend gruis was.Huygens ING (2016), 944 Op 12 december schreef Hermans aan Sonja Pos dat het verhaal 'het oprijzen van een vulkaan in de omgeving van Groningen beschrijft'.Geciteerd bij Huygens ING (2016), 944

Hermans wist nog niet welke omvang zijn nieuwe werk zou gaan hebben. op 24 december 1993 schreef hij aan Pos over 'mijn nieuwe roman, of grote verhaal' en in een brief van 15 augustus 1994 omschreef hij het als 'een grote novelle'.Geciteerd bij Huygens ING (2016), 944 en 946 Op 18 januari 1994 las hij voor het eerst fragmenten voor, tijdens een literair evenement in Brussel.Huygens ING (2016), 945 Uit aantekeningen van de auteur blijkt dat hij geregeld niet wist hoe het verhaal verder moest.Otterspeer (2015), 951

Als inspiratiebron noemde Hermans een verhaal van Edgar Allan Poe, 'The Unparalleled Adventure of One Hans Pfaall' uit 1835. Dit verhaal speelt in Rotterdam en handelt over een ballon die van oude kranten is gemaakt.Huygens ING (2016), 988 noot 327

Volgens biograaf Otterspeer 'heeft de figuur van Fahrenkrog onmiskenbaar autobiografische trekken.'Otterspeer (2015), 968 Net als de auteur zelf lijdt Fahrenkrog aan hoestbuien.Otterspeer (2015), 975 Diens voornaamste tegenspeler, de Italiaanse geoloog Silvio Birra, is een portret van de in 1920 geboren Prof. L.M.J.U. (Bert) van Straaten, een collega van Hermans uit zijn tijd aan de Rijksuniversiteit Groningen. Publicist Rob Delvigne noemt drie overeenkomsten die uitwijzen dat Van Straaten model stond voor Birra: ook Van Straaten was een enorm magere man met ingevallen wangen; Van Straaten had de gewoonte om gaten in de zakken en voeringen van zijn kleding te repareren met leukoplast; de gewoonte om studenten met een busje naar een excursie te vervoeren. De assistent van Van Straaten, H.J. (Hemmo) Veenstra, had een in slechte toestand verkerend gebit waarom hij berucht was. Hetzelfde geldt voor de assistent van Birra, dr. Ulbo Rombouts.Delvigne (2010), 317

Veenstra, die in 2012 op 84-jarige leeftijd overleed, was gespecialiseerd in sedimentanalyse en in de Waddenzee, stond bekend om zijn gevoel voor humor en was er trots op dat hij als Rombouts in de roman was beschreven.Bert Boekschoten e.a., 'In memoriam. H.J. Veenstra.' Geo.brief, Nieuwsbrief van de KNGMG en NWO-ALW, december 2012] Zevenendertigste jaargang, nummer 8, 21 Van Straaten daarentegen was juist bang een onaangenaam portret van zichzelf tegen te komen en wilde Hermans zelfs een verklaring laten ondertekenen dat hij geen 'onjuiste mededelingen' over het geologisch instituut zou publiceren.Delvigne (2010), 316-317

Inhoud

Professor in de mineralogie Fahrenkrog koopt een nieuw huis. Hij had ooit een idee om van een soort cellofaan gebouwen te maken. In gezelschap van collega's heeft hij het gevoel dat ze hem minder knap vinden dan de rest. Hij boort nu in zijn nieuwe, lege vrijstaand huis een gaatje om zijn antieke kwikbarometer aan op te hangen. Ineens schiet de boor in de muur en er stroomt wit poeder uit, minder fijn dan poedersuiker maar fijner dan gewone suiker. De straal wordt niet minder krachtig maar verandert wel van kleur en substantie. Hij gaat naar de bovenverdiepingen om tegen de muur te tikken en te horen of die hol zijn en de poeder daarachter al gezakt is. Omdat de ruisende substantie inmiddels gestegen is en hij bang is erin te verdrinken als in drijfzand, gaat hij naar het balkon in de hoop iemand langs te zien komen die een ladder kan halen.

De eerste persoon die hij ziet is een magere, invalide jongen met een verwrongen lichaam. Die vertelt dat het hele dorp al jaren weet van het poeder in de holle muren en het daarom het sandwichhuis noemen. De jongen is niet zeker of hij begrepen wordt, want hij kan wel verstaan wat mensen tegen hem zeggen maar kan sinds zijn ongeluk zijn eigen praten niet horen. "Ik moet dus maar, zonder er de minste kijk op te hebben, aannemen dat... dat ik hardop zeg wat ik bedenk." Fahrenkrog stelt hem gerust dat zijn betoog prima te volgen is. Net als Fahrenkrog de jongen vraagt om de brandweer te bellen (zijn nieuwe huis heeft nog geen telefoon), ziet hij een brandweerauto aankomen. Die is echter te breed voor de smalle dorpsweg en kan de bocht niet nemen. Er komt een brandweerman zonder ladder zijn kant op lopen maar die loopt door. Hij passeert een jogger, een zwarte Amerikaan die hij herkent omdat die op het universitaire laboratorium werkt. Maar ook deze gaat voorbij.

De dochter van Fahrenkrog, Lievestro van elf, zit in een klas waar handplanten een hype zijn. Deze groeien in je hand en zetten hun wortels in je handpalm. Zelf heeft ze er nu twee maanden eentje. Als hij bloeit, geven de mauve bloemen de plant het uiterlijk van een golfbal. Ook geven ze een geur af die volwassenen minder gunstig beoordelen. Helemaal verwijderen kun je een handplant niet, behalve door hem over te geven aan een andere hand. Dan laten de wortels vanzelf los.

Lievestro's vriendinnen Wendolien en Petra hadden eerst een handplant. Fahrenkrog is er niet voor dat zij er ook een neemt, omdat de gevolgen voor de gezondheid niet bekend zijn en ze zijn geteeld met radioactieve straling. Sommigen zeggen dat het virussen zijn, tot monsterlijke afmetingen vergroot.

Fahrenkrog heeft haar verteld dat haar moeder Clementine in Tokio aan een hartaanval is overleden. In werkelijkheid is Clementine, een begaafd geoloog, bij een hete vulkanische bron gevallen, bewusteloos geraakt en enkele uren later overleden. Haar longen waren verschroeid. Op dat moment stond hijzelf vijftig meter verderop, zodat de plotselinge gaswolk aan hem voorbijging. Haar zuster verwijt Fahrenkrog dat hij zijn vrouw, een hartpatiënte, te veel inspanning heeft laten doen met het beklimmen van vulkanen. Deze conditie bestaat al sinds ze twintig was, maar een jaar later beklommen ze samen nog de vijfduizend meter hoge Tutupacavulkaan in Peru. Toen was Clementine al zwanger, al wist ze dat nog niet. Fahrenkrog kan er geen hoogte van krijgen of Lievestro haar moeder mist. Zo op het oog lijkt het van niet.

Professor Birra is zijn naaste collega, maar omdat hij helemaal in zijn vak opgaat hebben ze geen onderlinge band. Hij geeft soms college in een Volkswagenbusje op locatie. Hij noemt het zijn collegebusje. Op de middag dat Fahrenheit in de muur buurt, geeft Birra vijf studenten college in het busje. Birra zou al drie jaar dood zijn geweest toen Fahrenkrog zijn huis kocht. Na veel gehannes werd hij de opvolger van Birra en keek dus uit naar een groter huis in het forenzendorp. Het Bevolkingsregister heeft de datum van het overlijden niet, maar het crematorium weet wel wanneer hij 'als rook van de door hem zo diepgaand bestudeerde aardkorst afscheid nam.'

Birra stamt af van achttiende-eeuwse Siciliaanse struikrover die zich in Groningen als schoorsteenveger had gevestigd. Op middelbare leeftijd trouwde hij een weduwe. Zijn hoofdassistent dr. Ulbo Rombouts van een oud geslacht van koffiebranders. Twintig jaar jonger dan Birra, maar woont thuis. Omdat hij niet naar de tandarts gaat zijn zijn tanden weggerot. Op excursies eten de studenten eenvoudig en zoeken Birra en Rombouts de beste restaurants op. Nadat Rombouts een keer vanwege zijn uiterlijk geweigerd werd, besluit Fahrenkrog voortaan alleen te eten. Terwijl Fahrenkrog het gat boort, geeft Birra college over de poedervulkanen, waarvan het ontstaan onbekend is.

Het staat niet vast of Birra dood was toen het gat geboord werd, wel was zijn busje toen in de buurt van het sandwichhuis. Zijn hoofd had de vorm van een boek. Birra draagt altijd dezelfde kleding: een tomatensoepkleurig jasje van tweed, een grijze flanellen broek, altijd dezelfde grijze hoed, nu met 'zwarte vlammen van vuil en vette vingers', 'ze leken op te laaien uit de rand', en peperdure bruine Engelse schoenen. Hij mag daar graag over praten, wat hoogleraren 'in de minder exacte vakken, zoals de ontologie, de fenomenologie of het historisch materialisme', zich niet permitteren. Als er een knoop van zijn jasje ontbreekt, vervangt hij die door een gevonden exemplaar. 'Een geboren geoloog, die op plaatsen waar geen ertsen of fossielen waren te vinden, knopen en spelden opraapte, om zijn roeping niet te kort te doen.'

Birra doceert dat aan het einde van het Röt een afzetting van vulkanische as is ontstaan, die niet door de druk van latere formaties is veranderd in tuf, maar poeder is gebleven. Deze fijnkorrelige massa zou bij reactivering van de vulkaan naar boven kunnen worden geperst. Dit werd twintig jaar geleden al voorzien door professor Tochthol, die de gemeente Noordlaren erover inlichtte. Op het breukvlak is toen een betonplaat gestort en de villa gebouwd, die sandwichhuis heet vanwege de dubbele muren. Maar Slok, de amanuensis, vult aan dat er in de vijftien jaar dat de villa bestaat nog geen mens gewoond heeft. Fahrenkrog is de eerste.

De brandweer zaagt de knotwilg om om verder te kunnen, maar wordt dan belaagd door alternatieve jongeren die voor het milieu opkomen. Studente Adriaantje Stavast is een demonstrant die de brandweer zoveel mogelijk hindert. In deze tijd werd het filmpje nog vaak uitgezonden van een Chinees die in Beijing een tank tegenhoudt. Wat de brandweer komt doen, laat iedereen koud.

Niet ver daar vandaan komt een trein tot stilstand in een weiland. De machinist stapt uit om te kijken wat er aan de hand is en wordt stank en een gele nevel gewaar die uit de bodem komt. De trein zit vol weeskinderen uit Oost-Europa en die klimmen op het dak en lopen over de rails. Een helikopter van de politie vliegt over en neemt waar hoe de aanstormende HSL zich in de wagons bijt. Dit ongeluk werd volledig in de doofpot gestopt, zodat er niets over bekend is.

Fahrenkrog hoort een luid gekraak en ziet hoe het peil van het poeder zakt. Hij concludeert dat het nu de kelder in loopt. Het peil daalt echter niet genoeg om veilig door het poeder te kunnen waden en het begint weer te stijgen.

Lievestro komt net aan lopen als het gruis door de ramen naar buiten stroomt. Fahrenkrog ziet haar en roept dat ze de brandweer moet vragen met een ladder te komen, maar 'de rest van zijn woorden werd aan gruis geslagen door een verschrikkelijke hoestbui.' Het gruis stroomt over de tuin en de dunste partikels vormen een dichte damp als van een giftig gas. Lievestro slaat van schrik de handen in elkaar, met als gevolg dat de handplant wortels in de andere hand slaat, zodat haar handen vast komen te zitten.

Fahrenkrog probeert nogmaals te roepen, maar 'het gruis brandde in zijn keel en verstikte zijn stem.'