Iman Willem Falck, ook wel Iman Wilhelm Falk (Colombo, 25 maart 1736 – Colombo, 6 februari 1785) was een jurist en koopman in dienst van de VOC en van 1765 tot 1785 de 32e gouverneur van Ceylon.

Biografie Kindertijd in Ceylon De familie Falck kwam oorspronkelijk uit Oost-Friesland. De naam werd ooit gespeld als Valcke. Otto Wilhelm Falck (1679-1730), een militair uit Emden die in 1720 met zijn gezin naar Utrecht verhuisde, had 11 zoons en dochters, van wie meerdere voor de VOC naar Indië gingen om fortuin te maken nadat hun vader in financiële problemen was geraakt. Een van hen was Frans Willem Falck, Iman Willems vader. Deze vertrok in 1731 en werkte daarna als koopman en fiscaal in Ceylon, op het hoofdkantoor Colombo. Eind 1735 trouwde hij daar met zijn achternicht Adriana Gobius, een dochter van Johan Frederik Gobius, die gouverneur van Malakka was geweest. Een jaar later werd Iman Willem geboren. Nog een jaar later werd zijn vader aangesteld als dessaveEen dessave stond aan het hoofd van het inheemse bestuur en was verantwoordelijk voor de belastingheffing in de gebieden die bestuurd werden door de VOC en voor de levering van de traditionele herendiensten in de feodaal-agrarische samenleving van Ceylon. van Matara aan de zuidkust. Zijn carrière eindigde daar abrupt toen hij in augustus 1737 op zijn 27e overleed.Zijn grafsteen is te zien in de oude Nederlandse kerk van Matara. Adriana ging met Iman Willem terug naar Colombo en trouwde daar met de opperkoopman Arent van Broyel. Deze werd in 1740 benoemd tot dessave van Jaffna. Twee jaar later was hij weer in Colombo als dessave. In januari 1743 werd de bijna zevenjarige Iman Willem naar Utrecht gestuurd voor een opleiding. Hij kwam daar bij zijn oma te wonen. Zijn moeder en stiefvader vertrokken het jaar daarop naar Batavia, waar Van Broyel als extraordinair lid van de Raad van Indië was aangesteld. Iman Willem zou zijn moeder pas in 1756 weer terug zien. Van Broyel overleed in 1753.

Studie in Utrecht In september 1747 werd Iman Willem Falck ingeschreven op de Hiëronymusschool in Utrecht, de grootste Latijnse school in de Republiek, waarop ook zijn vader en zijn ooms hadden gezeten. Daarna ging hij naar de universiteit, waar hij op 16 september 1756 promoveerde in de rechten. Ook hierin volgde hij zijn vader. Kort daarna nam hij dienst bij de VOC-Kamer Amsterdam, als onderkoopman op het schip de Amelisweert, waarbij de hoofdparticipant Thomas Hope voor hem bemiddeld had. Hope, die dat jaar bewindhebber werd, en in 1766 de representant werd van de opperbewindhebber van de VOC stadhouder Willem V, zou in de rest van zijn loopbaan als zijn patroon blijven optreden. Patroon-cliënt relaties, al of niet gebaseerd op familieverband, speelden naast geschiktheid in de 18de eeuw een belangrijke rol in het verkrijgen van goede posities, ook bij de VOC. Falck zelf schreef later dat het onmogelijk was: 'zonder machtige Patronen door de wereld te komen'.

Batavia In december 1756 vertrok hij op de Amelisweert naar Batavia, waar hij op 16 juli 1757 aankwam. Ook zijn neef Otto Willem voer mee. Voor hem was slechts een plek als constabelmaat beschikbaar. In juli 1757 kwamen ze aan in Batavia. Hier ontmoette Falck na 14 jaar zijn moeder weer, en ging bij haar in huis wonen. Hij werd aangesteld als schrijver, en kort daarna als geheimschrijver (privé-secretaris) van de gouverneur-generaal Jacob Mossel. Otto Willem vertrok naar de handelspost Chinsura in Bengalen.Hij bracht het daar tot opperhoofd van Patna, waar hij zijn fortuin maakte. Hij keerde in 1776 terug naar Utrecht en werd in 1785 bewindhebber van de VOC-Kamer Amsterdam. Zijn zoon was de staatsman Anton Reinhard Falck. miniatuur|Batavia rond 1760 Iman werd in februari 1761 bevorderd tot koopman. In mei stierf Jacob Mossel. Hij werd opgevolgd door Petrus van der Parra. Ook met hem had Falck een goede relatie. Van der Parra was al sinds 1747 lid van de Raad van Indië en was net als Falck in Colombo geboren. Hij benoemde hem in juni tot eerste vaandrig van de pennisten (schrijvers en klerken) op het Kasteel Batavia, en een maand later, op 9 juli, tot opperkoopman. Op 28 februari 1763 trouwde Falck met de 15-jarige Theodora Rudolpha de Wendt, 'Doortje', de dochter van brigadier Gerard de Windt, bevelhebber van de militie. In juni werd hij tweede secretaris van de Raad van Indië. Toen de eerste secretaris, Willem Fockens, kort daarna gouverneur van Ambon werd, volgde Falck hem op 12 september op, eerst op proef en vanaf december vast. Op 1 november van dat jaar overleed zijn moeder, 44 jaar oud.

In mei 1765 kwam in Batavia het bericht aan van het overlijden van de gouverneur van Ceylon, Lubbert Jan van Eck, aan een ziekte opgelopen tijdens zijn succesvolle verovering van Kandy, de hoofdstad van het Singalese koninkrijk in de bergen in het binnenland. In juni werd hierover druk vergaderd, waarna Falck werd benoemd tot zijn opvolger, omdat vooral gouverneur-generaal Van der Parra vond dat het eiland iemand nodig had 'die de zaken daar kent en ijver combineert met inzicht en beleid'. Meerdere raadsleden vonden Falck voor de moeilijke situatie in Ceylon te jong en onervaren (hij was 29, en kort tevoren nog om die reden afgevallen als kandidaat voor het gouverneurschap van Coromandel). Vooral Jan Schreuder (de voorganger van Van Eck als gouverneur van Ceylon), Louis Taillefert, Willem Arnold Alting en Maurits Hilgers waren tegen. Ze vonden dat een lid van de Raad van Indië de taak op zich zou moeten nemen, maar het was niet duidelijk wie dat dan moest zijn. Uiteindelijk was de stemming 6 tegen 5, waarbij Van der Parra's stem de doorslag gaf. Falck kreeg als opdracht vrede te sluiten met de koning van Kandy, Kirti Sri Rajasingha. Schreuder was het daar niet mee eens. Hij vond dat het koninkrijk opgedeeld moest worden in meerdere stukken, geregeerd door de VOC goedgezinde hovelingen. Taillefert en Alting stuurden een verslag van de vergadering naar de Heren XVII, vanwege het bijzondere verloop ervan. Taillefert klaagde in een persoonlijke brief aan Thomas Hope dat Falck 'niet alleen, schoon te Colombo geboren, meede geene lokale kennise van Ceilon, nog andere krijgskunde hadde, als die men uijt boeken halen kan'. Falck zelf was het om het even. Hij vond de post niet 'begeerlijk' maar wilde er het beste van gaan maken.

Gouverneur van Ceylon Verdrag met Kandy miniatuur|Ontvangst van de gezanten van de koning van Kandy door gouverneur Falck in 1772, geschilderd door Carel Frederik Reimer. Falck zit aan het hoofd van de tafel in blauwe jas. Aan de overkant van de tafel de gezanten uit Kandy. Rechts de leden van de raad van Colombo.Van links naar rechts, in volgorde van rang: hoofdadministrateur Bartholomeus Raket, dessave Godfried de Coste, majoor Jan Jacob Cocquaart, fiscaal Jan Hendrik Borwater, soldijboekhouder Gerrit Holst, pakhuismeester Cornelis de Cock, secretaris Martinus Mekern, die naar de schilder kijkt, en de negotieboekhouder Jacobus de Bordes. Op 28 juli kwam Falck aan in Galle, waar hij verwelkomd werd door de commandeur Abraham Samlant. Vandaar ging het in ceremoniële optocht naar Colombo, waar hij op 9 augustus aankwam en het gouverneurschap overnam van Anthony Mooyaart, commandeur van Jaffna, die het zolang waargenomen had. Op Ceylon had zes jaar lang een kostbare oorlog gewoed met het koninkrijk Kandy. Van Eck had met zijn laatste veldtocht een grote stap gezet naar de beëindiging daarvan. Ondanks dat het bezettingsleger in Kandy door voedselgebrek en ziekte, en belaagd door een guerrilla vanuit de bossen, eind augustus moest terugkeren naar Colombo, wist Falck door stevig te onderhandelen, en te dreigen met hernieuwd militair optreden, op 14 februari 1766 een zeer gunstig vredesverdrag te sluiten. Het was grotendeels gebaseerd op het verdrag waarvoor Van Eck ten strijde was getrokken. De soevereiniteit van de Compagnie werd van de al in het bezit zijnde gebieden in het zuidwesten en noorden uitgebreid met een 5 kilometer brede strook rond het hele eiland. De koning van Kandy behield de soevereiniteit over het gehele binnenland. De kaneel op zijn grondgebied zou hij laten schillen en voor een vaste prijs verkopen aan de Compagnie, zonder dat er ieder jaar om gevraagd moest worden. Aangezien goede kwaliteit kaneel alleen op Ceylon groeide had de VOC er een handelsmonopolie op, waarmee veel winst gemaakt werd in Europa. In ruil mochten de Kandianen voortaan vrijuit zout winnen aan de westkust, en mocht het hof voortaan meedoen met de olifantenhandel, een langgekoesterde wens. Ook de olifanten moesten wel aan de Compagnie worden verkocht. In 1765 meegenomen objecten uit het paleis en tempels in Kandy zouden worden teruggegeven. De vrede tussen beide partijen zou onderhouden worden door jaarlijkse gezantschappen, zoals voorheen, maar voortaan met gelijke ceremonie. Dus geen knielen, kruipen en in zilveren schotels op het hoofd gedragen brieven meer aan het hof van Kandy.Een in 1671 door de olijke Henricus van Bijstervelt gestarte traditie. miniatuur|280x280px|Kaart van Ceylon en de kust van Zuid-India (Madura) uit 1753. Het rode gebied werd door de VOC bestuurd. De Raad van Indië en de Heren XVII waren zeer ingenomen met de vrede, en Van der Parra schreef aan Thomas Hope dat hij nu iedereen kon overtuigen dat zijn 'keuse van den heer Falck tot bereijk van dat werk niet qualijk maar gefundeert geweest is' en dat hij een voorbeeld was 'voor trouw sonder eijgene gewinne en glorie na te jagen en de uijtkomsten der saken aan de wisselvalligheijt over te laten'. Op 21 oktober werd Falck door de Heren XVII benoemd tot extraordinair lid van de Raad van Indië.

Falcks stijl als gouverneur was methodisch, weloverwogen en stabiel, in niet-aflatende ijver, ondanks een vaak zwakke gezondheid. In de Raad van Ceylon speelde hij een leidende en actieve rol, waarbij hij graag gebruik maakte van vertrouwelingen, zoals Adriaan Moens en zijn latere opvolgers Johan van Angelbeek en Willem Jacob van de Graaff, die later allen door hem of door Van der Parra op belangrijke posten werden benoemd.Moens en Van Angelbeek als commandeurs van Malabar en Van de Graaff als directeur van Suratte. Ook had Falck zeker drie 'neven'Met neef en nicht werden in de 18de eeuw ook verre en aangetrouwde familieleden aangeduid. op Ceylon: Martinus Mekern, die in 1780 opperhoofd van Tuticorin werd, Cornelis de Cock, die in 1782 dessave van Colombo werd, zes keer op audiëntie naar Kandy ging (in 1783 en 1785 als ambassadeur) en eigenaar was van grote kaneeltuinen, en Cornelis Dionysius Kraijenhoff, die in 1785 door Falck tot commandeur van Galle werd benoemd.

Kaneel miniatuur|Kaart van het fort en de voorstad van Colombo in 1785. 'Met de situatie van de omleggende landen, 't lak, de binnenrheede met dezelfs banken en riffen. De voornaamste buytengebouwen, thuynen, weegen en hoogtens'. Falck richtte zich vooral op uitbreiding en verbetering van de kaneelproductie. Na in opdracht van Batavia experimenten in zijn eigen tuin te hebben uitgevoerd begon hij vanaf maart 1771 met de aanleg van kaneeltuinen, waarin de oorspronkelijk in het wild groeiende kaneelbomen werden aangeplant. Dit om minder afhankelijk te worden van Kandy en om de bomen beter te kunnen beschermen. Een andere ingrijpende vernieuwing was het doorbreken van het kastenstelsel bij het kaneelschillen. Niet langer mocht alleen de chalia kaste dit doen, als herendienst, maar iedereen, om de kaneel (alleen) aan de VOC te verkopen voor een vaste prijs. Dit kostte de VOC meer geld, maar maakte haar minder afhankelijk van de lastige chalia's en maakte de kaneelverbouw aantrekkelijk voor iedereen, zodat er meer geleverd werd. Ook stimuleerde Falck de rijstverbouw, om Ceylon minder afhankelijk te maken van import.