De Nije Schipvaart of het Nijediep, ook wel Spanjaardsdiep, Spaansche Diep of Spanier Tief genoemd (Nedersaksisch: Spoanse Daip, Spanske Deip of Spanger Deip), was een onvoltooide scheepvaartverbinding tussen Groningen en Westfalen, begonnen aan het einde van de 15e eeuw en uitgebouwd in de jaren 1585 tot 1593. Het project is nooit voltooid, maar de plannen kwamen tot in de 19e eeuw geregeld weer ter tafel. Een deel van het kanaal tussen Scheemda en Winschoten vormde de bedding voor het latere Winschoterdiep.
Het diep volgde het tracé van een oude handelsweg van Groningen naar Westfalen.
Spanjaardsdiep is ook een andere benaming voor de Nieuwe Maas bij Krimpen aan de Lek.
De Oude Gracht van 1483 In september 1483 sloot het stadsbestuur van Groningen een verdrag met Heinrich von Schwarzburg, prinsbisschop van Münster. Vijf jaar daarvoor had de bisschop, die in geldnood verkeerde, het bewind over Westerwolde overgedaan aan de stad Groningen voor de termijn van 20 jaar. In het verdrag werd afgesproken samen een scheepvaartkanaal te graven van de rivier Eems bij Heede via Westerwolde en Duurswold naar de stad Groningen.Hansisches Urkundenbuch, dl. 10 (1907), nr. 1102.Groninger Archieven, 2100, inv.nr. 238. Gedeeltelijk afgedrukt in: Acker Stratingh, ‘Het geschil’, p. 133-134 (bijlage 8). Dit om het handelsverkeer van met name boter en graan te bevorderen. Men dacht op deze manier de tolheffing en het stapelrecht van de stad Emden te kunnen omzeilen. De kooplieden uit Westfalen die gebruik wilden maken van het kanaal moesten hun goederen verplicht in Groningen op de markt brengen. Omgekeerd beloofden de Groningers geen weggelopen lijfeigenen uit Westfalen op te nemen. De bodem van het kanaal moest minstens 6 meter breed zijn en de diepte zou zodanig moeten zijn dat het water van de Eems zijn beloop door het kanaal zou kunnen krijgen. Waar nodig zouden bruggen en schutsluizen worden aangelegd. Passanten dienden sluis- of weggeld te betalen. De kosten van het project werden voorgeschoten door de stad Groningen.
Het kanaal sloot aan bij de oude handelsweg van Groningen naar Westfalen, waarover de stad Groningen in 1443 afspraken maakte met de bisschop van Münster en met Egge Addinga, de heer van Westerwolde.Groninger Archieven, 2100, inv.nr. 712.2 (1567).Groninger Archieven, 547, nr. 604, reg. 22: Akte van verbond tussen de stad Groningen en Egge, hoofdeling te Westerwolde, 1443 (andere versies: inv.nr. 80 en 166). Er was sprake van enen vrijen wech of heerstraat door Westerwolderingerlant, die ervoor moest zorgen dat de gewone koopman zonder problemen met wagens heen en weer kon rijden. In 1457 werden nieuwe afspraken met de bisschop en de stad Münster gemaakt om de weg te verbeteren, maar of die daadwerkelijk zijn gerealiseerd is onzeker.Hansisches Urkundenbuch, dl. 8 (1899), nr. 636.Wiebe Jannes Formsma, ‘De schouw van de Hoofdmannenkamer over de heerwegen’, in: dez., Geschiedenis tussen Eems en Lauwers, Assen 1988, p. 23-35.Van de Broek, 'Groningen en de voorbijvaart', p. 411, meent dat het bij plannenmakerij is gebleven. De landroute liep via de hoge stadsweg door Duurswold, vervolgens via Slochteren over het hoogveen naar Zuidbroek, daarna via Meeden en Winschoten, langs de Pekelborg en over de Pekelbrugge naar Vlagtwedde, om ten slotte via de smalle dekzandrug van Bourtange en Kaltentange (Neurhede) in Heede uit te komen. Hier sloot de route aan bij de Friese handelsweg, die vanuit Emden over de hoger gelegen westelijke Eemsoever naar het zuiden liep.
De nieuwe scheepvaartroute volgde min of meer dezelfde route, maar met enkele omwegen. Hij volgde het Damsterdiep naar Lustigemaar, Woltersumermaar en Slochter Ae, waar via de Slochtersloot (vermoedelijk de Edsersloot) een doorsteek naar de Sijpe bij Stootshorn werd gemaakt. Daar ging het verdere tracé vermoedelijk via de Sijpe naar de Dollard bij Woldendorp, om vandaar via de buitendijkse stroomgeul van de Reider Aa en de Westerwoldse Aa in de Ruiten Aa bij Vlagtwedde uit te komen. Hier werd het zijstroompje de Weite gekanaliseerd (de Oude Gracht), terwijl vervolgens een nieuw kanaal over het hoogveen naar Heede werd gegraven. Hier mondde het kanaal in de Eems bij de hoeve Diekhaus in het gehucht Hunfelde.Eibergen, ‘Eemsgebied’, p. 43-46, meent dat er sprake was van twee verbindingen, één binnendoor via Slochteren, de andere buitenom via de Eems.
De Groningers waren niet alleen verantwoordelijk voor de route binnendoor, maar ook voor de dijken, vaargeulen en hoofden tussen Reide en de Westerwolde. Ze hielden daarbij wel een slag om de arm in verband met het dichtslibben van de vaargeulen. Het bisdom Münster nam de kosten voor de rest van het kanaal voor zijn rekening, maar Groningen moest het geld daarvoor voorschieten. Dat gebeurde onder andere door levering van kaas en boter aan de mannen die het werk verzetten. De gekanaliseerde beek staat nu bekend als Oude Gracht, maar de restanten van het kanaal werden in de 19e eeuw ook wel betiteld als Spanjaardsdiep, Spaansche Diep of Spanier Tief (bij Neurhede). De werkzaamheden waren in elk geval in 1486 bezig.Theodor Penners, 'Das Kreisgebiet im Spiegel alter Landkarten', in: in: Hans Engeln et al., Heimatchronik des Kreises Aschendorf-Hümmling, Keulen 1968, p. 177-192., hier 180.
Waarom de aanleg uiteindelijk niet is gelukt, is onduidelijk. Groningen moest in 1498 het bewind over Westerwolde aan de bisschop teruggeven. In 1502 werden de laatste rekeningen vereffend. De Groningse kroniekschrijver Sicke Benninge meldt dat het plan om de nie Eemse toe graven jammerlijk is mislukt, waardoor het project een verloeren kost bleef.Sicke Benninge, Croniken der Vrescher Landen mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen, Den Haag 2012, dl. 1, p. 123.. In de 17e eeuw werd beweerd dat men de plannen had afgeblazen vanwege vrese van onheyl dat daer uyt konde doorstromen, namelijk wanneer het water van de Eems zich met kracht door het kanaal zou persen.Bernard Alting, Pilaren ende peerlen van Groningen, Groningen 1648, p. 19. Een sage beweert zelfs dat het kanaal werd gegraven om de Spanjaarden die Nederland bezet hielden te laten verdrinken; uit angst voor de gevolgen zou men ermee zijn gestopt.‘Uit het Westerwoldsche, VII’, Winschoter Courant, 29 juni 1892 De landmeter en ingenieur Cornelius Adgerus meende daarentegen in 1587 dat er sprake was geweest van onkunde oftewel mijsverstant en voegde daar de waarschuwing aan toe: bezint eer gij begint.
De landweg langs Slochteren werd in de jaren 1499 tot 1514 nieuw leven ingeblazen door graaf Edzard I van Oost-Friesland, die er veel aan gelegen was een goede verbinding met het door hem veroverde Groningerland te krijgen. In 1505 bouwde hij kerk en kerktoren uit tot vesting, nadat de bouw van een blokhuis naast het steenhuis aldaar vanwege de natte veengrond was mislukt. De Viertorenkerk van Midwolda werd in 1514 versterkt en ingericht als haven voor het scheepvaartverkeer naar Emden.
De landweg naar Westfalen werd vermoedelijk in 1522 verbeterd, toen de stad Groningen en de bisschop van Münster nieuwe plannen maakten voor een handelsweg over het Pekelder hoogveen, voorzien van brede sloten en kades tegen het water (eyne gemeyne frye heerstrate over dat Peckelmoer myt dyken, wallen und grefften).Groninger Archieven, 2100, inv.nr. 435: Aantekeningen ten behoeve van het opmaken van een akte van overeenkomst tussen bisschop Erick van Münster enerzijds en burgemeesters en raad van Groningen anderzijds inzake de aanleg van een weg door het Pekelmoer, 11 september1522. Dit was Die Olde Heerwech (Oude Turfweg), die bij de Pekelbrugge over de Pekel A ging. Na een volgende bedijking werd omstreeks 1544 de nieuwe Heerwech via Winschoterhogebrug in gebruik genomen.Groninger Archieven, 1236, inv.nr. 1887: Kaart van de landen van Blijham, Bellingwolde en Vriescheloo, het gebied ten zuidwesten van de Dollard tussen Heiligerlee, Wedde en Den Ham (1590, kopie 18e eeuw).
De Nije Schipvaart (1585-1593) Oldambt De eerste plannen voor een nieuw kanaal vanuit de stad via Bellingwolde naar Rhede (Ems) dateren uit 1568.P.J. van Winter, Westerwolde generaliteitsland, 1948, p. 62-63.. Juli 1580 kwam het Groningse stadsbestuur met het voorstel om ein bequame schipvaerdt van Slochteren naar de Dollard bij Zuidbroek te laten graven.Van den Broek, 'Graven bij Stootshorn', p. 103. Dit om het handelsverkeer te beschermen, dat ernstig te lijden had onder de overvallen van Staatsgezinde kaperschepen aan de kust. Bovendien konden de Oldambtsters er op deze manier toe gebracht worden hun goederen (vooral zuivelproducten, graan en turf) in Groningen op de markt te brengen. Men wilde zoveel mogelijk gebruik maken van de bestaande watergangen. Het kanaal moest ruim genoeg zijn om slootschepen met een laadvermogen van een halve last (ca. 1000 kg) door te laten. Wanneer alle inwoners van de nabijgelegen dorpen zouden helpen, zou het kanaal in één dag klaar zijn, meende men. Het jaar daarop wilde het stadsbestuur ook de wegen verbeteren.
De situatie werd nijpend toen Staatse troepen in 1583 Oterdum veroverden en van daaruit de scheepvaart op de Eems vrijwel onmogelijk maakten. Juli 1584 maakte het Groningse stadsbestuur daarom opnieuw plannen voor de aanleg van een nieuw diep naar het Oldambt.W.J. Formsma en R. van Roijen (ed.), Diarium van Egbert Alting, 1553-1594, Den Haag 1964, p. 608 en t.a.p. In september volgde een verdrag met de Ommelanden om een nije wateringhe und scipvaert van Slochteren na Broeck, Hilligerlee, Winschote to graven.J. A. Feith en H. Brugmans (ed.), De kroniek van Abel Eppens tho Equart, Amsterdam 1911, dl. 1, p. 622. Het bericht is niet bekend uit andere bronnen. Bovendien vroeg men toestemming aan de landvoogd, de hertog van Parma, om het kanaal door Westerwolde en via Bourtange door te mogen trekken naar de Eems.Groninger Archieven, 2100, inv.nr. 1462.326 (= Register Feith 1584.75-77). De sluizen die toegang gaven tot de Dollard werden met kettingen afgesloten en de Oldambtsters kregen dwangbevelen om gedurende veertien dagen arbeiders voor het werk te leveren. Het benodigde hout werd uit het holt offte buskasie van dorpsheer Rengers gehaald. Juli 1585 nam stadhouder Francisco Verdugo het tracé van de nije schypfarth in ogenschouw, waarna de graafwerkzaamheden begonnen. Het kanaal was aanvankelijk 6,60 m breed, maar het lukte niet goed de vaargeul op diepte te houden. In 1592 volgde daarom verdere verbreding tot 9 m, terwijl de bodem zes steek dieper werd tot in het zand uitgegraven.Diarium van Egbert Alting, p. 849. De uitvoering van het project lag in handen van de Friese landmeter en oud-bestuurder Adriaen van Cronenburg (ook bekend als kunstschilder), die tevens als hoofdaannemer fungeerde.