De geschiedenis van Westkapelle beslaat de geschiedenis van de huidige plaats Westkapelle, in de gemeente Veere op het voormalig eiland Walcheren in de Nederlandse provincie Zeeland.

De hier beschreven geschiedenis beslaat de gehele periode dat de plaats waar nu Westkapelle ligt, bewoond is geweest; van de Romeinse tijd tot de tegenwoordige tijd.

Romeinse tijd thumb|150px|left|Altaarsteen gewijd aan Hercules Magusanus, gevonden te Westkapelle, 1514. In 1514 is er aan het strand van Westkapelle een altaarsteen gevonden, gewijd aan de Romeins-Bataafse god Hercules Magusanus. Of deze afkomstig was uit een tempel die ooit in het gebied rond Westkapelle heeft gestaan, of uit een Romeinse vloot die hier in de buurt gelegen heeft is niet duidelijk. Wel duidt de vondst van deze steen, samen met de vondsten van een tempel gewijd aan Nehalennia op het strand van Domburg in 1647 op nadrukkelijke Romeinse aanwezigheid in dit deel van Zeeland.

De altaarsteen zelf werd bij zijn vondst in 1514, door admiraal Filips van Bourgondië-Blaton in veiligheid gesteld, en werd in een kolom van de plaatselijke Sint-Willibrorduskerk gemetseld. Na het afbranden van deze kerk in 1831,Vuurtoren, Stichting Cultuurbehoud Westkapelle. Gearchiveerd op 26 maart 2023. werd de steen in 1834 door de toenmalige ambachtsheer Hendrik Jacob van Doorn van Westcapelle overgedragen aan het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Tegenwoordig is de altaarsteen ondergebracht in de collectie van het Zeeuws Museum.

Vikingen Westkapelle is mogelijk gesticht in de tijd van de Vikingen.Opkomst en bloei in de Middeleeuwen; Stichting Cultuurbehoud Westkapelle, 31 augustus 2017. Gearchiveerd op 5 juni 2023. Aan de zuidkant van Westkapelle bevond zich in deze tijd een kreek die een ideale landingsplaats voor schepen zou zijn geweest. Het is aangetoond dat deze kreek bestaan heeft. Het is ook bekend dat er 'Noormannen' op Walcheren waren in deze tijd. Zo werd Walcheren voor 837 al geregeerd door een Deense graaf, Hemming Halfdansson. Deze werd gedood in een aanval van andere Noormannen in 837.Noormannen in de Lage Landen:Extracts van de Annales Bertiniani, 837 Archiveerd op 2011-06-14 De vikingleiders die deze aanval uitvoerden, Harald de Jongere en Rorik van Dorestad, kregen in 841 Walcheren in leen van Rooms Keizer Lotharius I.Noormannen in de Lage Landen:Extracts van de Annales Bertiniani, 841 Archiveerd op 2011-06-14 Harald bleef hierop tot zeker 855 in Walcheren en maakte het zijn uitvalbasis voor plunderingen verder in het binnenland. Een andere mogelijkheid is dat 9e-eeuwse Nooren naar Walcheren gevlucht zijn, na de Slag om Hafrsfjord in 872.

Concreet bewijs voor een vikingnederzetting op de plaats waar nu Westkapelle is, is er niet. Wellicht hadden Vikingen zich gevestigd in de al bestaande plaats Walacria of Walichrum, een verdronken stad iets ten noorden van Domburg. Desondanks worden de verbanden tussen Vikingen en Westkapelle regelmatig gelegd..

Willibrordus thumb|200px|Willibrord verkondigt het geloof op Walcheren, 695, Johann Wilhelm Kaiser, 1840 Westkapelle is het oudste bedevaartsoord van Walcheren, omdat hier volgens de overlevering Willibrordus geland is en begonnen met zijn verkondiging van het Christendom op het Europese vasteland.Willebrordlegende; Stichting Cultuurbehoud Westkapelle, 20 september 2017. Gearchiveerd op 26 maart 2023. Of Willibrord ook echt in Westkapelle of zelfs al op Walcheren is geweest is echter onderwerp van discussie. De oudste bron voor handen; Alcuin zijn Vita Sancti Willibrordi (ca. 786) noemt duidelijk de plaats Walichrum waar Willibord in 695 een heiligdom van een ter plaatse oudere religie kapotsloeg. Hierop werd hij aangevallen door een bewaker van dit heiligdom, maar op miraculeuze wijze bleef Willibrord ongedeerd. Volgens een latere abt; Thiofrid (Ca. 1104), raakte Willibrord in dit verhaal echter wel gewond. Een met Willibrords bloed besmeurd deel van het stukgeslagen heiligdom zou in de voormalige Willibrordkerk van Westkapelle zijn terechtgekomen, waar het in de voet van het altaar verwerkt werd. Een veel later werk, Mattheus Smallegange´s Nieuwe Cronyk van Zeeland (1696) plaatst dit verhaal zelfs helemaal in Westkapelle en wijst Westkapelle ook aan als eerste landingsplaats van Willibrord in de Nederlanden. Hij geeft hiervoor Beda's Historia ecclesiastica gentis Anglorum en Melis Stoke's Hollandse Rijmkroniek als bronnen. Deze bronnen zouden later echter in twijfel worden getrokken. Tot aan de hervorming was Westkapelle wel het centrum van de Willibrordverering op Walcheren. Relieken van Willibrord (stukjes bot), geschonken door de Abdij van Echternach, werden vanaf de 11e eeuw naast de bebloede altaarsteen vereerd.

Opkomst en Welvaart Aanvankelijk werd gedacht dat de eerste kerk van Westkapelle gesticht is vanuit een moederkerk uit het in zee verdronken Walacria, samen met een kerk in Oostkapelle. Tegenwoordig wordt echter aangenomen dat deze twee kerken tussen de jaren 1000 en 1050 gesticht werden door de Sint-Maartensparochie te Middelburg. Het eerste concrete bewijs van de Westkappelse Willibrordkerk (en ook van Westkapelle zelf) komt van Thiofrids Vita Sancti Willibrordi waarin vermeld wordt dat Walchenaren samenkomen in de basilica que Westcapelle appellatur voor een slag met de Vlaamse graaf Robrecht de Fries. Dit moet tussen 1071 en 1093 geweest zijn. Hoogstwaarschijnlijk hing dit samen met de Willibrordverering die in deze kerk. Een in 1945 gevonden 11e-eeuwse aardewerken pot bevestigt bewoning in het gebied waar nu Westkapelle is. In 1162 wordt de kerk van Westkapelle nog genoemd in een pauselijke oorkonde voor de premonstratenzer Abdij van Middelburg. Later, gedurende de 13e eeuw, werd de Westkappelse Willibrordkerk de moederkerk van de kerken van West-Domburg, Hugenkerke(Meliskerke), Sint Jacobskerke(Werendijke), Sint Janskerke, Sint Nicolaaskerke(Boudewijnskerke) en Zoutelande.

In 1168 wordt Westkapelle al genoemd als een geringe plaats. Waarna het in mei 1223 blijkbaar zo in aanzien gegroeid moet zijn dat graaf Floris IV van Holland en burggraaf van Zeeland Dirk II van Voorne, het dezelfde stadsrechten gaf als die Middelburg al in 1217 had gekregen. De late 13e eeuw moeten gouden tijden voor Westkapelle zijn geweest. In 1276 werden de stadsrechten door graaf Floris V namelijk uitgebreid met een handelsprivilege voor kooplieden uit de IJsselsteden. En in hetzelfde jaar, 1276, mocht Westkapelle zelfs meevergaderen met Middelburg, Zierikzee, Dordrecht en Haarlem in wat later een 'dagvaart' werd genoemd, overleg tussen de belangrijkste steden van Holland en Zeeland en de Grafelijke raad. Wel zou dit slechts bij een keer blijven. De stad leefde hoofdzakelijk van de visvangst (haring) en was een belangrijke koopstad die begin 13e eeuw al handelde op Frankrijk, Engeland en Schotland. Zo zette het zich neer als voorpost voor het achterland. In de 13e/14e eeuw zouden kooplieden uit Antwerpen in Westkapelle gevestigd zijn, en komen tussen 1280 en 1300 Westkappelse schippers voor in Engelse havenrekeningen.

Op 4 juli 1253 vond op het strand de Slag bij Westkapelle plaats tussen de graafschappen van Holland en Vlaanderen in hun strijd om Zeeland Bewestenschelde. Het Hollandse leger verschool zich samen met een aangesloten groep Westkappelaars in de duinen. Toen het Vlaamse leger aan het ontschepen was vielen ze de nietsvermoedende vijand, onder de wapenkreet "Sint Willibrord", aan. De totaal verraste Vlamingen waren door de ontstane verwarring simpel te verslaan. Als dank aan de heilige Willibrord, werd er op 4 juli een jaarlijkse processie door Walcheren in het leven geroepen, wat waarschijnlijk een voorloper van de jaarlijkse kermis was.

In 1327 en 1355 werden de stadsrechten van 1223 bevestigd door respectievelijk graaf Willem III van Holland en graaf Willem V van Holland. En in 1340 zelfs uitgebreid met het recht voor de Poorters om hun goederen tolvrij door Holland en Zeeland te varen.Van handelsstad naar dijkwerkersdorp; 1350-1650; Stichting Cultuurbehoud Westkapelle, 31 augustus 2017. Gearchiveerd op 5 juni 2023. In 1361 schonk graaf Albrecht van Beieren een vrije jaarmarkt aan de stad Westkapelle, wat met de processie van 4 juli samen zou smelten tot de traditie die tegenwoordig de jaarlijkse kermis is.Kermis; Stichting Cultuurbehoud Westkapelle, 13 juni 2014. Gearchiveerd op 5 juni 2023.

Verval en start dijkwerkzaamheden thumb|Westkapelle, Jacob van Deventer, 1558. Duidelijk aangegeven zijn de inlaagdijk die de Oude Markt doorsnijdt en de nieuwe kerk aan de oostkant van de stad. thumb|De Sint-Willibrorduskerk in 1743, van de in 1580 afgebroken koren staan de muren nog steeds overeind. Na een hoogtepunt van welvaart begin 14e eeuw, begon de ligging aan de zee langzaam maar zeker zijn tol te eisen. Na eerdere stormvloeden in 1334 en 1362 was in 1370 de landingsplaats al zo gevaarlijk om aan te doen, dat er een vuurbaken moest worden opgericht. Na nieuwe stormvloeden in 1374 en 1375 overspoelde het eiland Schoneveld en was de beschutte landingsplek helemaal verwenen. In 1398 zou het vuurbaken al zijn ingestort, en nog vele malen moeten worden heropgebouwd. Toen vervolgens in 1404 de eerst Sint-Elisabethsvloed de duinen teisterde, richtte deze zo een geweldige schade aan dat er enkele regeringsleden uit Middelburg kwamen om de schade op te nemen. Binnen 20 jaar werden de pas aangebrachte versterkingen echter alweer teniet gedaan door de tweede en de derde Sint-Elisabethsvloed. Van de duinen was weinig overgebleven, en de bestuurders van Westkapelle drongen herhaaldelijk aan op herstelmiddelen voor "een cleen dijckxken", waarna in 1432 wederom afgevaardigden uit Middelburg kwamen om de schade op te nemen. In deze periode is men begonnen met de aanleg van de Westkapelse Zeedijk. Omstreeks 1460 is ook begonnen met de aanleg van paalhoofden.

Halverwege de 15e eeuw was Westkapelle haar handel grotendeels kwijtgeraakt aan beter tegen de zee beschutte steden zoals Vlissingen en Veere. Toen in 1444 Vlissingen van graaf Filips de Goede het voorrecht kreeg op alle haringhandel tussen Westkapelle en Welzinge, betekende dit het doodsvonnis voor de haringhandel in Westkapelle. Mede door de sterk afgenomen welvaart werd in 1453 de stad (samen met Vlissingen en Domburg) door graaf Filips de Goede verkocht aan Hendrik van Borssele, heer van Veere. Dit betekende het einde van Westkapelle als grafelijke stad en het begin van de hoge heerlijkheid Westkapelle. Door het verliezen van de status als grafelijke stad (alsmede de algemene achteruitgang van de stad), zou Westkapelle ook geen zitting krijgen in de Staten van Zeeland, reden waarom het een smalstad zou worden genoemd. Desondanks werden in 1477 de stedelijke rechten vernieuwd en bevestigd door gravin Maria van Bourgondië, daar de oude brieven door "die soute lucht van der zee (...) al gheheel vergaen was". Aan het eind van de toch al desastreuze 15e eeuw, werd Westkapelle tot overmaat van ramp in 1491 geplunderd en verbrand door troepen uit Sluis in hun opstand tegen de aartshertog. Ondanks de achteruitgang in welvaart, was de handel met Vlissingen in 1507 nog zo groot, dat er een handelsovereenkomst werd opgesteld door de Vrouwe van Westkapelle Anna van Borselen en de Heer van Vlissingen, Adolf van Bourgondië.

Nadat al in 1432 was vastgesteld dat de Willibrordkerk naar een andere plaats moest verhuizen, werden op 4 september 1458 op last van de "heeren, dien 't land van Walcheren bevolen is", de kerk en enkele omliggende huizen afgebroken. Dit aangezien de zee nagenoeg aan de kerkpoorten stond. Aan de oostkant van Westkapelle, eigenlijk zelfs erbuiten, zo ver mogelijk van de zee, werden vervolgens in 1458 de eerste stenen gelegd voor de in 1470 voltooide Sint-Willibrorduskerk.