Numeri 31 is het 31e hoofdstuk van het bijbelboek Numeri, in de Hebreeuwse Bijbel. Wetenschappers zoals Israel Knohl en Dennis T. Olson noemen dit hoofdstuk de Oorlog tegen de Midjanieten.
In Numeri 31 staat een verhaal dat zich afspeelt in de regio's Moab en Midjan in zuidelijk Transjordanië en vertelt hoe Israëlitische soldaten onder bevel van Pinechas (in opdracht van Mozes en Pinechas' vader Eleazar) een oorlog voerden tegen de Midjanieten. Hierbij doodden ze alle mannen inclusief hun vijf koningen, namen al het vee mee en voerden alle vrouwen en kinderen als gevangenen af. Mozes instrueerde de soldaten vervolgens om alle jongens te doden en ook alle vrouwen die eerder gemeenschap met een man hadden gehad te doden, maar de vrouwen en meisjes die nog maagd waren voor zichzelf te houden. De oorlogsbuit werd daarna verdeeld tussen de Israëlitische burgers, soldaten en God (JHWH).
Er bestaan veel controverses omtrent het auteurschap, de betekenis en de ethiek van dit hoofdstuk van Numeri. Het is nauw verbonden met Numeri 25.
Auteurschap
De meerderheid van moderne Bijbelwetenschappers vermoedt dat de Thora (de boeken Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, geschreven in Klassiek Hebreeuws) zijn huidige vorm bereikte in de periode na de Babylonische ballingschap ten tijde van de Tweede Tempel (na circa 520 v.Chr.), gebaseerd op reeds bestaande schriftelijke en mondelingen overleveringen, gecombineerd met de geografische en politieke realiteiten van de Tweede Tempel-periode.Finkelstein, I., Silberman, NA., The Bible Unearthed: Archaeology's New Vision of Ancient Israel and the Origin of Its Sacred Texts, p. 68–69. Numeri is een Priesterlijke redactie (dat wil zeggen, bewerking) van een niet-Priesterlijk origineel.
Onderzoekers hebben algemeen erkend dat vermeldingen van de Midjanieten in de hoofdstukken Numeri 22–24 secundaire Priesterlijke (P) toevoegingen zijn. Ze zijn het ook algemeen eens dat Numeri 25:1–5 een eerdere versie van het verhaal bevat, dat over de vrouwen van Moab gaat en waarvoor de Israëlitische familiehoofden door de rechters werden gestraft. Deze eerdere versie werd later aangedikt met het relaas in Numeri 25:6–18 met de Midjanitische vrouwen en het priesterschap van Pinechas als haar nieuwe focus, waarbij wellicht elementen uit Psalm 106:28–31 werden gebruikt om mee te werken. Deze toevoegingen en de vermelding van een Midjaniet in hoofdstuk 25 in een verhaal over de Moabieten, zou een poging van een latere redacteur kunnen zijn geweest om een verband te leggen tussen Moab en Midjan. Martin Noth betoogde dat de auteur van hoofdstuk 31 waarschijnlijk bekend was met de gecombineerde niet-P/P(H)-tekst (met de Moabitische–Midjanitische connectie) in hoofdstuk 25 en waarschijnlijk kennis had van de gehele samengestelde Pentateuch; derhalve is Numeri 31 waarschijnlijk geheel of gedeeltelijk geschreven door een auteur die later actief was dan de reguliere P. Israel Knohl (1995) beargumenteerde dat Numeri 31 in feite onderdeel was van de Heiligheidscodex (H), die later aan de Priestercodex is toegevoegd. Hij wees op inhoudelijke overeenkomsten, zoals de focus op reiniging in Numeri 5:1–4, hoofdstuk 19 en 31:19–24, en daarnaast taalgebruik in Numeri 10:9, 27:17, 31:6,19 en Exodus 40:15; al deze verzen waren eerder al door andere wetenschappers geïdentificeerd met de Heiligheidsschool (Holiness School, HS). Sommige taalkundige en theologische elementen onderscheiden Numeri 31 ook van de Priesterlijke Thora-tekst (PT), zoals de toorn van God, die meerdere keren wordt genoemd door de HS maar nooit door de PT. Sommige wetenschappers menen dat de toegevoegde tekst is geschreven in een tijd dat de priesterlijke lijn van de afstammelingen van Pinechas werd betwist.
Achtergrond
Israëlitisch–Moabitische verbroedering bij Peor (Numeri 25:1–5) Het boek Numeri traceert de oorsprong van dit Israëlitisch–Midjanitische conflict naar de hoofdstukken 22 tot en met 25. De Israëlieten, die vanuit Egypte reisden en een kamp hadden opgeslagen op de oostelijke Jordaanoever tegenover Jericho, verkeerden op de rand van oorlog met de Moabieten (niet Midjanieten). De Moabitische koning Balak huurde de waarzegger Bileam (of Balaam) in om de Israëlitische soldaten te vervloeken vanaf de top van de berg Peor, maar de Israëlitische god JHWH dwong hem om in plaats daarvan de Israëlieten (in hun kamp te Sittim) juist te zegenen, wat hij deed (Numeri 22–24). Vervolgens wordt verteld dat Israëlitische mannen zich gingen verbroederen met Moabitische vrouwen door seks met hen te hebben en hun goden (waaronder Baäl) te vereren (Numeri 25:1–3). Dit maakte JHWH boos en hij instrueerde Mozes om alle Israëlitische mannen die dit gedaan hadden af te slachten; Mozes gaf deze instructies door aan de rechters van Israël (Numeri 25:3–5). Er wordt niet verteld of deze instructies ook werden uitgevoerd.
Plaag binnen het Israëlitische kamp (Numeri 25:6–18) In vers 6 verschuift het verhaal plotseling wanneer de Israëlitische man Zimri de Midjanitische vrouw Kozbi (dochter van de Midjanitische koning Zur) het Israëlitische kamp in brengt, waarna er wordt verteld dat de Israëlieten werden getroffen door een plaag die 24.000 levens eiste. Pinechas doodde Zimri en Kozbi, waardoor de plaag eindigde. JHWH beweerde dat Kozbi deze plaag over de Israëlieten had afgeroepen en zei tegen Mozes: "Behandel de Midjanieten als jullie vijanden en dood hen" (Numeri 25:16–17 NBV21).
Tussenspel (Numeri 26–30) De volgende vier hoofdstukken zeggen niets over het incident bij Peor, behalve dat de plaag voorbij was (Numeri 26:1). JHWH instrueerde Mozes en zijn priester Eleazar om een volkstelling te houden onder de Israëlieten (Numeri 26), regelde een erfenisgeschil en de toekomstige opvolging van Mozes door Jozua (Numeri 27), instrueerde de Israëlieten hoe ze bepaalde offers moesten brengen en festivals moesten houden (Numeri 28–29) en regelde eden/geloften tussen mannen en vrouwen en tussen vaders en dochters (Numeri 30).
Narratief
Voorbereidingen (verzen 1–6) In Numeri 31:1-2 herinnerde JHWH Mozes eraan om wraak te nemen op de Midjanieten zoals hij had bevolen in Numeri 25:16–18; dit zou voor Mozes als de laatste daad voor zijn dood gelden. Dus instrueerde Mozes duizend mannen van elk van de twaalf stammen van Israël – 12.000 in totaal, onder leiding van Pinechas – om Midjan aan te vallen.
Oorlog (7–13) Er wordt verteld dat de Israëlitische soldaten alle Midjanitische mannen hebben gedood, inclusief de vijf koningen, en ook de waarzegger Bileam. Volgens vers 49 leden de Israëlieten zelf nul verliezen. Alle Midjanitische steden en kampen werden platgebrand; alle Midjanitische vrouwen, kinderen en al het vee werden gedeporteerd als gevangenen naar het "kamp in de vlakte van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho", waar Mozes en Eleazar hen ontvingen.
Doding van gevangen jongens en niet-maagdelijke vrouwen/meisjes (14–18) Mozes was woedend dat de soldaten alle vrouwen in leven hadden gelaten en zei: "Juist zij waren het die de Israëlieten, op aanraden van Bileam, destijds bij de Peor verleid hebben tot ontrouw aan [JHWH], en dat veroorzaakte de plaag die de gemeenschap van [JHWH] getroffen heeft. Dood daarom alle kinderen van het mannelijk geslacht en alle vrouwen die met een man hebben geslapen, maar laat meisjes die nog nooit met een man hebben geslapen in leven."
Rituele reiniging (19–24) Vervolgens instrueerden Mozes en Eleazar de soldaten om zichzelf, de gevangenen en alle voorwerpen die ze hadden ritueel te reinigen gedurende een periode van zeven dagen. Voorwerpen die genoemd worden zijn de kleren, alle voorwerpen van leer, geitenhaar en hout en alle (edel)metalen voorwerpen, waarbij wordt gespecificeerd dat alle vuurbestendige voorwerpen met zowel vuur als water dienden te worden gereinigd en de rest alleen met water.
Verdeling van de oorlogsbuit (25–54) De buit van de Midjanitische veldtocht was "675.000 schapen (en geiten), 72.000 runderen, 61.000 ezels en 32.000 vrouwen die nog nooit met een man hadden geslapen." JHWH instrueerde Mozes en Eleazar om deze oorlogsbuit te verdelen volgens de verdeelsleutel 1:1 tussen de Israëlitische soldaten aan de ene kant en de Israëlitische burgers aan de andere kant. JHWH eiste een aandeel van 0,2% van de soldatenhelft van de buit voor zichzelf; deze afdracht zouden aan hem worden gegeven via de Levieten, die verantwoordelijk waren voor de zorg van JHWH's tabernakel. Een deel van de Midjanitische gouden sieraden die tijdens de oorlog waren geplunderd (totale gewicht: 16.750 sjekel, ongeveer 190 kilogram) werden ook geofferd aan JHWH als geschenk om "bij [JHWH] verzoening voor onszelf te bewerken".
Interpretatie Historiciteit en theologie
De wetenschappelijke consensus is dat deze oorlog niet heeft plaatsgevonden, zeker niet zoals deze verteld wordt in Numeri 31. Binnen de bredere context van de uittocht uit Egypte (de Exodus) is er waarschijnlijk nooit een invasie van Kanaän (het "Beloofde Land") geweest door alle Israëlieten die aan slavernij in Egypte zouden zijn ontsnapt. Wetenschappers zoals Mark S. Smith beweren dat de Israëlitische cultuur is voortgekomen uit de bredere Kanaänitische cultuur die eromheen bestond en waarmee zij sterke taalkundige, religieuze en andere culturele banden mee had. Er heeft geen politieke vereniging van verscheidene Semitische Kanaänitische stammen tot een Israëlitische staat plaatsgevonden tot na 1100 BCE. Hoewel sommige egyptologen zoals Donald B. Redford (1997), Na'aman (2011) en Manfred Bietak (2015) hebben betoogd dat enkele Kanaänieten (die door Bietak "Proto-Israëlieten" worden genoemd) wellicht naar Egypte zijn gedeporteerd tijdens de bezetting en overheersing van Kanaän door de 19e dynastie van Egypte onder farao Ramses II (r. 1279–1213 BCE), zeggen ze dat er geen aanwijzing is dat dit alle zogenaamde "Proto-Israëlieten" betrof; de meesten van hen zullen waarschijnlijk de Egyptische heerschappij in Kanaän zelf hebben meegemaakt in de late 13e eeuw BCE. Na'aman betoogde dat het bestaande narratief in het collectieve Hebreeuwse geheugen over de Egyptische heerschappij "opnieuw werd gemodelleerd volgens de realiteiten van de late 8e en 7e eeuw in Kanaän, waar de ervaringen van de Assyrische onderdrukking en deportaties bij werden geïntegreerd." De moderne wetenschappelijke consensus is dat de Bijbelse persoon Mozes een grotendeels mythische figuur is, hoewel men de mogelijkheid open houdt dat "er een Mozes-achtig figuur zou kunnen hebben bestaan ergens in zuidelijk Transjordanië in het midden tot het einde van de 13e eeuw v.Chr." en dat de archeologie geen van beide kan bevestigen.
Het specifieke narratief van Numeri 31 is een van de vele verhalen in de Hebreeuwse Bijbel die ertoe dient om de Israëlieten voor te stellen als het uitverkoren volk van de god JHWH, die hen zegende met overwinningen in de strijd, gezondheid en welvaart, zolang zij maar trouw bleven aan zijn geboden en bevelen. Onder deze tweede generatie Israëlieten viel er geen enkel slachtoffer in de hoofdstukken Numeri 26–36, terwijl de eerste generatie vele doden te lijden had in de woestenij (hoofdstukken 13–14, 25). De beweringen dat 12.000 Israëlitische soldaten de gehele Midjanitische bevolking zouden hebben uitgeroeid / gevangen genomen en al hun steden zouden hebben verwoest zonder dat er ook maar één Israëlitische soldaat zou zijn gesneuveld worden voor historisch onmogelijk gehouden en men meent dat dergelijke beweringen als symbolisch moeten worden opgevat. Bovendien verwijzen zelfs andere bijbelboeken die in een latere tijd zijn gesitueerd naar de Midjanieten als een zelfstandig volk, zoals Rechters hoofdstukken 6–8, waarin Gideon tegen ze vecht. Hoogstwaarschijnlijk wilde(n) de auteur(s) een theologische boodschap overbrengen over wie JHWH, Mozes, Eleazar en Pinechas waren en hoe machtig de Israëlieten zouden zijn als JHWH aan hun zijde zou staan.