Charles André Joseph Marie de Gaulle Rijsel, 22 november 1890 – Colombey-les-Deux-Églises, 9 november 1970) was een Frans militair en politicus. Hij vocht tijdens de Eerste Wereldoorlog als officier in de Slag bij Verdun en was de leider van een Franse regering in ballingschap tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Gaulle was van 1959 tot 1969 de 18e president van de Franse Republiek en de grondlegger van de Vijfde Republiek.
Het gaullisme blijft een belangrijke politieke ideologie in het huidige Frankrijk. De Gaulle stuurde aan op een herstelling van de Franse macht met een politiek van grandeur. Zo moderniseerde hij de Franse economie, voerde hij een onafhankelijke diplomatie en stelde hij de Force de frappe in.
Levensloop Jeugd en familie Charles de Gaulle was het derde van vijf kinderen in een rooms-katholiek, patriottisch gezin. De familie De Gaulle behoorde tot de lagere adel, maar was al sinds lang door en door middenklasse. Charles werd geboren in het huis van zijn grootouders in Rijsel. Zijn vader Henri de Gaulle was leraar filosofie, wiskunde en literatuur aan een jezuïetencollege in Parijs. Toen de baby drie maanden oud was, werd hij naar Parijs gebracht, waar zijn ouders in het 7e arrondissement woonden., Charles de Gaulle: A Thorn in the Side of Six American Presidents, Rowman & Littlefield 2020.
De jonge Charles kreeg een traditionele opvoeding en doorliep Parijse parochiescholen, waaronder het college waar zijn vader werkte. Daar ontwikkelde hij een bijzondere interesse in geschiedenis en militaire zaken en vatte het plan op te gaan studeren aan de militaire school van Saint-Cyr, door Napoleon opgericht in 1808. Een van zijn voorouders zou in 1415 tegen de Engelsen hebben gevochten in de slag bij Azincourt. Zijn vader had tegen de Duitsers gevochten in de Frans-Pruisische oorlog van 1870-1871.
Hij werd beïnvloed door de lectuur van Barrès, Bergson, Boutroux en Péguy. Na zijn studies aan Saint-Cyr werd hij in 1913 ingedeeld bij het 33e regiment infanterie dat behoorde tot de divisie onder leiding van kolonel Philippe Pétain.
De Gaulle trouwde op 6 april 1921 met Yvonne Vendroux. Zij kregen drie kinderen: Philippe, Elisabeth en Anne. Anne had het syndroom van Down en overleed in 1948 op 20-jarige leeftijd.
Eerste Wereldoorlog en intellectuele ontwikkeling miniatuur|links|Plaquette ter herinnering aan het gewond raken van Charles de Gaulle in Dinant Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende De Gaulle in het leger als luitenant. Op 15 augustus 1914, de eerste dag van de slag van Dinant, werd hij in zijn been geschoten op de brug over de Maas. Deze brug is later naar hem vernoemd. Hij raakte in 1916 betrokken bij de slag bij Verdun en werd bij het Fort Douaumont gevangengenomen. Na herhaalde ontsnappingspogingen, waarbij hij zich onder meer als verpleegster verkleedde en ondergrondse tunnels groef, verbleef hij ruim twee jaar in een Duits kamp voor krijgsgevangenen in het fort van Ingolstadt.
Na de oorlog diende hij bij de pantsereenheden, die toen nog deel uitmaakten van de infanterie. Van 1919 tot 1921 was hij als beschermeling van Pétain als militair deskundige betrokken bij de opbouw van het leger van het zojuist onafhankelijk geworden Polen, waar de Pools-Russische Oorlog (1919-1921) woedde. Hij kreeg al snel de reputatie van een vernieuwend tacticus.
In Le fil de l'épée (1932) (Het scherp van de snede) wees hij op het belang van het vormen van leiders en op de invloed van toevallige omstandigheden. Ook bepleitte hij het formeren van pantsereenheden, waarmee vuurkracht en mobiliteit beter dan ooit gecombineerd zouden kunnen worden. In Vers l'Armée de Métier (Naar een Beroepsleger) (1934) bepleitte hij de oprichting van een professioneel gemotoriseerd kernleger in vredestijd om een eventuele verrassingsaanval vanuit Duitsland af te kunnen slaan. In Duitsland zag de latere tankgeneraal Heinz Guderian hierin zijn ideeën bevestigd. In Engeland werd door de militair historicus Liddell-Hart met belangstelling kennisgenomen van De Gaulles ideeën. In Frankrijk, waar statische verdediging vanuit immense fortificaties zoals de Maginotlinie voorop stond, vond hij echter weinig weerklank.
Uit zijn particuliere correspondentie blijkt dat hij weinig op had met parlementaire democratie en eigenlijk meer zag in een sterk monarchaal regime. De socialist Léon Blum, premier van Volksfront-regeringen tussen 1936 en 1939, was fel tegen een beroepsleger, omdat dit gemakkelijk zou kunnen worden ingezet tegen de eigen bevolking.
Tweede Wereldoorlog thumb|links|Charles de Gaulle (midden), 1943 In de Tweede Wereldoorlog kreeg De Gaulle tijdens Fall Gelb, zoals de Duitsers hun offensief in het westen noemden, op 15 mei 1940 het bevel over een provisorische pantserdivisie, de 4e Division Cuirassée de Réserve, waarmee hij zonder veel effect vocht tegen de Duitse invallers, die om de Maginotlinie heen waren getrokken, dwars door de volgens de Fransen ondoordringbare Ardennen.
Vlak voor de totale ineenstorting werd hij bevorderd tot brigadegeneraal. Hij kreeg op 6 juni de post van onderminister voor defensie in het kabinet van premier Paul Reynaud. In die hoedanigheid nam hij deel aan de besprekingen met de Britten tijdens de laatste fases van de Duitse opmars in juni 1940. Toen bleek dat maarschalk Pétain in juni 1940 een wapenstilstand met de Duitsers zou sluiten, stapte De Gaulle in een Brits vliegtuig en ontkwam daarmee naar Londen.
Op 18 juni verklaarde hij via de Britse radio dat Frankrijk wel een slag had verloren, maar niet de oorlog en hij riep het Franse volk op de strijd tegen Duitsland voort te zetten. Het onmiddellijke resultaat daarvan was dat hij wegens desertie bij verstek ter dood werd veroordeeld door het Vichy-regime, dat na de overwinning van de Duitsers door hen werd getolereerd als een marionettenregime in het zuidoostelijke deel van Frankrijk. Het staatshoofd van dit regime was de 83-jarige Pétain, zijn vroegere commandant.
De Gaulle organiseerde na zijn vlucht de Vrije Franse Strijdkrachten. Het lukte hem sommige Franse koloniën aan zijn kant te brengen. Hij kreeg ook het bestuur in Syrië en Libanon in handen, nadat de Britten deze Franse mandaatgebieden op Vichy-troepen hadden veroverd. De Gaulle had aanvankelijk grote moeite om serieus genomen te worden door de geallieerden, want het Franse Vichy-regime had - bij gebrek aan beter - zowel in eigen land als daarbuiten een zekere legitimiteit, waartegenover De Gaulle niet veel anders had te stellen dan zijn vastberadenheid om de waardigheid van Frankrijk te verdedigen. Voor het oplossen van de voortdurende conflicten en ruzies met de Britse regering was zijn stafchef Gaston Palewski verantwoordelijk. De Gaulle omschreef zijn eigen positie als volgt: “Ik kan geen concessies doen, ik ben te zwak.”
Het imago van De Gaulle bij de geallieerden werd nog verder verzwakt door de mislukte slag om Dakar in september 1940, waarbij de generaal ten onrechte had aangenomen dat de Fransen in de West-Afrikaanse kolonie, tot dan onder het gezag van Vichy, spontaan naar hem zouden overlopen.
Terwijl de Britse premier Churchill nog een zeker respect voor de koppige Franse generaal had, wantrouwden de Verenigde Staten hem. Toen Amerikaanse en Britse legers in november 1942 Franse gebieden in Noord-Afrika binnenvielen, gaven de Amerikanen het bestuur ervan niet in handen van de leider van de Vrije Fransen, maar aan Henri Giraud, een andere Franse generaal die voorheen tegen Vichy had aangeleund. De Gaulle bleek echter een behendiger politicus te zijn en over een forse aanhang te beschikken, ook in bezet Frankrijk, waar het Vichy-regime zijn restant van geloofwaardigheid had verloren toen vanaf november 1942 ook op het eigen gebied Duitse troepen gelegerd werden.
In juni 1943 kwam er een compromis: De Gaulle en Giraud werden co-voorzitters van een Frans Comité van Nationale Bevrijding in Algiers. Na enkele maanden wist De Gaulle Giraud aan de kant te schuiven. Hoewel de Amerikanen De Gaulle niet wilden betrekken in de landing in Normandië op 6 juni 1944 en ze van plan waren het bevrijde Frankrijk althans voorlopig zonder hem te besturen, bleek het hele binnenlandse verzet achter De Gaulle te staan. Het Vichy-regime verdween als sneeuw voor de zon en bij zijn terugkeer in Frankrijk werd De Gaulle overal toegejuicht. De tegenstellingen tussen het communistische verzet en het niet-communistische verzet leken voor even vergeten. Na een met emoties beladen intocht in Parijs vestigde hij daar op 26 augustus 1944 zijn voorlopige regering, die al snel door de geallieerden werd erkend.
Tot aan het einde van de oorlog had De Gaulle wrijvingen met de Amerikanen, want hij stond erop dat Frankrijk als een grote mogendheid werd behandeld en weigerde soms om bevelen van het geallieerde opperbevel op te volgen. Pas op 21 oktober 1944 werd de regering van De Gaulle, in plaats van de Vichy-regering, door de Amerikanen als vertegenwoordiger van Frankrijk erkend. De erkenning van De Gaulle door de geallieerden ging niet zo ver dat hij ook werd uitgenodigd op de conferenties van Jalta (februari 1945) en Potsdam (juli 1945), waar de verdeling in invloedssferen van het naoorlogse Europa werd vastgelegd.
thumb|De Gaulle spreekt een menigte toe tijdens de Tweede Wereldoorlog, 1944
De naoorlogse periode In eigen land was De Gaulle aan het einde van de oorlog een algemeen aanvaarde leider die boven de partijen stond. Hij bleef ook na de verkiezingen van november 1945 voorzitter van de voorlopige regering, maar trad in januari 1946 af, toen het duidelijk werd dat zijn opvattingen over een sterke uitvoerende macht niet in de nieuwe grondwet van de Vierde Republiek zouden worden opgenomen.
In 1947 stichtte hij een nieuwe politieke partij, Rassemblement du Peuple Français (Verzameling van het Franse Volk), die namens alle Fransen beweerde te spreken. De partij had een tijdelijk kiessucces, maar in 1953 hief De Gaulle de partij op. Hij trok zich uit de politiek terug in zijn buitenverblijf in Colombey-les-Deux-Églises en ging zijn memoires schrijven. De Vierde Republiek werd, zoals hij gevreesd had, gekenmerkt door chronische politieke instabiliteit. Ondertussen woedde in Frans-Indo-China al een dekolonisatie-oorlog, die in 1954 zou uitlopen op een definitieve Franse nederlaag bij Điện Biên Phủ. In datzelfde jaar brak de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog uit.
In 1958, toen deze zeer bloedige oorlog uitzichtloos was geworden, maakte een opstand van de Franse strijdkrachten in Algerije duidelijk dat de Vierde Republiek niet tegen de situatie was opgewassen. Na twaalf jaar in de politieke wildernis werd De Gaulle als voldoende sterk en patriottisch beschouwd om een uitweg te vinden. Hij vormde een regering en verkreeg van het parlement een speciale volmacht voor zes maanden. Hij stelde een nieuwe grondwet op die de macht van de president versterkte ten koste van het parlement. De Gaulle werd in januari 1959 op 68-jarige leeftijd zelf de eerste president van de nieuwe Vijfde Republiek.
De opstandige militairen hadden gehoopt dat De Gaulle de Algerijnse opstand de kop in zou drukken. De Gaulle wekte de stellige indruk dat te zullen doen, toen hij voor een grote menigte Franse kolonisten op het Forum-plein in Algiers uitriep: “Je vous ai compris!” (Ik heb u begrepen!) Hij besefte echter al snel dat Frankrijk daar nooit in zou slagen, aangezien dit niet te combineren was met zijn onwil de negen miljoen islamitische Algerijnen volwaardig Frans staatsburgerschap te geven. Uiteindelijk kondigde hij aan Algerije via onderhandelingen zelfbeschikking te willen verlenen.