Michel Foucault (Poitiers, 15 oktober 1926 – Parijs, 25 juni 1984) was een Frans filosoof, bekend vanwege zijn politiek activisme in de jaren 70 en 80 en zijn analyses in de politieke filosofie via begrippen als disciplinemaatschappij, biopolitiek en biomacht. Men plaatst hem in de continentale filosofie, het structuralisme en poststructuralisme, hoewel hij de termen niet met zichzelf associeerde. Foucaults colleges trokken overvolle zalen. Hij zou dit doen tot hij in 1984 aan een aids-gerelateerde ziekte (hiv) overleed.
Oeuvre Zijn oeuvre wordt ingedeeld in drie periodes. In de vroege periode, tot 1975, richt Foucault zich op het ontstaan van de menswetenschappen en hun onderzoek: de waanzinnige en de patiënt. Foucault onderzoekt conceptuele systemen, épistémès die waarheid en kennis bepalen. Inspiratie hiervoor vindt hij in de Franse epistemologie, structuralisme en Les mots et les choses (1966).
In de periode van 1975 tot 1980 raakt Foucault geïnspireerd door de geneaologische methode van Friedrich Nietzsche en verschuift zijn focus naar macht. Hij onderzoekt hoe macht aan de oorsprong ligt van de menswetenschappen. In Surveiller et punir (1975) stelt hij dat in de 18e en 19e eeuw de soevereine macht naar een disciplinaire macht overgaat. Eind 18e eeuw ziet hij naast de disciplinaire macht biomacht. Ten slotte komen discipline en biomacht samen in biopolitiek, geïllustreerd in de seksualiteit. Deze overgang beschrijft hij in Histoire de la sexualité I: La volonté de savoir (1976).
Tussen 1980 en 1984, veranderde Foucault van thema. Hij wil de Histoire de la sexualité vervolledigen. In 1984, enkele maanden voor zijn dood, verschenen hierover twee boeken. In plaats van zich te richten op de (anonieme) macht die het denken over seksualiteit bepaalt, focust hij op hoe individuen hun leven vorm geven. Foucault noemt dit subjectivering. In plaats van de 18e en 19e eeuw te bespreken, beschrijft hij hoe de Oude Grieken en Romeinen een bestaansesthetica uitbouwden.
Levensloop Vroege jaren Paul-Michel Foucault werd geboren op 15 oktober 1926 in Poitiers, als het tweede kind in een welgesteld gezin uit de hogere middenklasse. Hij werd genoemd naar zijn vader, dr. Paul Foucault, zoals de familietraditie het wilde. Door zijn moeder kwam er 'Michel' achter. Als kind werd hij 'Paul' genoemd, terwijl hij de naam 'Michel' prefereerde. Zijn vader (1893-1959), geboren in Fontainebleau, was chirurg. Hij verhuisde naar Poitiers, waar hij zijn praktijk opstartte en met Anne Malapert trouwde. Zij was de dochter van de welgestelde chirurg Prosper Malapert. Die leidde een privépraktijk en doceerde anatomie aan de Universiteit van Poitiers. Paul Foucault nam de praktijk van zijn schoonvader over, terwijl zijn vrouw zich bezighield met hun 19e-eeuwse huis, Le Piroir, in Vendeuvre-du-Poitou. Ze kregen drie kinderen, een meisje Francine en twee jongens, Paul-Michel en Denys. Hoewel de familie niet strenggelovig was, werden de kinderen rooms-katholiek opgevoed en bezochten ze regelmatig de mis. Michel was een tijd misdienaar. Later vertelde Foucault weinig over zijn kindertijd. Hij beschreef zichzelf als een 'jeugddelinquent' en stelde zijn vader voor als een 'bullebak' met de gewoonte hem streng te straffen. In 1943 behaalde hij zijn baccalauréat.
Vervolgens keerde hij terug naar het Lycée Henry-IV om er een jaar geschiedenis en filosofie te studeren, met hulp van de filosoof en privéleraar Louis Girard. De studie was bedoeld als voorbereiding op de École normale supérieure (ENS), de elite-universiteit in Parijs. Hij scoorde slecht op de schriftelijke test en werd 101e, terwijl de eerste honderd werden toegelaten voor het mondelinge deel. Zijn vader wilde dat Michel in zijn voetsporen trad en geneeskunde zou studeren, maar Michel weigerde. In 1945 ging Foucault naar Parijs waar hij zich inschreef voor het Lycée Henri-IV, een prestigieuze school in het secundair onderwijs. Hier kreeg hij les van Jean Hyppolite, een existentialist en een Hegel-expert, die het existentialisme wilde verenigen met de dialectische theorieën van Hegel en Marx. Hyppolite beïnvloedde Foucault met zijn mening dat filosofie het beste via de geschiedenis bestudeerd kon worden. Doordat hij bij Hyppolite uitblonk, werd hij alsnog toegelaten aan de ENS.
Latere jaren miniatuur|Foucaults populariteit werd groter toen hij in 1970 werd voorgedragen voor het befaamde Collège de France, waar hij de leerstoel 'Geschiedenis van denksystemen' bekleedde.
Tijdens zijn studie aan de ENS worstelde hij met zijn homoseksuele geaardheid en had hij zelfmoordneigingen. Hij was korte tijd lid van de communistische partij. Begin jaren 50 studeerde hij af in de filosofie en in de psychologie. Zijn interesse ging naar de psychopathologie. In die lijn lag zijn proefschrift, waarop hij (onder begeleiding van Georges Canguilhem) in 1961 promoveerde: Folie et déraison. Histoire de la folie à l’âge classique (Geschiedenis van de waanzin in de klassieke tijd). Daarmee verwierf hij geen bekendheid. Dat veranderde in 1966 toen zijn boek Les mots et les choses. Une archéologie des sciences humaines uitkwam. Deze publicatie vestigde zijn reputatie. Na de opstanden van mei 1968, die Foucault niet meemaakte omdat hij in Tunis gasthoogleraar was, keerde hij zich af van het marxisme. De Franse Communistische Partij, die de opstand niet steunde, was in zijn ogen een disciplinair instituut van de gevestigde orde. De tweedeling tussen arbeidersklasse en kapitaal, die in de marxistische traditie centraal staat, maakte in Foucaults werk plaats voor een 'microkosmos' van strijd: de arbeidersstrijd, het feminisme, de homo-emancipatie en andere gemarginaliseerde groepen. & , Poststrukturalismus, Stuttgart/Weimar, Metzler, 2000.
Foucault ondertekende in 1977 samen met een aantal prominente Franse intellectuelen onder wie Jean-Paul Sartre, Jacques Derrida, Simone de Beauvoir, Bernard Kouchner, Jack Lang e.a. een petitie gericht aan het Franse parlement die opriep tot het decriminaliseren van alle consensuele seksuele betrekkingen met minderjarigen onder de Franse minimumleeftijd van 15.Sexual Morality and the Law, Hoofdstuk 16 van Politics, Philosophy, Culture –Interviews and Other Writings 1977-1984. Edited by Lawrence D. Krizman. New York/London: 1990, Routledge, , p.275
In de jaren '80 was Foucault gastdocent aan de University of California, Berkeley, UCLA, de University of Vermont en aan de New York University. Het succes van zijn lezingen en groeiende faam binnen intellectuele kringen werd genoteerd door Time Magazine. Foucault, een adept van De Sade, frequenteerde in San Francisco sado-masochistische saunasalons en zong in interviews de lof van het sado-masochisme, dat hij omschreef als "de echte creatie van nieuwe mogelijkheden tot genot". Hij liep hiv op en stierf op 25 juni 1984 in Parijs aan bloedvergiftiging ten gevolge van AIDS. (1991) , Michel Foucault, Betsy Wing (translator), Harvard University Press. , pag. 313-16. (1993). The Passion of Michel Foucault, Simon & Schuster. , pag.26-27.
Kort na zijn dood richtte Foucault's partner Daniel Defert de eerste nationale hiv/aids-organisatie in Frankrijk op, genaamd AIDES, een woordspeling op het Franse woord voor hulp, aide, en de naam van de aandoening.
Nalatenschap Na Foucaults dood kwam de vraag over zijn nalatenschap. Foucault eiste dat zijn ongepubliceerde geschriften niet postuum mochten verschijnen. Dit verzoek werd geëerbiedigd, met dien verstande dat er alleen lezingen verschenen waarvoor Foucault toestemming gaf. Recent zijn er toch werken verschenen, zoals Les aveux de la chair (2018).
Na zijn dood kwam naar buiten dat Foucault mogelijk regelmatig minderjarige jongens zou hebben misbruikt. Volgens een vriend zou hij deze jongens in Tunesië hebben betaald voor seksueel contact.
Filosofie miniatuur|Koud Vierkant - Installatie door de kunstenaar Tom Fecht van straatstenen met de namen van beroemde aids-slachtoffers bij de ingang van de Kunst- en Tentoonstellingshal van de Duitse Bondsrepubliek te Bonn.
Foucaults werk kent drie periodes en drie kernbegrippen: waarheid (jaren 60), macht (jaren 70) en lust en het Zelf (jaren 80). Dit wil niet zeggen dat er geen overlappingen zijn. Hierdoor ontstond de discussie over de eenheid van het oeuvre versus de breuken erin.
Over menswetenschappen Zijn eerste werk was Maladie mentale et personnalité (1954), waarin de latere thematieken duidelijk zijn: de geneeskunde, psychiatrie en waanzin. In de oorspronkelijke versie leunde Foucault aan bij de psychoanalyse van Sigmund Freud en de fenomenologische en existentiële Daseinsanalyse van Martin Heidegger en Ludwig Binswanger. In een heruitgave van 1962 komt hij op zijn stappen terug: vanuit historisch oogpunt is 'waanzin' een sociale constructie. Hij werkte het uit in Histoire de la folie à l'âge classique: Folie et déraison (1961).
Histoire de la folie onderzoekt de 'waanzin' sinds de Renaissance. Zijn opzet is een kritiek op de psychologie en psychiatrie en de wijze waarop de disciplines naar hun geschiedenis kijken. Ze beschrijven hun ontstaan samenhangend met het 'ontdekken' van hun onderzoeksobject: de 'geestesziekte' (maladie mentale) en een steeds 'humanere' omgang met de patiënt. De mentaal zieke wordt als iets dat eeuwig bestond en in de moderne tijd ontdekt wordt. Foucault stelt daarentegen dat 'waanzin' niet vaststaat, maar bepaald is door de historische periode. Hij ziet drie fases:
De Renaissance stelt waanzinnigen in de kunst voor als bezitters van een specifieke vorm van wijsheid, namelijk kennis van de grenzen van onze wereld. In de literatuur toonden zij de grens wat mensen zijn en wat ze pretendeerden te zijn. Voorbeelden zijn Het narrenschip (ca. 1494) van Jheronimus Bosch of Erasmus' Lof der Zotheid (1511). Midden 17e eeuw verschuift de omgang met gekken. De Klassieke Periode (17e - 18e eeuw): Terwijl vroeger waanzinnigen getolereerd werden in de marge, worden ze nu samen met prostituees, landlopers en andere randfiguren opgesloten in instellingen. "De Grote Opsluiting" ziet afwijkingen als het resultaat van morele fouten. Prostituees, landlopers en gekken werden gezien als personen die vrijwillig voor hun levensstijl kozen. Binnen deze instellingen ontstaat het beeld van waanzin als een reële categorie, die te bestuderen en te genezen is. De Moderne Tijd (19e eeuw -) Panoptica sluiten 'gekken' op en observeren om hen te genezen en de maatschappij te beschermen. Ook de therapie evolueert. Foucault betwist dat deze overgang naar gespecialiseerde instellingen een morele stap vooruit is. Voor hem is de 'verlichte' behandeling van patiënten even wreed als de vroegere behandeling.
Dit boek beïnvloedde de antipsychiatrie, de vraag of geestesziektes bestaan en hoe waanzin te analyseren is. Foucault wilde met de waanzin in de kunst en de literatuur het uit de vergetelheid halen.Foucault verwijst naar auteurs als Friedrich Nietzsche, Antonin Artaud, Gérard de Nerval en Raymond Roussel. Zo schrijft hij: "Onder het kritische bewustzijn van de waanzin en zijn filosofische of wetenschappelijke, morele of medische vormen is een stil, tragisch bewustzijn blijven waken.", Histoire de la folie à l'âge classique, Parijs, Gallimard TEL, 1978 , p. 40. Na een studie over het ontstaan van het ziekenhuis, Naissance de la clinique (1963), verscheen een studie over de menswetenschappen Les mots et les choses (1966; De woorden en de dingen). Dit boek stelt de vraag hoe de mens over zichzelf vanaf de Renaissance denkt. Met zijn 'archeologische' methode groef hij historische denklagen en concludeerde dat...:
...de geschiedenis van de kennis zich discontinu ontwikkelt. ...de waarheid een tijdelijke constructie is. ...de hedendaagse, zelfbewuste mens een uitvinding is van rond 1800, een uitvinding die zal verdwijnen.
miniatuur|Koud Vierkant - De steen ter nagedachtenis aan Michel Foucault.