Het Arabisch-Israëlische conflict, ook wel het Israëlisch-Arabische conflict genoemd, is de onenigheid en strijd tussen Israël en de omringende Arabische landen en de daarbij betrokken volkeren, waaronder de Palestijnen en de erbij betrokken organisaties.

Het conflict bestaat al sinds de oprichting van Israël en de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 en draait sindsdien om de grenzen van de staat Israël in de regio van Palestina en de situatie van de Palestijnse bevolking. De oorspronkelijke wrijvingen tussen zionistische joden en de inheemse Arabisch sprekende Palestijnen in Mandaatgebied Palestina, zijn uitgelopen op een conflict tussen de staat Israël en Palestina over het bezit en de grenzen van het grondgebied ten westen van de Jordaan. De vraag daarbij is of er twee aparte staten moeten komen voor Palestijnen respectievelijk joden conform het Verdelingsplan van de VN in 1947, óf dat er in het voormalige mandaatgebied een bi-nationale staat (één staat) moet zijn voor zowel de Palestijnen als de Israëli's.

Achtergrond Gedurende minstens zevenhonderd jaar, tot aan de Romeinse verovering, vormden joden het hoofddeel van de sedentaire bevolking van de regio Palestina, en gedurende perioden daarvan waren zij politiek onafhankelijk. Na het mislukken van de Bar Kochba-opstand in 136 verdreven de Romeinen de joden uit Judea. Tijdens de zes eeuwen tussen de Romeinse periode en de Arabische verovering bleven sommige joden desalniettemin in Palestina wonen, vooral nabij de 'heilige steden' Safed, Tiberias, en later toch weer in Hebron en Jeruzalem.The Jews of Palestine Before the Arab Conquest, in Martin Gilbert, "The Routledge Atlas of the Arab-Israeli Conflict," 8ste uitgave 2005. Echter, een groot deel zwermde uit over Romeins en Perzisch gebied: de zogenaamde joodse diaspora. In de vierde eeuw werden de meeste inwoners van het gebied christen.

In 637 veroverden Arabische moslims de stad Jeruzalem. Onder de Arabische heerschappij werden christenen en joden meestal getolereerd maar er waren ook periodes van jodenvervolging door zowel moslims als christenen. Tijdens de kruistochten (1099-1291) vochten joden meestal aan de Arabische kant, en werden zij vaak vervolgd door de kruisvaarders. De daaropvolgende moslimregimes van de Mammelukken (1291-1516) en het Ottomaanse Rijk (1517 tot de Eerste Wereldoorlog) moedigden vaak joodse immigratie uit Europa aan.The Jews of Palestine 636-1880, in Martin Gilbert, "The Routledge Atlas of the Arab-Israeli Conflict," 8ste uitgave 2005.

Vanaf eind 19de eeuw nam de joodse immigratie toe onder invloed van het zionisme, een beweging die nationalistische inspiratie, religieus fundamentalisme en vrees voor de Europese jodenvervolging combineerde tot het streven naar een joodse staat op het grondgebied van het oude Palestina. Een belangrijke voorvechter was Theodor Herzl die een seculier zionisme propageerde. Rond 1900 ontstonden organisaties die de migratie van joden naar (Ottomaans) Palestina aanmoedigden en praktische steun boden. De Russische revolutie van 1905 vormde een verdere bron van joodse immigranten.Lemma "Zionism" in Spencer C. Tucker (red.), "The Encyclopedia of the Arab-Israeli Conflict: A Political, Social, and Military History," ABC Clio 2008.

Nadat na de Eerste Wereldoorlog de Britten het mandaat over Palestina hadden gekregen, ontstonden conflicten tussen de Palestijnse inwoners en de voornamelijk zionistische joodse immigranten, die daar uit andere delen van de wereld naartoe emigreerden. Op grond van de Balfour-verklaring mocht daar "een tehuis voor joden" gerealiseerd worden. Vanwege de massale immigratie was al in 1921 het oostelijke Transjordanië afgesplitst van het totale Britse mandaatgebied. De Britten legden gaandeweg strengere beperkingen op aan joodse migratie, met vanaf 1939 een totaalverbod; vanaf 1933 kwamen deze maatregelen in conflict met de toenemende druk van Europese joden die het nazi-regime ontvluchtten.

Vanaf de vroege jaren 1920 vonden schermutselingen van toenemende ernst plaats tussen joden en (Arabische) Palestijnen. Dit culmineerde in de Arabische opstand van 1936-1939, formeel gericht tegen het Britse gezag maar onder meer gevoed door verontwaardiging over joodse immigratie en joodse aankopen van land.Lemma "Arab Revolt of 1936-1939" in Spencer C. Tucker (red.), "The Encyclopedia of the Arab-Israeli Conflict: A Political, Social, and Military History," ABC Clio 2008.

Op 14 mei 1948 hadden de zionistische leiders eenzijdig een eigen staat, Israël, uitgeroepen in het Mandaatgebied Palestina ten westen van de Jordaan en zich daarbij een groot deel ervan toegeëigend. In de daarop volgende oorlogen tussen Israël en de omringende Arabische landen bezette Israël in 1967 het overige gebied waarna de conflicten tussen Israël en de Arabisch-Palestijnse bevolking heviger werden. Daar werden ook de omringende Arabische landen bij betrokken. De in 1945 opgerichte organisatie Verenigde Naties, waarin de Verenigde Staten een grote rol spelen, probeert sinds 1947 een oplossing te bewerkstelligen.

Chronologie Hieronder staat een lijst van opeenvolgende gebeurtenissen die een grote impact hadden op het verloop van dit conflict: Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 of Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog (1947-1949). De aanleiding tot deze oorlog was het einde van het Britse mandaat en de terugtrekking van de Britse troepen op 15 mei 1948, terwijl er over het verdelingsvoorstel resolutie 181 van de Verenigde Naties nog geen overeenstemming was bij beide partijen. Conform dat VN-verdelingsplan was het Mandaatgebied Palestina voor ruim 50% aan de joden toegewezen en voor minder dan 50% aan de Arabische meerderheid van de bevolking, terwijl Jeruzalem daarin een aparte status moest krijgen. Ondanks het feit dat er geen overeenstemming was, werd door David Ben-Gurion op 14 mei 1948 in Tel Aviv eenzijdig de staat Israël uitgeroepen. De omringende Arabische landen vielen daarop het voormalige mandaatgebied binnen. Op dat moment waren reeds 200.000 Palestijnen van huis en haard verdreven of gevlucht uit het aan joden toegedachte gebiedsdeel dat direct daarop door Israël veroverd werd, inclusief West-Jeruzalem. Jordanië bezette vervolgens het resterende gebied, de Westelijke Jordaanoever met Oost-Jeruzalem, terwijl Egypte de Gazastrook bezette. Na negen maanden gaven de Arabische landen de strijd op. Meer dan 700.000 Palestijnen waren verdreven of gevlucht en meer dan 500 Palestijnse dorpen verwoest.De Israëlische historicus Benny Morris stelt dat er sprake was van "etnische zuivering", en hij beschrijft deze als "noodzakelijk" voor de vestiging van een Joodse staat: "Er zijn omstandigheden in de geschiedenis die etnische zuivering rechtvaardigen. Ik weet dat deze term in de 21e eeuw volkomen negatief gebruikt wordt, maar als de keuze is tussen etnische zuivering en genocide - de vernietiging van je volk - geef ik de voorkeur aan etnische zuivering. Dat was de situatie. Dat is wat het zionisme voor zich zag. Een Joodse staat zou er niet gekomen zijn zonder het verdrijven van 700.000 Palestijnen. Daarom was het noodzakelijk hen te verdrijven. Het was nodig het binnenland te zuiveren en de grensgebieden te zuiveren en de belangrijkste wegen te zuiveren. Het was nodig de dorpen te zuiveren van waaruit onze konvooien en onze nederzettingen beschoten werden." "An interview with Benny Morris", counterpunch, 16-18 jan. 2004, - In een interview met de Haaretz op 10 oktober 2016 herriep Morris zijn eerdere conclusie, en zei dat er weliswaar Palestijnen zijn verjaagd, maar dat dit nooit een vooropgezet plan is geweest. Gearchiveerd op 20 oktober 2021.UN's Palestinian Refugee Problem, A.Kushner, herfst 2005. Gearchiveerd op 8 maart 2016. Van vóór de oprichting van de staat Israël tot 1976, ruim na de Arabisch-Israëlische oorlogen, zijn vanuit Arabische landen ongeveer 850.000 joden naar Israël gemigreerd of gevlucht.Ada Aharoni, The Forced Migration of Jews from Arab Countries, The Neaman Institute (2002)Malka Hillel Shulewitz, The Forgotten Millions: The Modern Jewish Exodus from Arab Lands, Continuum 2001, pg 139 en 155. Suezcrisis (1956). Gamal Abdel Nasser, de tweede president van Egypte, nationaliseerde het Suezkanaal. Groot-Brittannië en Frankrijk, de oude eigenaren, sloten een geheime coalitie met Israël. Een Israëlische verovering van de Sinaï zou als voorwendsel dienen voor een invasie van de Suezkanaalzone, zogenaamd om die tegen de gevechten te beschermen. De invallers werden door de Verenigde Staten teruggeroepen. De oorlog werd zo een politieke overwinning voor Nasser. Israël wilde zich echter pas uit de Sinaï terugtrekken nadat Nasser informeel toezegde het gebied gedemilitariseerd te houden. Zesdaagse Oorlog (1967). Israël voerde, na een oplopend conflict met Syrië, een verrassingsaanval uit op Egypte als reactie op de blokkade van de Golf van Akaba (de enige zeeweg die Israël met Azië verbindt) door Nasser, en de hernieuwde Egyptische militaire bezetting van het schiereiland Sinaï. De Egyptische luchtmacht werd in de eerste uren vernietigd. Jordanië, gebonden aan een defensieverdrag met Egypte, nam ook deel aan de oorlog. Binnen zes dagen waren de Arabische landen verslagen en bezette Israël de Westelijke Jordaanoever, de Syrische Hoogten van Golan, de Gazastrook en het schiereiland Sinaï. Vele Palestijnen werden daarbij uit hun woongebieden verdreven. Uitputtingsoorlog (1967-1970). Egypte trachtte met een reeks kleinschalige confrontaties de in de Zesdaagse Oorlog verloren Sinaï terug te winnen en werd daarbij militair gesteund door onder meer de Sovjet-Unie waarvan luchteenheden aan de gevechten deelnamen. Wederzijdse bombardementen en commando-overvallen verliepen sterk in het nadeel van Egypte dat echter wel een sterke luchtafweergordel opbouwde. Nadat Nasser aan een hartaanval was gestorven, stemde zijn opvolger Sadat toe in het verlengen van een wapenstilstand. Jom Kipoeroorlog (1973). Egypte en Syrië voerden een verrassingsaanval uit op Israël in een poging de door Israël in 1967 bezette gebieden te heroveren. De oorlog duurde een maand, kostte veel geld en materieel, maar leverde territoriaal gezien in eerste instantie weinig op. Egypte stak het kanaal over maar zijn rechtervleugel raakte omsloten toen Israël hetzelfde deed. Egypte kreeg al in 1974 een deel van de Sinaï-woestijn terug. Uiteindelijk leidde dit tot de Camp David-akkoorden van 1978 waarna Israël geleidelijk de hele Sinaï ontruimde. Egypte en Israël zouden hierna geen oorlog meer voeren. Syrië behaalde aanvankelijk successen op de Hoogten van Golan, maar werd daarna teruggedrongen door een opmars van het Israëlische leger richting Damascus. Bij het staakt-het-vuren stond Israel de nieuw veroverde gebieden in Syrië af en gaf ook de stad Al-Qunaitra, gelegen in de Golan-hoogte terug.Ochsenwald, W. & Nettleton Fisher, S., "The Middle East, A history 7th edition", Mc Graw Hill, p.560-563 De Hoogten van Golan werden echter geannexeerd. Operatie Litani (1978) in Zuidelijk Libanon. Israël rukte op tot de rivier de Litani om de PLO te verdrijven, maar trok zich terug toen Unifil werd opgericht. Libanonoorlog (1982). Israëlische invasie in Libanon. Israël poogde de PLO te vernietigen en Syrië uit Libanon te verdrijven. Dat laatste mislukte maar de PLO raakte ingesloten in Beiroet en liet zich evacueren. Bloedbaden in vluchtelingenkampen veroorzaakten grote afkeuring in de wereldopinie en de opkomst van een Israëlische vredesbeweging. De bezetting van het zuiden van Libanon tot 2000 leidde tot de opkomst van Hezbolla. Eerste Intifada (1987-1993). In de bezette Palestijnse gebieden brak een grote opstand uit, die wereldwijd media-aandacht kreeg. Dit leidde tot de Oslo-akkoorden die een mate van Palestijns zelfbestuur in de bezette gebieden inhielden.