De Europese Grondwet (formeel: Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa) was een voorstel uit 2004 voor een verdrag tussen de lidstaten van de Europese Unie.

De aanvankelijk beoogde grondwet zou, na de ratificatie door de lidstaten, op 1 november 2006 van kracht zijn geworden. Zo ver is het echter niet gekomen, waarna dit verdrag is verlaten. In 2007 is er een ander verdrag voor deze Europese Grondwet in de plaats gekomen, het Verdrag van Lissabon. Dit nieuwe verdrag werd op 13 december 2007 getekend door de Europese leiders.

Geschiedenis De lidstaten van de Europese Unie hadden dit nieuwe verdrag voorgesteld, enerzijds ter vervanging van de grote serie verdragen waar de Unie tot dan toe op gebaseerd was en anderzijds met het doel tegemoet te komen aan de veranderende verwachtingen van de burgers van de Unie en de veranderende wereld waarin de Unie zich bevindt.

Op de vergadering van de Europese Raad van 17-18 juni 2004 werd een akkoord bereikt over de grondwet. Op 29 oktober 2004 werd de grondwet ondertekend door deze Raad en de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten. Hierna begon het ratificatieproces.

Nadat Frankrijk en Nederland in mei en juni 2005 het verdrag in referenda hadden verworpen, besloot de Europese Raad in zijn top van 16-17 juni 2005 tot uitstel van ratificatie. Tien landen hadden op dat moment het verdrag geratificeerd. De oorspronkelijk geplande datum van 1 november 2006 waarop de Grondwet van kracht zou worden, werd voor onbepaalde tijd uitgesteld. Veel landen kondigden aan hun ratificatie, al dan niet per referendum, uit te stellen.

Op de Europese top van 21-22 juni 2007 werd besloten af te zien van de Europese Grondwet. In plaats daarvan kwam het Verdrag van Lissabon, getekend op 13 december 2007. Dit verdrag werd van kracht op 1 december 2009.

Geschiedenis en ratificatie

400px|thumb|Status van de ratificatie in de 25 lidstaten. De Europese Grondwet was gedeeltelijk gebaseerd op de twee hoofdverdragen die nu ten grondslag liggen aan de Europese Unie: het Verdrag van Rome (1957) en het Verdrag van Maastricht (1992). Deze verdragen zijn op hun beurt weer veranderd door onder andere het Fusieverdrag (1965), het Verdrag van Amsterdam (1997) en het Verdrag van Nice (2001).

Het startsein voor de Grondwet voor Europa werd gegeven met de Verklaring van Laken, waarbij een Europese Conventie in het leven werd geroepen die een ontwerpgrondwet moest formuleren. De ontwerpgrondwet werd gepubliceerd in juli 2003. Bij de eerste Europese top over deze ontwerptekst werd al snel duidelijk dat het niet gemakkelijk zou worden het eens te worden over de uiteindelijke tekst; de top werd een mislukking. Na veel onderhandelen over voornamelijk de nieuwe definitie van een gekwalificeerde meerderheid en de toepassing daarvan, werd uiteindelijk in juni 2004 overeenstemming bereikt over de tekst.

Het grondwettelijke verdrag werd getekend in Rome op 29 oktober 2004, de plaats waar ook de eerste echte Europese Gemeenschap werd opgericht in 1957. Voor het verdrag in werking kon treden, moest het echter geratificeerd worden door alle lidstaten. Aanvankelijk werd verwacht dat dit proces twee jaar zou duren. In sommige landen zou de ratificatie plaatsvinden door zowel parlementaire goedkeuring als goedkeuring door het volk (door middel van een referendum), en in sommige landen zou ratificatie zich alleen parlementair voltrekken.

Referenda over het verdrag Lidstaat Datum Resultaat20 februari 2005. 76,7% voor.29 mei 2005. 45,1% voor.1 juni 2005. 38,5% voor.10 juli 2005. 56,5% voor.Uitgesteld  Uitgesteld Uitgesteld Uitgesteld Uitgesteld Uitgesteld  Parlementaire goedkeuring van het verdrag Parlement Datum Resultaat11 november 2004. 84 voor, 4 tegen.20 december 2004. 322 voor, 12 tegen. Europees Parlement12 januari 2005. 500 voor, 137 tegen. 1 februari 2005. 79 voor, 4 tegen.6 april 2005. Lagerhuis: 436 voor, 28 tegen.Senaat: 217 voor, 16 tegen.19 april 2005. 268 voor, 17 tegen.11 mei 2005 . 116 voor, 27 tegen.18 mei 2005. Lagerhuis: 319 voor, 19 tegen.Senaat: 225 voor, 6 tegen.25 mei 2005 . Lagerhuis: 182 voor, 1 tegen.Senaat: 59 voor, 3 tegen.27 mei 2005. Lagerhuis: 569 voor, 23 tegen.Senaat: 66 voor, 0 tegen, 3 neutraal.2 juni 2005. 71 voor, 5 tegen.30 juni 2005 30 voor, 19 tegen.6 juli 2005 65 voor, 0 tegen. 8 februari 2006. Senaat: 54 voor, 9 tegen, 1 onthouding.Kamer: 118 voor, 18 tegen, 1 onthouding.9 mei 2006 73 voor, 1 tegen.Uitgesteld  Uitgesteld  

Dat de inbreng van de individuele burgers bij deze "ratificatie" niet voor alle burgers identiek was en dat, meer in het bijzonder, sommige burgers de mogelijkheid hadden hun stem specifiek uit te brengen over deze grondwet en andere niet, werd door vele inwoners van de Europese Unie als een onrecht gezien. De reden van de uiteenlopende ratificatieprocedures lag in het feit dat deze procedures door elk land afzonderlijk werd vastgelegd.

Op 29 mei respectievelijk 1 juni 2005 verwierpen Frankrijk en Nederland het voorstel, terwijl de grondwet alleen kon worden aangenomen indien alle landen het goedkeurden. De grondwet omvatte echter ook een artikel waarin stond dat als ten minste 4/5 van de landen (twintig lidstaten) deze constitutie aannamen, hier overleg over moest worden gevoerd. De maximaal vijf tegenstemmende landen zouden in zo'n geval aan de minimaal twintig voorstemmers moeten voorleggen, hoe men uit de impasse zou kunnen geraken.

Bij het aantreden van Angela Merkel als nieuwe bondskanselier maakte zij bekend dat ze in 2007 onder Duits voorzitterschap van de Europese Unie de grondwet nieuw leven in wilde blazen.

Eind januari 2006 vond een conferentie over het verdrag op hoog niveau plaats in het Oostenrijkse Salzburg, maar de lidstaten bleven verdeeld over de toekomst van het document.

Opbouw van de Grondwet

Het verdrag over een grondwet voor Europa was verdeeld in een preambule, vier verdragsdelen en een aanhangsel met meerdere protocollen:

De preambule gaat vooraf aan de eigenlijke verdragsbepalingen. In de preambule worden de redenen opgesomd voor de oprichting van de Europese Unie — zowel de omstandigheden die leidden tot de oprichting als de doelstellingen van de Unie worden benoemd. Verdragsdeel I over Grondbeginselen. Het eerste verdragsdeel behandelt de grondbeginselen van de Europese Unie. Het verdrag begint in artikel 1 met het idee dat krachtens dit verdrag de Europese Unie door de verdragsluitende partijen in het leven wordt geroepen. Behalve definitie en doelstelling van de Unie beschrijft het ook de bevoegdheden, de organen en de financiering van de Unie. De precieze invulling van de hier genoemde bepalingen vindt plaats in de bepalingen van de overige verdragsdelen. Verdragsdeel II over het Charta van de Grondrechten. In dit onderdeel worden de Europese grondrechten opgesomd. Het is voor het eerst dat in een verdrag van de Europese Unie deze grondrechten worden genoemd. Onder de grondrechten vallen uiteenlopende klassieke en sociale mensenrechten, zoals het recht op vrije meningsuiting en vereniging, het recht op vrije uitoefening van een beroep in de gehele unie, het hebben van inzage in overheidsdocumenten in de gehele unie, recht op eigendom, stakingsrecht, non-discriminatie-beginsel, rechten van het kind, bescherming tegen onredelijk ontslag, bescherming van persoonlijke gegevens, toegang tot sociale zekerheid en gezondheidszorg en het recht op de eerbiediging van gewetensbezwaren (bij dienstweigering). Verdragsdeel III over de beleidsterreinen. Dit deel geeft de beleidsterreinen en de daarbij behorende besluitvormingsprocedures aan. Dit verdragsdeel is verreweg de grootste van alle delen. Verdragsdeel IV over de Overgangs- en Slotbepalingen. Deze bepalingen zorgen voor een correcte overgang wanneer de oude verdragen hun geldigheid verliezen en de grondwet in werking treedt. Het waarborgt de continuïteit van lopende procedures voor instellingen die van naam en soms ook inhoud veranderen, de geldigheid van de rechtspraak van het Europese Hof en de uitzondering van de geldigheid van grondwetsbepalingen voor sommige gebiedsdelen (Kanaaleilanden, overzeese gebiedsdelen). Het regelt ook de procedure voor toekomstige grondwetswijzigingen, waarbij nationale parlementen een grotere rol krijgen dan nu het geval is. Het geeft 1 november 2006 als datum van inwerkingtreding. Annex met verscheidene Protocollen. In de annex bevinden zich 36 protocollen, die allen uitdrukkelijk deel uitmaken van de grondwet. Het betreft bijvoorbeeld de bijzondere positie van Denemarken inzake de voorbehouden die dat land maakte inzake verdere integratie, stemverhoudingen in de Raad, inspraak- en bezwaarprocedures voor nationale parlementen en de positie van het publieke omroepbestel in de unie. In een aantal bijlagen bevindt zich onder andere een gewijzigd Euratomverdrag en bepalingen voor geldigheid van de grondwet in overzeese gebiedsdelen.

Belangrijkste punten De belangrijkste punten van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa waren:

De Europese Unie wordt een persoon van internationaal recht; Het vastleggen van bepaalde vrijheden en burgerrechten; Consolidering van de bestaande verdragen van de unie; Meer besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid, in plaats van de unanimiteit die nu vaak vereist is; Op belangrijke gebieden, zoals buitenlandbeleid en fiscaal beleid blijft het vetorecht in stand; De Europese Raad krijgt een vaste voorzitter, in plaats van een halfjaarlijks wisselende voorzitter; Burgers krijgen een recht van petitie. Met een miljoen handtekeningen kan een niet-bindend voorstel aan de Europese Commissie worden gedaan; Er komt een minister van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie; Nationale parlementen krijgen meer macht door de subsidiariteitstoets: wanneer een derde van de nationale parlementen een wetsontwerp afkeurt omdat het te veel inbreuk maakt op de nationale soevereiniteit moet het worden heroverwogen. Het besluit kan dan echter wel weer opnieuw worden genomen. Het Europees Parlement wordt medebeslisser op aan aantal gebieden waarop ze dat nu nog niet is: landbouw, structuurfondsen en justitie, en binnenlandse zaken. Het parlement krijgt geen initiatiefrecht; Een land kan besluiten uit de EU te stappen; Meer transparantie. Zo dient de Raad van Ministers voortaan in het openbaar te vergaderen. Het Europees Parlement had deze verplichting al. Ook worden meer documenten openbaar, en worden in de lidstaten documenten raadpleegbaar voor alle burgers van de unie. De uitvoerende macht op het niveau van de EU, de Europese Commissie, vergadert net als de uitvoerende macht in de lidstaten (de regeringen) achter gesloten deuren. Desondanks menen tegenstanders dat voor de EU hogere transparantie moet gelden dan voor hun eigen regeringen. De Europese Commissie zal in de toekomst slechts een 17-tal leden meer bevatten. Een zetel in de Commissie voor elk land bij de Europese Unie (27 leden) bemoeilijkt het overleg en samenwerking. Dat betekent dat een land de kans heeft een jaar geen vertegenwoordiger in de Commissie te hebben zitten en een volgend jaar weer wel.

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en nationale grondwet Het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa besprak deels andere zaken dan nationale grondwetten, omdat het ook moest vastleggen hoe de verhoudingen zouden liggen tussen de nationale overheden en de unie.

De grondwet wilde vastleggen dat wanneer wetten conflicteren het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa prevaleert. De lidstaten zouden hiermee expliciet de autoriteit van de Unie boven die van individuele lidstaten op gebieden waar de Unie beslissingen mag nemen, hebben erkend. Deze toevoeging aan het Verdrag onderstreepte bovendien nog eens de al bestaande situatie, waarin Europese autoriteit middels zaken als Europese richtlijnen voorgaat boven die van de individuele lidstaten.