Dit artikel beschrijft de geschiedenis van het kanton Genève.

Politieke leven in Genève in de 19e en de 20e eeuw

Franse periode (1798-1814)

Annexatie De annexatie van het kanton Genève bij de Eerste Franse Republiek werd bekrachtigd door een verdrag van 26 april 1798. Aan de ondertekening van dit verdrag ging een lange reeks van diplomatieke incidenten en ergerlijke grensmaatregelen vooraf, die ertoe hadden geleid dat de stad ingesloten geraakte door Frans gebied en militair door de Fransen werd bezet. Vanaf augustus 1798 was Genève gedurende 15 jaar de hoofdstad van het Franse departement Léman. De inwoners van Genève werden bovendien Franse staatsburgers.

Op bepaalde punten is het annexatieverdrag relatief gunstig voor de inwoners van Genève. Dankzij de Société économique en de Société de bienfaisance behielden ze de overhand over hun publieke instellingen en gebouwen, waaronder de kerk, het college, de academie, de tarwekamer, de spaarkas, het ziekenhuis enz. De streek werd vrijgesteld van de huisvesting van soldaten in privéwoningen en aanvankelijk ook van de dienstplicht. De eerste oproep voor dienstplichtigen van Genève zou pas plaatsvinden een dag na de Vrede van Amiens in 1802. Anderzijds moest de stad haar artillerie, munitie en vooral haar vestingwerken aan Frankrijk afstaan.

Bestuur Naast het oude grondgebied van Genève omvatte het departement Léman ook de steek van het Pays de Gex en het Juragebergte tot aan de vallei van de Valserine en de regio's Chablais, Faucigny en het noorden van Genevois. Het departement was verdeeld in drie arrondissementen, namelijk dat van Genève (met tien kantons), dat van Thonon (vier kantons) en dat van Bonneville (negen kantons). De stad en haar grondgebied vormden één kanton en had een eigen bestuur. Als hoofdstad en later als prefectuur van het departement was de stad Genève de residentie van de prefect en kreeg de stad burgerlijke en strafrechtelijke rechtbanken, een rechtbank van koophandel, een munthof, een postkantoor en een registratiekantoor. Het hof van beroep in burgerlijke en handelszaken was gevestigd in Lyon. Na de annexatie werd Genève eerst beheerst door Franse revolutionaire wetten en werd het daarna, net als de rest van het Eerste Franse Keizerrijk, onderworpen aan de Code napoléon (1804), de Code du commerce (vanaf 1808) en de Code pénal (vanaf 1811), die enkele wijzigingen in de gerechtelijke organisatie met zich meebrachten.

19e eeuw

Eerste jaren van het nieuwe kanton (1814-1846) miniatuur|Aankomst van de Zwitsers nabij Port-Noir op 1 juni 1814, naar een gravure van Jean DuBois.

De opname van de voormalige bisschoppelijke stad in de Zwitserse Confederatie in 1814 werd 100 jaar later, in 1914, gevierd als een evidentie, maar komt niettemin voort uit een complexe verstrengeling van soms vijandige tegenstellingen. Bovendien werd de beslissende impuls van de integratie in de Zwitserse Confederatie gegeven door de grootmachten die, na Napoleon te hebben verslagen, elkaar ontmoetten in Parijs en op het Congres van Wenen om de kaart van Europa te hertekenen. Om te voorkomen dat Frankrijk opnieuw zijn grenzen zou verruimen en gebruik zou maken van de Simplonpas om zich een weg te banen naar het Italiaanse schiereiland, was het noodzakelijk om Zwitserland te versterken en er de kleine citadel van Genève aan toe te voegen. In Genève echter werd dit voornemen evenwel niet onmiddellijk positief onthaald door de twee grote politieke autoriteiten ter plaatse. Enerzijds was er de Commission centrale du Léman, die was opgericht door de Oostenrijkse generaal Ferdinand von Bubna und Littitz, die in december 1813 de stad had bezet na het vertrek van de Franse troepen en die eerder de aanhechting bij Frankrijk genegen was. Anderzijds was er de zelfverklaarde voorlopige regering, aangevoerd door Ami Lullin en Joseph Des Arts, die hoopten dat Genève opnieuw de onafhankelijkheid zou verwerven. Uiteindelijk zouden de autoriteiten zich evenwel neerleggen bij de oplossing die door de grootmachten naar voren werd geschoven.

miniatuur|links|Territoriale uitbreiding van het kanton in de periode 1815-1816.

In 1814 grensde de republiek Genève echter niet aan de Zwitserse Confederatie, wat zou betekenen dat het kanton een Zwitserse enclave zou worden. Teneinde Genève om te vormen tot een Zwitsers kanton bleek het daarom noodzakelijk om het kanton territoriaal te verbinden met de Confederatie. Vervolgens zou het Tweede Verdrag van Parijs van 1815 de Franse gemeentes Versoix, Collex-Bossy, Pregny-Chambésy, Vernier, Meyrin en Le Grand-Saconnex toewijzen aan het kanton Genève. In 1816 kwam daar ten gevolge van het Verdrag van Turijn tussen Zwitserland en het koninkrijk Sardinië kwam daar nog Carouge bij, alsook een veertigtal gehuchten en dorpen die grensden aan de Sardijnse oever van het Meer van Genève. De verworven gebieden waren voornamelijk katholiek en landelijk. Door de toevoeging van deze zogenaamde communes réunies aan het kanton nam bevolking van Genève met 16.000 zielen toe maar bleef het kanton niettemin moeilijk verdedigbaar en kende het geen groot hinterland. Daarom werd er rond het kanton een vrijhandelszone ingesteld en viel Noord-Savoye eveneens onder de neutraliteit van Zwitserland. Deze wankele oplossing was het resultaat van moeizame diplomatieke onderhandelingen en compromissen. De vreemde afbakening van de Geneefse grenzen kwam bovendien voort uit de eis van invloedrijke protestanten uit Genève die, uit angst voor een toenemende katholieke invloed, slechts een minimale toename van het Geneefse grondgebied toestonden. Hun houding was een teken van de dubbelzinnigheid die met de integratie van Genève in de Zwitserse Confederatie gepaard ging: om haar eigenheid te bewaren, moest de stad Zwitsers worden, maar om Zwitsers te worden, moest de stad afzien van haar exclusief protestants karakter. De houding van de Geneefse autoriteiten en bevolking bleef in dit opzicht gedurende de hele Restauratie ambivalent.

De zelfverklaarde voorlopige regering verwierf legitimiteit door een petitie die meer dan 6.000 handtekeningen wist te verzamelen. De eerste taak van de voorlopige regering was het opstellen van een grondwet die door de Tagsatzung zou worden aanvaard en die onrusten zoals in de 18e eeuw wist te vermijden. Om te voldoen aan de vereisten van de Tagsatzung entte men de instellingen van het nieuwe kanton op die van andere Zwitserse kantons. De Staatsraad van Genève (Conseil d'Etat) zou de uitvoerende macht op zich nemen, terwijl de wetgevende macht zou rusten op de Grote Raad van Genève (Grand Conseil). De oriëntatie op Zwitserse systemen rechtvaardigde echter ook maatregelen om de orde te handhaven, zoals de afschaffing van de Algemene Raad (Conseil général). Bovendien werden drie mechanismen ingevoerd die het stemrecht van de bevolking inperkten en die tot dan toe ongebruikelijk waren in het kanton: ten eerste de loting, ten tweede de invoering van het cijnskiesrecht en ten derde de benoeming van een Corps rétenteur, een college dat bestond uit een 170-tal personen, pastoors, leraars, rechters enz., die 300 van de 600 kiesmannen aanduidden, wat diende als tegengewicht tegen het cijnskiesrecht.

miniatuur|Pellegrino Rossi

Toen in augustus 1814 de nieuwe grondwet bijna unaniem werd goedgekeurd, bedroeg de haast onoverkomelijke cijns 69,7 florijnen ofwel 20 Zwitserse livre. De cijns daalde tot 25 florijnen in 1819, tot 15 florijnen in 1832 en tot 7 florijnen in 1835, alvorens de cijns in 1842 volledig zou worden afgeschaft bij de herziening van de kantonnale grondwet. Deze aanzienlijke uitbreidingen van het electoraat duidden op de democratiseringsinspanningen die zich willens nillens voltrokken tijdens de Restauratie. Die inspanningen waren voornamelijk toe te schrijven aan een kleine liberale strekking binnen de Grote Raad. Door in te spelen op het logge karakter van een grote vergadering zoals de Grote Raad wisten enkele getalenteerde denkers zoals Étienne Dumont, Pierre-François Bellot en Pellegrino Rossi al snel overwicht te creëren om in te gaan tegen de eerste reactionaire leden van de Staatsraad uit de 19e eeuw. Nadat die de kantonnale regering rond 1825 hadden verlaten, werden hun plaatsen ingenomen door en jongere generatie van politici zoals Jean-Jacques Rigaud, die voorstanders waren van een meer representatieve Grote Raad en die een beleid van geleidelijke vooruitgang voerden. De hervormingen versnelden in de jaren 1830, waarna de administratie, de erediensten, het publiek onderwijs en het rechtswezen werden gemoderniseerd.

Het hervormingselan dat het kanton in die periode doormaakte, kwam niet alleen voort uit een generatiewissel of diepe liberale overtuigingen onder de kantonnale politici, maar ook uit hun opvatting over de rol van Genève binnen Zwitserland. Het jongste kanton zou zijn aansluiting bij Zwitserland waardig moeten laten blijken door zich te tonen als voorbeeld van vooruitgang. Tot in 1830 was er niet veel nodig om zich als een vernieuwend kanton te tonen, aangezien in Genève nog heel wat wetgeving gold uit de Franse periode die minder conservatief was dan de wetgeving in heel wat andere kantons. Zo was de grondwet van Genève in die tijd bijvoorbeeld de enige kantonnale grondwet die de persvrijheid waarborgde. Nadat echter andere kantons tijdens de zogenaamde Regeneratie hun grondwetten zouden herzien, verkleinde de progressieve voorsprong van Genève. Het is in die context dat Jean-Jacques Rigaud een nieuwe hervormingsgolf op gang zou brengen.

miniatuur|links|James Fazy

Met het verdwijnen van de grote liberale denkers en de massale opkomst van conservatieven vertraagde de innovatieve impuls in het kanton, tot ongenoegen van de radicalen, die het steeds moeilijker kregen om hun mening te laten horen. Aan het begin van de jaren 1840 probeerden zij met een vereniging genaamd Trois Mars de politieke situatie de deblokkeren door kritiek te uiten op de institutionele vertraging die het kanton had opgelopen en haar onvermogen om het voorbeeld van democratisering te tonen aan de overige kantons en door de bevolking op te roepen om de wapens op te nemen. Uiteindelijk brak er op 22 november 1841 een vreedzame revolutie uit, waarbij er geen geweld aan te pas kwam. De revolutie leverde een gemengd resultaat op. De iure kwam deze tegemoet aan de verzuchtingen van de radicalen, met name door de invoering van het algemeen stemrecht voor mannen en de afschaffing van de cijns. De facto wekte de revolutie echter bij heel wat mensen een slecht geweten op. Verschillende politieke leiders maakten een duidelijke bocht naar rechts, terwijl de burgers van hun nieuwe politieke rechten profiteren om conservatieven te kiezen die ernaar streven de gevolgen van de revolutie te neutraliseren. Toen de Staatsraad in het midden van de jaren 1840 standpunt diende in te nemen in enkele prangende religieus-politieke kwesties binnen de Confederatie, nam de regering slechts voorzichtig standpunt in tegen de vrijkorpsen en wist ze de vorming van de Sonderbund niet te veroordelen. Begin oktober 1846 hernam het radicale kopstuk James Fazy de argumentatie van de revolutie van 1841 en riep hij de bevolking op om de macht te grijpen zodat het kanton zich tegen de Sonderbund zou kunnen verzetten en haar rol als politiek voorbeeld zou kunnen hernemen. Op 7 oktober 1846 leidden het verlies aan steun onder de katholieke bevolking, de desertie van de militie en de vasthoudendheid van de rebellen, die vaak uit andere kantons emigreerden, uiteindelijk tot de val van de zittende machthebbers en het einde van de Restauratie in het kanton Genève.

Het radicale bewind (1847-1914)