miniatuur|De retourvloot van Wollebrand Geleynsz de Jongh vertrekt uit Batavia in januari 1648.De retourvloot was de vloot van schepen van de VOC die vanuit Azië terug naar Nederland voer, volgeladen met daar verkregen goederen voor de Europese markt.
Rendez-vous In de vroegste periode van de VOC voeren schepen terug naar Nederland zodra hun ruim vol was, maar om versnippering en inefficiëntie tegen te gaan was sinds 1619 Batavia het rendez-vous in Azië, ofwel de centrale stapelmarkt en overslaghaven, zoals de Republiek dat was in Europa. In Batavia zetelde ook het centraal bestuur in Azië: de gouverneur-generaal en de Raad van Indië, ook wel de Hoge Regering genoemd. Van overal in Azië werden goederen naar Batavia vervoerd en opgeslagen, waarna ze of elders in Azië werden verhandeld, of met een retourvloot naar Nederland gebracht. Door in konvooi te varen hadden de schepen meer kans het thuisland veilig te bereiken. Later vertrokken er ook retourvloten vanuit andere locaties, met name vanuit Galle in Ceylon, met producten uit de westelijke regio, en uit Bengalen en Kanton met producten uit die regio's. Voor iedere retourvloot werd een bevelhebber aangesteld met de titel admiraal of commandeur. Dit was een hooggeplaatste VOC-medewerker die repatrieerde. Zijn aanstelling was een beloning voor bewezen diensten. Na aankomst in de Republiek moest hij verslag uitbrengen in de vergadering van de Heren XVII, waar hij een gouden keten met penning kreeg uitgereikt. Daarna bracht hij ook verslag uit in de vergadering van de Staten-Generaal. miniatuur|De retourvloot van 1641 op de rede van Batavia. Links vermoedelijk de commandeur Jakob Martensen die de vloot thuisbracht als opvolger van de onderweg overleden Barent Pietersz. Grotenbroek. Na 1700 was het in Azië niet zo belangrijk meer om in konvooi te varen, maar voor de veiling van de goederen in de Republiek was een regelmatige en voorspelbare aankomst van belang, dus wachtten de schepen op elkaar aan de Kaap de Goede Hoop, en vervolgens op instructies vanuit de Republiek, om samen het tweede deel van de tocht te beginnen. Aan de Kaap kon ook vers proviand worden ingeslagen. Vanaf 1742 wilden de Heren XVII dat er niet meer dan twee retourvloten per jaar in de Republiek zouden arriveren.
De schepen waarmee gevaren werd waren vooral fluitschepen, en later in toenemende mate spiegelretourschepen van 500 tot 1000 ton, met een grote ladingcapaciteit en een aanzienlijke vuurkracht. In haar bestaan zond de VOC 4721 schepen naar Azië, waarvan er 3356 terugkeerden. De meeste schepen die niet terugkwamen bleven varen in het handelsnetwerk binnen Azië tot het einde van hun levensduur. Slechts een klein percentage verging onderweg. In totaal gingen er met de schepen bijna een miljoen VOC medewerkers naar Azië, waarvan slechts een derde terug kwam.
1640-1795 +Schepen naar Batavia en terug in de periodeJarenUitTerugJarenUitTerug1640–1650165931720–17303823181650–16602051031730–17403753111660–16702381271740–17503142351670–16802321331750–17602912451680–16902041411760–17702922331690–17002351561770–17802902451700–17102801931780–17902761951710–17203112441790–179511975
Over de Indische Oceaan naar de Kaap miniatuur|Kaap de Goede Hoop. De terugreis naar Nederland was een gemakkelijker tocht dan de heenreis. De schepen konden de hele reis voor de wind varen, en ook de stromingen vloeiden allen in dezelfde richting. Ook rond de evenaar zorgde de stroming er voor dat de schepen door de zone van lage luchtdruk heen kwamen. Alleen het stuk tussen Mauritius en de Kaap de Goede Hoop kon in de periode januari tot maart gevaarlijk zijn vanwege cyclonen. Ook de toegang tot de Tafelbaai was berucht om schipbreuken, maar eenmaal binnen was men veilig. De gemiddelde reisduur tot aan de Kaap was 3 maanden. De gemiddelde verblijfsduur aan de Kaap was een maand. De bemanning van de schepen was meestal maar een derde van die van de heenreis. Voldoende om het benodigde werk te doen.
Van de Kaap naar huis Vanaf de Kaap koersten de schepen ten oosten van Sint-Helena en daarna met volle zeilen noordwestelijk langs de Azoren en dan richting het Kanaal. Vanaf 1628 moesten ze van de Heren XVII om Schotland heen varen, om de Duinkerker kapers te vermijden en de schepen ook geen gelegenheid te geven Engelse havens aan te doen. Men was bang voor particuliere handel en de Engelse autoriteiten zorgden vaak opzettelijk voor vertragingen. Om de bezwaren van de bemanningen tegen deze langere route tegemoet te komen kreeg iedereen een paar maanden extra gage. In 1660 werd met de Admiraliteiten overeen gekomen dat enkele oorlogsschepen de vloot zouden begeleiden vanaf de Shetlandeilanden. De gemiddelde reisduur vanaf de Kaap was zo'n 4 maanden.
Risico's miniatuur|Schipbreuk op de kust. De Oost-Indiëvaarders hadden meestal veel te lijden onder slijtage, zeker als ze ook deelnamen aan de inter-Aziatische handel. Aanwas van schelpdieren en zeepokken op de romp van de schepen ging continu door en ging ook ten koste van de snelheid.Eind 18e eeuw begon men de schepen te 'koperen'. Het deel van de romp dat zich onder water bevond werd bedekt met koperen platen. Dit ging paalworm en de aangroei tegen, waardoor de schepen sneller zeilden en langer meegingen. Daar stond tegenover dat de platen duur en kwetsbaar waren. In Azië werd geen groot reparatiewerk verricht. Ook waren de schepen op de terugreis vaak zwaar- of zelfs overbeladen. Het aantal schepen dat de reis niet volbracht was daarom twee keer zo hoog als bij de heenreis. Toch waren het er maar 141 in de hele periode dat de VOC bestond. 72 gingen verloren in de Indische Oceaan, vooral rond Mauritius. 13 leden schipbreuk op de Hollandse en Zeeuwse kust. Ook oorlogshandelingen waren een risico. 28 schepen werden veroverd door de vijand, waarvan 24 door de Engelsen en de andere door de Portugezen en de Fransen. In totaal is maar 5 procent van de retourschepen van de VOC verloren gegaan aan schipbreuk of oorlog. +Aantallen schepen verloren op de thuisreis JarenSchipbreukVeroverd% van het totaal% van het totaal1602–1624614,90,81625–1649512,50,51650–16741063,421675–16991313,60,31700–1724162,71725–1749446,31750–1774223,71775–179525195,34 +Totalen1602–16993493,40,91700–1795197194,50,8
Inter-Aziatische handel miniatuur|VOC schepen op de rede van Batavia. In Azië waren Europese producten vaak niet gewild of te duur, zodat de schepen die naar Azië voeren geladen waren met ballast van bouwmaterialen en zwaar beveiligde kisten met gemunt en ongemunt zilver en goud, waarmee de Aziatische producten betaald werden. Daar kwam bij dat de bedrijfskosten van de VOC, in de vorm van garnizoenen, bestuursambtenaren, onderhoud van forten en militaire campagnes, steeds groter werden. Om de handel op Azië zichzelf zoveel mogelijk te laten bedruipen was een uitgebreid inter-Aziatisch handelsnetwerk opgezet, waarmee de VOC een belangrijke rol kwam te spelen in de distributie van goederen en de culturele uitwisseling tussen Europa, Perzië, India, Bengalen, de Indonesische archipel, China en Japan. Zo werd bijvoorbeeld Chinese en Bengaalse zijde in Japan geruild tegen goud, zilver en koper, waarmee men textiel kocht in India, die men in de archipel weer verhandelde voor specerijen voor de Europese markt en India. Dit handelsnetwerk was tot 1690 zeer winstgevend. In de periode 1640-1680 was de VOC in Azië niet alleen zelfvoorzienend, maar kon 20 procent van de retourladingen betaald worden met opbrengsten uit de handel in Azië. De aan de aandeelhouders uitgekeerde dividenden werden zelfs geheel gedekt door de in Azië gemaakte winst. Na 1690 leverde het handelsnetwerk echter verliezen op, die vanuit de Republiek moesten worden goedgemaakt. De inkomsten bleven wel licht stijgen, maar de uitgaven stegen nog meer. De oorzaak lag vermoedelijk in de steeds stijgende bedrijfskosten en de verstoring van de handel door regionale oorlogen in Perzië, India en Maleisië. De uitvoer van goud en zilver naar Azië was halverwege de 18de eeuw het zesvoudige van die in het begin van de 17de. +De financiële resultaten van de VOC in Azië, afgerond op honderdduizenden guldens JarenUitgavenInkomstenWinstVerlies1621–163017.400.00018.300.000900.0001631–164016.400.00028.400.00012.000.0001641–165027.000.00037.400.00010.400.0001651–166038.400.00040.700.0002.300.0001661–167041.500.00057.900.00016.300.0001671–168044.900.00047.300.0002.400.0001681–168835.700.00038.700.0003.000.0001689–170069.000.00058.700.00010.300.0001701–171055.800.00044.300.00011.500.0001711–172063.400.00054.200.0009.200.0001721–173058.200.00044.900.00013.300.0001731–174074.900.00054.200.00020.700.0001741–175081.800.00070.000.00011.000.0001751–176082.700.00074.600.0008.100.0001761–176867.000.00049.200.00017.800.0001769–178088.500.00058.400.00030.100.0001781–1790100.400.00050.000.00050.400.000
Opbrengst miniatuur|Schepen op het IJ. In de beginjaren bestond de lading van de retourschepen vooral uit de fijne specerijen: peper, kruidnagels, nootmuskaat, foelie en kaneel. In de laatste vier, die alle op eilanden groeiden, verwierf de VOC door bondgenootschappen met de inheemse vorsten grotendeels een monopolie, waardoor, in combinatie met voorraadbeheer, het aanbod op de beperkte Europese markt gereguleerd kon worden. Het doel was een stabiele vaste prijs op een niveau waarop ook op de langere termijn winst gemaakt kon worden, maar niet zo hoog dat het concurrentie en smokkel stimuleerde of de afzet deed wegvallen. Later werd het aandeel van andere producten, met name koffie, thee en textiel, steeds groter. Omdat hier sprake was van concurrentie waren deze veel minder winstgevend. Het aandeel van de monopolieproducten daalde in de 18de eeuw tot ver onder de 10 procent. Door aanbodproblemen als gevolg van regionale oorlogen en natuurgeweld stegen echter de verkoopprijzen, dus bleef hier de grootste winst mee gemaakt worden. In de periode 1738-1740 maakten ze nog maar 6,1% van de totale inkoopwaarde van de retouren uit, maar in de waarde van de verkopen van de kamer Amsterdam (die ongeveer de helft van alle VOC goederen verkocht) 23,5%. Eind 18de eeuw waren die percentages 3% en 24%. Vandaar dat veel belang werd gehecht aan het handhaven van de monopolies. Na het uitbreken van de Vierde Engelse Zeeoorlog en nogmaals oorlog met Engeland tijdens de Franse bezetting van de Republiek stortte de handel in. Retourvloten konden jarenlang niet terugkeren of werden veroverd door de Engelsen. De VOC was steeds meer afhankelijk geworden van kortlopende leningen in plaats van aandelenkapitaal. Toen deze niet meer afbetaald konden worden moest een beroep worden gedaan op de staat, wat leidde tot staatstoezicht en aan het einde van de eeuw tot nationalisatie. +Waarde van de retouren naar inkoopprijs in honderdduizenden guldens JarenWaarde1613-16207,41620-163015,31630-164021,61640-165025,61650-166026,81660-167031,41670-168033,71680-169045,31690-170044,21700-171055,11710-1720651720-173087,21730-174068.91740-175072,31750-176088,21760-177089,91770-178078,11780-179055.61790-179519,7Totaal:1613-1795931,3 +Samenstelling van de verkochte goederen door de Kamer Amsterdam naar verkoopwaarde in de periode 1668 – 1670 ProductenPercentagePeper29Kruidnagelen, nootmuskaat, kaneel en foelie28,5Textiel, zijde en katoen24Overig, o.a. Salpeter, suiker, indigo en koper18,5 +1738 – 1740 ProductenPercentageTextiel, zijde en katoen28,5Thee en koffie25Kruidnagelen, nootmuskaat, kaneel en foelie23,5Overig, o.a. Salpeter, suiker, indigo en koper12Peper11
Betekenis voor de Republiek miniatuur|Scheepswerf van de VOC in Amsterdam.