Manuscript in een kliniek gevonden is een novelle van de Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans, geschreven in 1944 en voor het eerst gepubliceerd in 1950 in het tijdschrift Podium.

De naamloze ik-verteller ligt met verband om zijn hoofd in een kliniek vanwege een explosie in zijn oor. Vanuit zijn kamer heeft hij uitzicht op een schoolplein, waar een eenzame jongen hem doet terugdenken aan zijn eigen schooltijd, twintig jaar eerder, waar hij voortdurend gepest werd. In 1953 werd de novelle opgenomen in de verhalenbundel Paranoia. Het verhaal is veel bestudeerd en behoort tot de bekendste novellen uit het oeuvre van de auteur. Dezelfde schoolperiode wordt beschreven in het autobiografische Richard Simmillion-verhaal 'De elektriseermachine van Wimshurst' uit 1967.

In de novelle is de lagere school herkenbaar die Hermans zelf doorliep. Omdat het een ik-vertelling is waarbij de ik zich als schrijver opvoert, wordt in de interpretatie van het verhaal ook het vertellen zelf en de verhaalcompositie in elf onderdelen die in niet-chronologische volgorde staan, opgevat als een handeling van de hoofdpersoon. De wijze waarop in dit verhaal het vertelperspectief wordt ingezet, staat bekend als een belangrijke stap in de ontwikkeling van de auteur. Opvallende elementen uit de constructie zijn de overeenkomsten die de ik-figuur met zowel Christus als Judas vertoont en de overeenkomsten van de school met de hel uit De goddelijke komedie van Dante. De thematiek behelst onder meer de legitimatie van een eigen werkelijkheidsconceptie, grootheidswaan en misverstanden die voortspruiten uit talig onbegrip.

Achtergronden Autobiografisch De school in Manuscript in een kliniek gevonden is gebaseerd op de lagere school die de auteur doorliep. In het gebouw zaten vier scholen, waarvan alleen de naam van de Rhijnvis Feithschool in de novelle gehandhaafd bleef. Hermans zelf bezocht de Pieter Langendijkschool en een van de andere scholen was vernoemd naar Justus van Effen.Otterspeer (2013), 78 Ook de bijnaam 'Stijve Jezus' die de ik-verteller van zijn klasgenoten krijgt, is op werkelijkheid gebaseerd: Hermans werd zo genoemd omdat hij een houterig en betweterig jongetje was.Otterspeer (2013), 82

Volgens Hermans' biograaf Willem Otterspeer is de novelle een minder direct autobiografische tekening van de schoolperiode van de auteur dan de latere novelle 'De elektriseermachine van Wimshurst'. In Manuscript in een kliniek gevonden zijn elementen uitvergroot, al heeft de auteur in en interview de waarheidsgetrouwheid bevestigd van de stank van de weeskinderen en op de smerige toiletten.Otterspeer (2013), 77-79

In een brief aan zijn vriend Freddy de Vree schreef Hermans over Manuscript in een kliniek gevonden:

Het heeft in zoverre een autobiografische basis, dat ik eens, om mezelf gewichtiger te maken dan ik was, op mijn zesde jaar krachtig gelogen heb: ik was getuige geweest van iets wat niemand anders gezien had. Ik werd snel ontmaskerd en dit beschaamde mij zó enorm, dat ik, daardoor waarschijnlijk, een onoverwinnelijk wantrouwen heb gekregen tegen opschepperij van mezelf en een pathologische angst voor opschepperij van anderen. Zonder dat zou ik me b.v. over Weinreb wel niet zo druk gemaakt hebben, misschien.Deze brief is afgedrukt in De Vree (2002), 62

Ook de locatie van het verhaal is bekend. In dezelfde brief staat: 'Ik heb er toen, in november 1944, ook een illustratie bij gemaakt, die feitelijk een portret van mijzelf is, op het balkon van mijn ouderlijk huis.'Huygens Instituut (2006), 641 Deze tekening werd in 1969 opgenomen in de autobiografische publicatie Fotobiografie.Huygens Instituut (2006), 642

Bronnen voor de slogan en het liedje De slogan 'Seid einig, Seid einig' die in Gothische letters op de riem van een Oostenrijkse leerling staat gegraveerd, was volgens Hermans 'de spreuk van de oude Oostenrijks-Duitse monarchie; die spreuk stond op oude postzegels van voor de Eerste Wereldoorlog'.Geciteerd bij De Vree (2002), 64 De spreuk diende om het rijk bij elkaar te houden, wat Hermans overbracht op de riem, want 'een riem dient toch om mensen een beetje bij elkaar te houden.' Bovendien achtte Hermans de spreuk toepasselijk voor de verhaalsituatie omdat het daarin om één, van anderen geïsoleerde leerling gaat.De Vree (2002), 64

Ongeveer vijf bladzijden voor het einde is Annie de Koning tijdens het speelkwartier het middelpunt van een spelletje. De ik-verteller begrijpt niet goed hoe dat verloopt en daardoor de lezer ook niet. Hermans heeft later toegelicht dat het gaat om de uitbeelding van 'een oud volksliedje',Geciteerd bij De Vree (2002), 65 waarvan de tekst als volgt is:

Maria zat op enen steen in een weideland. Ze hield haar ogen in haar hand en schreide dood-alleen.

Toen kwam haar lieve moeder aan met vleugels aan haar rug. Zij vroeg: Mijn kind wat scheelt eraan? En ging dan weer terug.

Toen liep haar vader over 't pad die haar hetzelfde vroeg. Maria zei: Ik schrei omdat ik morgen sterven moet.

Toen kwam de boze jagersman zijn baard was lang en zwart. Hij trok een bloedig jagersmes en stak dat in haar hart.

Nu zullen we haar begraven gaan al onder enen steen. Nu zullen we haar begraven gaan, want anders doet het géén.Tekst uit De Vree (2002), 66

Samenvatting

De ik-verteller, een dokterszoon waarvan de moeder overleden is, zat als kleine jongen op de Fokke Simonszschool. Hij zag niet hoe op een dag, tijdens het speelkwartier, twee jongens aan het vechten waren en eentje met een ziekenwagen afgevoerd moest worden, omdat de ander hem met een ijzeren schop, waarmee in de zandbak gespeeld wordt, had neergeslagen. Dezelfde middag komt het hoofd van de in hetzelfde gebouw gehuisveste Reyer Ansloschool, met een gezicht in 'de kleur van gerookte zalm, waarop zijn blonde baardstoppels zout strooiden', vragen of iemand het 'ongeluk' heeft zien gebeuren. 'Ook ik had niets gezien, maar ik wist.' De ik-verteller steekt zijn hand op en loopt naar het hoofd, 'een stralenkrans van waarheid om mijn hoofd'. Het hoofd vraagt de verteller om 'hem' aan te wijzen.

Samen lopen ze alle klassen af, 'maar er was geen enkele jongen die mij beviel en zodoende zag ik de schuldige niet.' In de allerlaatste klas, helemaal bovenin, wijst hij iemand aan: 'Ik koos een doodsbleke jongen met rood krullend haar.' De jongen ontkent en de ik moet in zijn eentje weer naar beneden. Hij daalt helemaal af tot de urinoirs in de kelder.

Tijdens de lessen wordt de ik-verteller tijdens het zingen vooraan gezet; verder zit hij naast een Oostenrijkse jongen, zijn gezicht bleek 'als een groezelig laken', die altijd naar urine ruikt en onophoudelijk zweet. Hij draagt de kleren van zijn vader, waaronder een riem met een slot in de vorm van een adelaar waarop in Gotische letters de spreuk staat: 'Seid einig, einig, einig.' Deze jongen valt de verteller lastig 'met het vreemde woord dat ik niet bevatten kon.' De hele school weet dat hij het woord niet kent, ook al wordt voor hem getekend wat het betekent. De onderwijzeres schrijft het op het schoolbord. Hij moet het uitspreken, maar weet nog steeds de betekenis niet, waarop zij hem aan zijn oor trekt. Dan schrijft zij op een briefje DOMOOR, knipt met een schaar een gedeelte van zijn oorschelp af en stelpt het bloeden door het briefje erop te plakken.

Niemand wil meer met de ik-persoon spelen, zelfs de weeskinderen pesten hem. De weeskinderen doen in het speelkwartier altijd een spelletje in een kring met Annie de Koning als middelpunt. De kinderen zingen een liedje waarbij Annie iets uitbeeldt, maar de ik-persoon kan niet uitmaken wat. Wel hoort hij dat het einde gaat over begraven en een engel worden. Op een dag zet de onderwijzeres Annie tegen de muur, 'als straf voor iets wat zij onmogelijk kon hebben misdreven.' Annie mag niet bewegen, maar 'uit vrees voor de gruwelijke dorens van de klimroos' beweegt zij toch en moet buiten blijven. Om twaalf uur, als de school uitgaat, wil de ik-persoon naar haar gaan kijken maar moet vluchten voor de andere klassen die hem naar huis jagen.

Hij vraagt zijn vader Annie te helpen, maar die luistert niet. 's Avonds gaat de ik-persoon naar de school om Annie op het plein te zien staan. Hij ziet haar niet, de deuren zijn dicht, maar hij hoort haar iets roepen wat hij niet begrijpt. Ook de volgende ochtend staat zij nog op het plein. Haar oogwit is verdwenen en 'overal op haar gezicht ontsprongen tranen' die haar kleding doorweken alsof zij uren in de regen staat. Naarmate de schoolkinderen arriveren wordt hij uit haar buurt verdreven. Die avond gaat hij weer naar het plein. Er is storm die de lantarens stukwaait en de ramen te pletter doet vallen.

De volgende dag is Annie verdwenen. Kort daarna sterft de vader van de ik-persoon, die geen verdere familie heeft en bij vreemde mensen in huis komt. Ook hij is nu dus een weeskind. Toch wordt hij niet in hun midden opgenomen. Hij begrijpt het Woord niet en zij hebben de Waarheid niet aanvaard want de bleke jongen loopt nog steeds rond.

Ik had nu alles geprobeerd. Geprobeerd het WOORD te begrijpen, hún Woord, met mijn oor had ik ervoor betaald, daarna had ik mijn Waarheid aangetoond. Tenslotte waren mijn ouders doodgegaan. Het had mij allemaal niets geholpen.

Hij moet het opnemen tegen negenhonderd anderen. In een strenge winter was alles met ijs bedekt. 'Alles was wit en eindelijk tot rust gekomen'. De jongens duwen hem tegen de gaskachel in de klas, waardoor zijn huis vol brandwonden zit. In het hoofd van de Reyer Ansloschool ziet hij nu de zon. Het haar en de baard van het hoofd is uitgegroeid 'tot pennen als van een stekelvarken, meters en meters lang.' Zij waren onbuigzaam, 'zij ritselden als droog riet.' Ook die dag wordt de ik-persoon achtervolgd door de andere kinderen. Hij valt, wil opstaan, maar wordt door de witte jongen met het rode haar neergedrukt. Hij grijpt de jongen vast en samen wentelen ze een slag om, in het midden van de poort. De ik-verteller duwt de jongen neer op de pen die uit de grond steekt, waarop hij in 'een aureool van bloed' komt te liggen. Hij stapt op en loopt weg, ongehinderd door de anderen. 'Zij zagen mij in mijn verblindende compleetheid. Want slechts hij is waarlijk een god, die is Absoluut en Alles, slachtoffer en slachter, Zaligmaker en Satan tegelijk.'

In een kliniek ligt de ik-verteller, die zich voorstelt dat de zusters 'vol verering' voor hem zijn, omdat hij 's avonds zijn hand op de wang van de maan legt. Hij had de gewoonte lucifers in zijn oor te steken alvorens die af te strijken. Op een dag stopten zijn medeleerling een fosforlucifer in het doosje, dat in zijn oor tot ontbranding kwam. Hij wijt deze pesterij eraan dat zijn medeleerlingen weten dat hij 'de Waarheid' kent. Volgens hem dachten ze dat hij alles hoorde zodat ze zijn gehoor uitschakelden. Hij ontwaakt in het gasthuis, waar hij op een zaal ligt. Uit zijn oor steekt een buis die groene vloeistof uit zijn oor opvangt. Hij hecht geen geloof aan de dokter dat zijn oor wellicht helemaal herstelt. Er is 'jaren geleden' al eens een 'scherf' van het oor gebroken. Maar dat vertelt hij later. 'Want ik vertel alles in volgorde, ik houd vast aan een ijzeren systematiek, neen ijzer niet, een ander, bovenwereldlijk, kosmisch metaal, een systematiek die mij in staat stelt alles te doorzien.'

Als de buis op een dag uit zijn oor valt, rukt hij het verband van zijn hoofd. Daarop komt een grote witte worst, 'dooraderd met bloed', uit zijn oor. De daarmee gepaard gaande stank doet hem voor het eerst in twintig jaar walgen en hij gooit het spiegeltje waarin hij zijn oor bekijkt, tegen het plafond aan scherven. Hij meent dat zijn andere oor scherper gaat horen.