De Krijgsmacht van Albanië (Albanees: Forcat e Armatosura të Republikës së Shqipërisë) is het leger van Albanië. Het werd opgericht na de onafhankelijkheid van Albanië in 1912. Het bestaat uit de generale staf van Albanië, de Albanese landmacht, de Albanese luchtmacht, de Albanese marine en het militair politiekorps van Albanië.

Volgens de Albanese grondwet moeten de Albanese strijdkrachten het territoriale gebied van het land beschermen, aanwezig zijn in bedreigde gebieden, de bevolking bijstaan in geval van natuurrampen, industriële rampen, waarschuwen voor de gevaren van militaire en niet-militaire aard en deelnemen aan internationale missies van organisaties waarbij het aangesloten is. De president van Albanië is de opperbevelhebber van het leger. Zijn bevoegdheden als opperbevelhebber worden uitgeoefend via de minister van defensie. De stafchef is de hoogste officier binnen de Albanese strijdkrachten.

De belangrijkste conflicten vonden tot op heden plaats gedurende de Vlora-oorlog, de Italiaanse invasie van Albanië, de Albanese verzetsstrijd en tijdens de Albanese anarchie van 1997. Tot medio de 20e eeuw werden op kleinere schaal conflicten uitgevochten met Griekse- en Joegoslavische-strijdkrachten.

Geschiedenis Op 4 december 1912, enkele dagen na de Onafhankelijkheid van Albanië, stichtte Ismail Qemali samen met zijn regering het nationale leger van Albanië.

Tijdens de Vlora-oorlog van 1920 namen Albanese militairen deel aan de strijd tegen de Italiaanse bezetting van Vlora; de Italianen trokken zich uiteindelijk terug uit Albanië. In 1927 bestelde het Albanese leger in Italië 20.000 geweren, 40 bergkanonnen, 120 machinegeweren en andere wapens. In 1927 telden de Albanese strijdkrachten ruim 8.000 soldaten. Deze troepen waren verdeeld over drie groepen, die waren gestationeerd in Tirana, Shkodër en Berat. De Italiaanse invloed op de Albanese strijdkrachten was groot; iedere groep stond onder leiding van een Italiaanse kolonel en beschikte over een Italiaanse officier. Van 1928 tot 1939 stond het Albanese leger onder het bewind van Zog I van Albanië en bleef de Italiaanse militaire invloed aanzienlijk.

Daarnaast raakte Albanië in de jaren na de Eerste Wereldoorlog betrokken bij gewapende grensconflicten met Joegoslavische strijdkrachten, waaronder de gevechten van 1921. Ook waren er in de eerste helft van de twintigste eeuw gewapende confrontaties met Griekse troepen die in Zuid-Albanië (Noord-Epirus) aansluiting bij Griekenland nastreefden.

Na de Italiaanse invasie van Albanië in 1939 werd het land onderdeel van het Italiaanse rijk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het Albanese leger grotendeels geïntegreerd in de door Italië gecontroleerde militaire structuren. Deze met de Asmogendheden-samenwerkende Albanese eenheden trachtten het behoud van een territoriaal Groot-Albanië; hoewel de grootste misdaden werden gepleegd door Albanese milities, ondersteunden de veiligheidstroepen de vervolging van etnische minderheden. Hierna ontstonden Albanese verzets- en partizaneneenheden die de strijd tegen de Italiaanse en later Duitse bezetting voortzetten. Tegen de Duitse troepen werd vooral in 1943 en 1944 gevochten, waarbij Albanese verzetsstrijders een belangrijke rol speelden bij de bevrijding van het land. De met Italië en Duitsland-collaborerende Albanese troepen werden verslagen en verdreven door communistische strijdkrachten.

Na de oorlog werd in 1946 het Albanese Volksleger opgericht. Het Albanese Volksleger beschikte over ongeveer 60.000 actieve militairen en honderden duizenden reservisten. Onder het communistische bewind van Enver Hoxha werden in het hele land duizenden bunkers aangelegd. Het leger bereikte tijdens de Koude Oorlog zijn grootste omvang en werd aanvankelijk ondersteund door de Sovjet-Unie en later door de Volksrepubliek China. Na het verbreken van de betrekkingen met China in de jaren zeventig werd Albanië grotendeels militair en politiek geïsoleerd.

Na de val van het communisme in Albanië in het begin van de jaren negentig werd het leger geleidelijk hervormd en verkleind. Tijdens de Albanese anarchie van 1997 raakte het staatsapparaat in grote delen van het land ontwricht nadat het instorten van verschillende piramidespelen tot grootschalige rellen en gewapende opstanden had geleid. Op 1 maart nam premier Aleksandër Meksi ontslag en op 2 maart riep president Sali Berisha de noodtoestand uit. De onrust breidde zich uit naar verschillende delen van het land, terwijl in het zuiden grote gebieden onder controle kwamen van gewapende groepen. Op 28 maart autoriseerde de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties met Resolutie 1101 een internationale troepenmacht, Operatie Alb, om humanitaire hulp te beschermen en de openbare orde te ondersteunen.

In dezelfde periode escaleerde het conflict in Kosovo tussen het UÇK, ofwel het Bevrijdingsleger van Kosovo, en de strijdkrachten van de Federale Republiek Joegoslavië. De Albanese bevolking in Kosovo beschikte niet over een eigen regulier leger en het UÇK fungeerde als gewapende onafhankelijkheidsbeweging. Albanië ondersteunde het UÇK onder meer met wapens en munitie en stelde zijn grondgebied beschikbaar voor de training en bevoorrading van UÇK- strijders. Tijdens de NAVO-bombardementen op Joegoslavië in 1999 werkte het Albanese leger samen met NAVO-eenheden en werd onder meer vanuit Albanië militaire ondersteuning verleend. De Albanese commandant Kudusi Lama was betrokken bij de coördinatie van Albanese militaire activiteiten rond de Slag bij Košare. Na Operatie Allied Force trok het Joegoslavische leger zich uit Kosovo terug. Albanië ving gedurende de oorlog een groot aantal Kosovaarse vluchtelingen op.

Albanië trad op 1 april 2009 toe tot de NAVO. Sindsdien zijn de Albanese strijdkrachten verder hervormd en gemoderniseerd, onder meer op het gebied van opleiding, commandostructuur en materieel. De strijdkrachten ontvangen militaire en financiële ondersteuning van verschillende NAVO-bondgenoten, waaronder Duitsland, Italië en de Verenigde Staten. Albanese militairen nemen daarnaast deel aan internationale vredesmissies en NAVO-operaties. De dienstplicht werd in 2010 afgeschaft, waarmee de Albanese strijdkrachten volledig op vrijwillige basis gingen functioneren. De minimumleeftijd voor militaire dienst is 18 jaar.

Commandanten In Albanië is de stafchef de hoogste officier van de strijdkrachten. Deze wordt benoemd door de president van Albanië, die tevens opperbevelhebber van het Albanese leger is.

Lijst van de stafchef sinds de onafhankelijkheid in 1912: Nr. Stafchef van de Generale Staf Shef i Shtabit të Përgjithshëm Ambtstermijn 1 Luitenant-kolonel Shefqet Shkupi 4 mei 1913 november 1920 2 BrigadegeneraalAli Riza Kolonja november 1920 december 1921 3 MajoorXhavit Leskoviku december 1921 juni 1923 4 MajoorBajram Fevziu juni 1923 24 december 1924 5 GeneraalGustav Mirdashi 18 januari 1925 7 april 1939 6 Generaal-majoorSpiro Moisiu 10 juli 1943 augustus 1946 7 Kolonel-generaalMehmet Shehu augustus 1946 28 januari 1948 8 Luitenant-kolonel Beqir Balluku 28 januari 1948 1952 9 Luitenant-kolonelPetrit Dume 1952 juli 1974 10 Luitenant-kolonelArif Hasko 1954 1956 11 GeneraalSami Meçollari juli 1974 december 1974 12 GeneraalVeli Llakaj december 1974 13 oktober 1982 13 GeneraalKiço Mustaqi 13 oktober 1982 februari 1991 14 KolonelHalim Abazi februari 1991 juni 1991 15 GeneraalKostaq Karoli juni 1991 augustus 1992 16 GeneraalIlia Vasho augustus 1992 1994 17 GeneraalSheme Kosova 1994 2 maart 1997 18 Generaal-majoorAdem Çopani 2 maart 1997 augustus 1997 19 BrigadegeneraalAlëks Andoni augustus 1997 2000 20 GeneraalPëllumb Qazimi 2000 2006 21 Luitenant-kolonelLuan Hoxha oktober 2006 juni 2008 22 Generaal-majoorMaksim Malaj juni 2008 8 augustus 2011 23 Generaal-majoorXhemal Gjunkshi 8 augustus 2011 8 november 2013 24 Generaal-majoorJeronim Bazo 8 november 2013 januari 2017 25 BrigadegeneraalBardhyl Kollçaku 28 oktober 2017 29 juli 2020 26 Generaal-majoorBajram Begaj 29 juli 2020 4 juni 2022 27 BrigadegeneraalArben Kingji 3 augustus 2022 heden Afbeeldingen