Archaeopteryx is een basaal geslacht van uitgestorven vogels dat 150 miljoen jaar geleden tijdens het Laat-Jura leefde in het gebied van het huidige Duitsland. Archaeopteryx is een van de oudste bekende vogels en oudste bekende vliegende dinosauriërs en wordt ook wel de Oervogel genoemd. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontdekking van de oorsprong van de vogels.

In 1861 werd het fossiel van een veer beschreven dat de naam Archaeopteryx kreeg, 'oerveer'. Datzelfde jaar vond men in Beieren het skelet van een bevederd dier dat het midden hield tussen een huidig reptiel en een moderne vogel. Zulk een fossiele overgangsvorm werd meteen begrepen als een bewijs voor Charles Darwins nieuwe evolutietheorie. Een tweede veel gaver skelet, rond 1875 gevonden, werd hierom het beroemdste fossiel ter wereld. Tot nu toe zijn in totaal vijftien skeletten opgegraven die nogal in grootte verschillen. Volgens sommige geleerden behoren die allemaal tot één soort: Archaeopteryx lithographica. Andere onderscheiden meer soorten of zelfs aparte geslachten.

Aan Archaeopteryx is goed te zien dat vogels theropode dinosauriërs zijn. Hij verschilde weinig van andere bevederde en warmbloedige Eumaniraptora: hij had een lange benige staart, een horizontale romp, grote geklauwde vingers aan lange handen en een kop met tanden. Wel was hij met een lengte van een halve meter nogal klein en had een spitse, al erg vogelachtige, snuit. De lange armen droegen slagpennen en vormden daarmee echte vleugels waarmee hij vermoedelijk klapwiekend kon vliegen maar door het ontbreken van een gespierde borstkam slechts met moeite hoogte winnen. Zo bewoog hij zich laag vliegend over de met struiken bedekte hete eilandjes van zijn leefgebied op zoek naar insecten.

Van de vijftien skeletten is misschien de Chinese Xiaotingia een nauwe verwant. Dat Archaeopteryx de Oervogel genoemd wordt, betekent niet dat hij de voorouder van alle vogels is; hij was een zijtak in hun evolutie. Volgens sommige definities van de vogels is Archaeopteryx per definitie de eerste aftakking van de vogelstamboom. Die keuze is gebaseerd op het historisch toeval dat Archaeopteryx de eerste basale bevederde dinosauriër was die gevonden werd. Omdat tegenwoordig nog eerder afgesplitste vliegende dinosauriërs bekend zijn, vinden sommige geleerden zo'n speciale positie niet meer gerechtvaardigd en gebruiken het woord 'vogel' alleen voor veel later levende soorten.

Ontdekking en naamgeving thumb|550px|Een tijdbalk van de verschillende ontdekkingen van archaeopteryxfossielen Einde achttiende eeuw vond Alois Senefelder de lithografie of steendruk uit. Voor het drukproces was een poreuze, in platen splijtbare en toch goed te polijsten steensoort nodig. Die vond men in de zeer fijnkorrelige Solnhofener kalksteen. Dit gesteente was op het eind van het Jura, 150 miljoen jaar geleden, afgezet in ondiepe zeeën en zou later opgestuwd worden tot een middelgebergte, de Fränkische Alb, dat tegenwoordig gelegen is in Beieren, waar het te vinden is in een tachtig kilometer lange zone tussen Solnhofen en Kelheim. Bij het handmatig uithakken en splijten van de steenplaten bleken er soms fossielen zichtbaar te worden die van een uitzonderlijk hoge kwaliteit waren. De kalksteen had zich heel langzaam opgebouwd op de bodem van een lagune waar het water zuurstofloos, ofwel anoxisch, was. Hierdoor was het ontbindingsproces van gestorven dieren zo sterk vertraagd dat ze heel gaaf bewaard bleven en zelfs de weke delen van het lichaam mee fossiliseerden. De kalksteenformatie werd zo een zeldzame Konservat-Lagerstätte, een vindplaats met een zo goede conservering dat ze een heel compleet beeld geeft van de levende wezens uit de periode.P.G. Davis, 1996, "The taphonomy of Archaeopteryx", Bulletin of the Natural Science Museum of Tokyo, C 22: 91–106

Vanaf 1855 doken er onder de fossielen ook veren en skeletten op van vogels, de oudste die uit de wereldgeschiedenis bekend zijn; de tere beenderen van vogels plegen onder normale omstandigheden zelden te fossiliseren. De vogelfossielen maken maar een heel klein deel uit van het totaal maar zijn daarom des te gewilder en kostbaarder. Het proces van winning gaat tot op de dag van vandaag door. Er zijn tot 2010 elf fossielen officieel beschreven, waarvan tien skeletten.Wellnhofer, P., 2010, "A short history of research on Archaeopteryx and its relationship with dinosaurs", Geological Society, London, Special Publications 2010, 343: 237-250 Een elfde en een twaalfde skelet werden respectievelijk op 18 oktober 2011 en 17 februari 2014 gemeld; het twaalfde is pas in 2018 wetenschappelijk beschreven. In 2018 werd een dertiende specimen gemeld, in 2024 een veertiende en in 2025 een vijftiende. De tien voor 2008 gevonden skeletten worden meestal aangeduid met de naam van de vindplaats of de plaats waar ze worden bewaard en altijd in een vaste chronologische volgorde gerangschikt, waarbij niet het vondstjaar maar het jaar van melding beslissend is:

Londen (1861) Berlijn (1874/1875, 1877) de Maxberg (1956, 1959) Haarlem (1855, 1970) Eichstätt (1951, 1973) Solnhofen (1987) München (1992) Daiting (1990, 1996) Chicken Wing (2004) Thermopolis (2005)

Het zestiende exemplaar — in feite als tweede gevonden — is een perfect bewaarde veer.

De aardlagen waarin de exemplaren gevonden zijn, de zogenaamde Malm Zeta 2, deel van de Altmühltalformatie, stammen meer bepaald uit het onderste Tithonien en zijn daarmee bijna exact 150 miljoen jaar oud. Ze vormen een veertig tot negentig meter dik pakket dat in de loop van enkele honderdduizenden jaren is afgezet in een dertig tot vijftig meter diepe lagune aan de noordrand van een uitloper van de Tethysoceaan tussen twee grote eilanden: het Anglobrabantse Massief — in Duitsland ook wel het "Middelduitse" genoemd — en het Massief van Bohemen. De fossielen zullen daarmee gemiddeld enkele tienduizenden jaren van elkaar in leeftijd verschillen, wat als argument gebruikt is om ze als een enkele soort te beschouwen.Viohl, G., 1984, "Geology of the Solnhofen Lithographic Limestones and the Habitat of Archeopteryx", In: Hecht, M. K., Ostrom, J. H., Viohl, G., and Wellnhofer, P., eds., The Beginnings of Birds, Eichstätt, Freunde des Jura-Museums, p. 31-44 Uitzonderingen zijn de 'Daiting' die stamt uit de Malm Zeta 3 van de Mörnsheimformatie en daarmee enkele honderdduizenden jaren jonger is en het twaalfde exemplaar dat uit de Paintenformatie komt en juist enkele honderdduizenden jaren ouder is. center|thumb|800px|Een moderne steengroeve waarin de kalkplaten nog steeds grotendeels handmatig worden losgekapt

De Oerveer thumb|De plaat BSP 1869 VIII I Op zijn laatst in de vroege zomer van 1861 — het precieze tijdstip is onbekend — werd in de kalkgroeve van Wilhlem Kohler bij Solnhofen in het Koninkrijk Beieren het fossiel gevonden van een veer. Dat werd vermoedelijk, direct of indirect, al vrij snel verkocht aan een gezaghebbende Duitse paleontoloog, Christian Erich Hermann von Meyer. Deze meldde de vondst op 15 augustus 1861 door middel van een ingezonden brief aan het Neue Jahrbuch für Mineralogie, Geognosie, Geologie und Palaeontologie.Meyer, H., 1861, "Vogel-feder und Palpipes priscus von Solnhofen", Neues Jahrbuch für Mineralogie, Geologie und Paläontologie, 1861: 561 Op 30 september publiceerde dit tijdschrift een tweede brief van Von Meyer. Hierin meldde hij dat er ook een skelet gevonden was van een met veren bedekt dier. Hij kondigde aan de veer met een exacte illustratie te gaan beschrijven. Voor het dier stelde hij de naam Archaeopteryx lithographica voor.Meyer, H., 1861, "Archaeopteryx lithographica (Vogel-feder) und Pterodactylus von Solnhofen", Neues Jahrbuch für Mineralogie, Geologie und Paläontologie, 1861: 678-679 Dat dit niet op het dier van het skelet sloeg maar op het dier waarvan de oorspronkelijke veer afkomstig was, blijkt eenduidig uit de tekst van de beschrijving van de veer die in april 1862 uitkwam.Meyer, H. von, 1862, "Archaeopteryx lithographica aus dem lithographischen Schiefer von Solenhofen", Palaeontographica 10: 53-56 Dit betekent dat de veer het zogenaamde holotype van de soort was: het specimen waaraan de naam verbonden is.P. Wellnhofer, 2001, "Hermann von Meyer und der Solnhofener Urvogel, Archaeopteryx lithographica, In: T. Keller, G. Storsch (Eds.), Hermann von Meyer. Frankfurter Buerger und Begruender der Wirbeltierpalaeontologie in Deutschland, Kleine Senckenb.-Reihe, 40, Schweizerbart’scher Verlag, Stuttgart, pp. 11–18 links|thumb|De Oerveer zoals afgebeeld in 1862 De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse ἀρχαῖος, archaios, 'oeroud' en πτέρυξ, pteryx, 'veer'. De soortaanduiding verwijst naar de lithografische steen. Von Meyer wilde het dier dus 'Oerveer' dopen. In april 1862 wees hij echter ook het skelet aan de soort toe. Omdat 'pteryx' ook 'vleugel' kan betekenen en deze interpretatie beter past bij de naam van een heel dier, werd de naam al snel als 'Oervleugel' gelezen. Wegens haar etymologie wordt zij soms als 'archaeo-ptéryx' uitgesproken; de uitspraak 'archae-ópteryx' wordt echter meer gehoord.

De steenplaat werd in 1869 verworven door de Palaeontologische Staatssamlung München, de huidige Bayerische Staatssamlung für Paläontologie und Geologie, waar het zich nog steeds in de collectie bevindt met inventarisnummer BSP 1869 VIII I. De tegenplaat van het fossiel werd apart verkocht aan de Beierse verzamelaar Heinrich Fischer en werd met diens hele collectie in 1876 overgedaan aan het Humboldtmuseum te Berlijn waar het bewaard wordt als specimen MB Av. 100.

Het fossiel bestaat niet uit de afdruk van een veer: het organisch materiaal is door bacteriën verteerd en de holte is gevuld door bruin mangaan(IV)oxide. Hierdoor kon een weliswaar platte maar driedimensionale perfecte kopie ontstaan van mogelijk een van de slagpennen van de vleugel. De veer is asymmetrisch en achtenvijftig millimeter lang. In 2011 werden de resten van melanosomen gemeld, structuren die bij het levende dier zwart pigment zouden hebben bevat.R. Carney, et al., 2011, "Black Feather Colour in Archaeopteryx, 2011 Society of Vertebrate Paleontology Annual Meeting Abstracts, p 84 In 2012 stelde een publicatie dat het niet om een slagpen zou gaan maar om de bovenste dekveer van een van de slagpennen van de onderarm.Ryan M. Carney, Jakob Vinther, Matthew D. Shawkey, Liliana D'Alba & Jörg Ackermann, 2012, "New evidence on the colour and nature of the isolated Archaeopteryx feather", Nature Communications 3(637) In 2019 meldde een studie dat een scan de halo van het ondertussen verdwenen onderste uiteinde van de schacht had ontdekt. De bouw van de veer zou niet met die van een dekveer overeenstemmen maar ook niet met de bekende slagpennen van Archaeopteryx. Een duidelijk verband met dat geslacht zou dus ontbreken.Thomas G. Kaye; Michael Pittman; Gerald Mayr; Daniela Schwarz & Xing Xu, 2019, "Detection of lost calamus challenges identity of isolated Archaeopteryx feather". Scientific Reports. 9: Article number 1182 Deze conclusies werden echter weersproken door een studie uit 2020.Ryan M. Carney; Helmut Tischlinger & Matthew D. Shawkey, 2020, "Evidence corroborates identity of isolated fossil feather as a wing covert of Archaeopteryx", Scientific Reports 10(1): Article number 15593

Het Londense exemplaar thumb|Vroeg-twintigste-eeuws gipsafgietsel van de "Londen" in de toestand na de eerste preparatie