Een dinosauriërspoor is het fossiele resultaat van de voortbeweging van een dinosauriër.

Deze indrukken zijn sporenfossielen en komen wereldwijd zowel solitair als in reeksen (sporenpaden) voor, van het 246 miljoen jaar oude Baranówsporenpad (Sphingopus) uit het Onderste Midden-Trias (Anisien) van de Holy Cross Mountains in Centraal-PolenAmerican Museum of Natural History. "Oldest evidence of dinosaurs in footprints: Dinosaur lineage emerged soon after massive Permian extinction." ScienceDaily, 6 oktober 2010. tot in het Bovenste Krijt (Bovenste Maastrichtien) van onder meer Rambla de los Gavilanes in de Baetic Mountains van Murcia (Spanje), enkele meters onder de Krijt-Paleoceengrens (circa 66 miljoen jaar geleden).Cayetano, H., Herrero, E., Martín-Chivelet, J., Pérez-Lorente, F. (2015). Contribution to knowledge of the last dinosaur footprints in Europe. Persistence of ornithopods in the upper Maastrichtian of SE Spain. Cretaceous Research, vol. 57, jan. 2016, pp. 490-507. In tegenstelling tot dinosauriëreieren en dinosauriërcoprolieten zijn dinosauriërsporen geen fossiele organische resten, maar versteende representaties van biologische activiteit.

Op de meeste continenten komen dinosauriërsporen zeer overvloedig voor op duizenden locaties, waardoor vele formaties meer sporen dan dinosauriërbeenderen bevatten. Ze zijn een belangrijke bron van wetenschappelijke informatie over onder meer gedrag, voortbeweging, hand- en voetanatomie, paleo-ecologie, paleochronologie en paleogeografie, maar werden ten gevolge van een wijdverspreide heropleving van de interesse voor Dinosauria pas vanaf de vroege tachtiger jaren van de twintigste eeuw naar waarde geschat.Kuban, G.J. (2010). An Overview of Dinosaur Tracking (Originally published in the April 1994 M.A.P.S. Digest, Mid-America Paleontology Society, Rock Island, IL.) De studie van dinosauriërsporen behoort tot het terrein van de gewervelde paleontologie, maar evengoed tot het terrein van de ichnologie, waarop een goede 180 jaar geleden de eerste stappen werden gezet. Sommige onderzoekers gebruiken de term enkel om de studie van fossiele sporen aan te duiden. Anderen bedoelen zowel moderne als fossiele sporen en gebruiken de benaming paleo-ichnologie om het onderzoek naar fossiele sporen te specifiëren. De studie van recente sporen helpt vaak om fossiele sporen te interpreteren. Na decennia van verwaarlozing is de studie van dinosauriërsporen uitgegroeid tot een innovatieve, dynamische en gerespecteerde tak van de paleontologie.

De allereerste ontdekkers van dinosauriërsporen waren prehistorische volkeren die er soms symbolen naast kerfden.Leonardi, G. (1984). Le impreinte fossilli di dinosauri. In Bonaparte, J.F. et al. (eds.). Sulle Orme de Dinosauri (Venezia: Erizzo) 333 pp.

Vroege onderzoekers Verenigde Staten (Connecticut River Valley) Edward Hitchcock thumb|rechts|250px|Edward Hitchcock (1793–1864), de vader van de gewervelde ichnologie. Edward Hitchcock (Deerfield, Massachusetts, VS 1793 – Amherst, Massachusetts, VS 1864) was een Amerikaans geoloog, hoogleraar in natuurlijke theologie'Natuurlijke theologie' is de theologie die stelt dat kennis van God door de menselijke rede kan verkregen worden zonder de hulp van goddelijke openbaring. en van 1845 to 1854 de derde president van het Amherst College te Massachusetts. Hij wordt als de vader van de gewervelde ichnologie beschouwd en beschreef vele dinosauriërsporenpaden en andere sporen uit het Onder-Jura van de New Red Sandstone van New England, waarvan hij de meeste aan niet-dinosaurische reptielen en aan vogels toewees. Ichnology of New England. A Report on the Sandstone of the Connecticut Valley Especially Its Fossil Footmarks, een monografie uit 1858,Hitchcock, E. (1858). A Report on the Sandstone of the Connecticut Valley Especially Its Fossil Footmarks, pp. 220. White, Boston. is zijn belangrijkste publicatie met de beschrijving en toewijzing van vele ichnogenera,Een ichnogenus is een wetenschappelijk beschreven spoor en/of sporenpad (opeenvolgende stappen gemaakt door één dier) dat een unieke soortnaam krijgt, net zoals een wetenschappelijk beschreven dinosauriërsoort een unieke naam krijgt. Ichnogenera worden, net zoals dinosauriërsoorten, ingedeeld in een taxonomie, meer bepaald een ichnotaxonomie. in het bijzonder Eubrontes en Grallator die in de huidige ichnotaxonomie'Ichnotaxonomie' omvat het onderscheiden, beschrijven, benoemen en indelen van ichnogenera (sporen en sporenpaden) in een taxonomische indeling dat net zoals het onderscheiden, beschrijven, benoemen en indelen van planten- en diersoorten, onderworpen is aan de binominale nomenclatuur van Carl Linnaeus. nog steeds gebruikt worden. Hitchcock schreef twee uitgebreide monografieën en talrijke wetenschappelijke rapporten die een periode van dertig jaren omspannen. Zijn publicaties werden herzien door Richard Swann Lull (1867–1957), een Amerikaans paleontoloog.Lull, R.S. (1953). Triassic life of the Connecticut Valley. State Geological and Natural History Servey of Connecticut; Bull. 81, pp. 336.

Hitchcock maakte uitgebreide excursies in Connecticut River Valley die van noordelijk Massachusetts tot in Centraal-Connecticut loopt en voornamelijk uit rode zandsteen bestaat.Meszaros, J. (2017). The First Scientist to Study Dinosaur Footprints Thought Giant Birds Made Them. Door deze excursies verwierf hij, naast diepe fascinatie voor de natuurlijke historie van zijn woongebied, grote geologische kennis van de vallei, niettegenstaande hij geen opleiding op dit gebied genoten had. In de loop van de jaren verwierf hij zoveel vermaardheid als expert in de plaatselijke geologie dat hij in 1825 door het bestuur van Amherst College als professor natuurlijke historie en chemie aangesteld werd. In 1833 verscheen Hitchcock's Report on the Geology, Mineralogy, Botany, and Zoology of Massachusetts.Hitchcock, E. (1833). Report on the Geology, Mineralogy, Botany, and Zoology of Massachusetts. Amherst [Mass.]:Press of J.S. and C. Adams, 1833. Plates illustrated by Mrs. Hitchcock & printed by Pendleton's Lithography, Boston. DOI https://doi.org/10.5962/bhl.title.35851 Zijn echtgenote, Orra White Hitchcock (1796-1863), zorgde voor de illustratie van het boek en maakte tussen 1830 en 1832 negen regionale, geologische landschapstekeningen en vier paleontologische illustraties van fossielen voor het boek terwijl ze ook voor hun drie jonge kinderen zorgde. De meeste van haar kunstwerken betroffen de natuur, zoals botanische aquarellen en landschapstekeningen en geologische en paleontologische illustraties voor de publicaties van haar echtgenoot en voor gebruik in het klaslokaal. Voordat ze in het huwelijk trad met Hitchcock onderwees ze gedurende vijf jaar aan het Deerfield Academy en ook een bepaalde tijd aan Amherst College. Na hun huwelijk stopte ze met lesgeven maar bleef een actief en intellectueel leven leiden.

In 1835 werd Hitchcock door een arts uit Greenfield (Massachusetts), James Deane, op de hoogte gebracht van drietenige, vogelachtige sporen in platte steenplaten afkomstig van Turner's Falls (Massachusetts). Inwoners van het nabije South Hadley kenden deze curiosa sinds een landbouwer, Pliny Moody, in 1802 zulke drietenige sporen tijdens het omploegen van zijn veld blootlegde. De sporen hadden een lengte van 31 cm. Wetenschappers van Yale en Harvard dachten dat ze afkomstig waren van de raaf van Noach. Hitchcock was de eerste Amerikaanse wetenschapper die de sporen bestudeerde en benoemde ze als Ornithichnites ('vogelsporenfossielen'), naar hun gelijkenis met sporen van vogels. Hij observeerde en bestudeerde talloze van deze drietenige sporen in de vele zandsteengroeven in de gehele vallei en hypothetiseerde dat deze afkomstig waren van gigantische loopvogels. Ze waren bij Amerikaanse inheemse bewoners al vele eeuwen bekend.