thumb|Het Nationaal Monument Slavernijverleden te Amsterdam thumbtime=19|thumb|Bioscoopjournaal uit 1963. Viering van de Emancipatiedag op het Oranjeplein te Paramaribo ter gelegenheid van de afschaffing van de slavernij 100 jaar eerder.

De geschiedenis van de Nederlandse slavernij gaat over de slavernij in Nederland zelf, maar ook over de slavernij in de voormalige Nederlandse koloniën en de rol van Nederland daarin.

Juridische kwestie Slavernij is een maatschappelijk verschijnsel waarbij personen eigendom zijn van een ander persoon. Slaven vallen dus onder het eigendomsrecht. Niet iedere samenleving heeft dat eigendomsrecht op eenzelfde manier vastgelegd, maar de benadering is hetzelfde. Slavernij is overal op de wereld voorgekomen. Dat slaveneigenaren het recht hadden om slaven op een bepaalde manier te behandelen, betekende niet noodzakelijk dat dit ook werd geaccepteerd door de samenleving. Brandmerken in het gezicht werd bijvoorbeeld door de Romeinen wettelijk toegestaan, maar als immoreel ervaren.

In (middeleeuws) Europa onderscheidden slaven zich van lijfeigenen, horigen en vrijen. Elk van deze kan gezien worden als een volgende stap op een schaal naar wat een vrij persoon genoemd wordt. Het is niet zo dat deze stappen ook zo gemaakt werden. Het is meer dat een persoon afhankelijk van zijn rechten in een van deze groepen werd ingedeeld.

Slavernij in de Lage Landen

miniatuur|Portret van Eleonora Susette (1775) door Jeremias Schultz. Een tot slaafgemaakte uit de Nederlandse kolonie Berbice (hedendaags Guyana). Ze was in dienst bij de nicht van de schilder (Beata Louisa Schultz), de vrouw van de gouverneur van Berbice, die haar voor 8 maanden naar Amsterdam had meegebracht rond 1774/75, waarin dit portret werd geschilderd.

Zowel de Kelten als de Germanen kenden een maatschappij van edelen, vrijen, halfvrijen (laten) en slaven en ook gedurende de Romeinse tijd werden er slaven gehouden. Ook de Friezen handelden in slaven, die vooral bestemd waren voor de slavenmarkten in Spanje en Caïro. Slavernij zou blijven bestaan tot in de late middeleeuwen, toen pauselijke decreten het tot slaaf maken van christenen verboden.

In de 15e en 16e eeuw brachten met name Spaanse en Portugese kooplieden met regelmaat slaven mee naar Nederland als bedienden. Vaak waren dit Islamitische gevangenen verkregen in de oorlogen rond het Middellandse Zeegebied. Tegen de 16e eeuw was slavenbezit binnen de grenzen van de Lage Landen niet meer geaccepteerd, ongeacht de religie, en slaven die het grondgebied binnenkwamen waren onmiddellijk wettelijk vrijverklaard. Officieel bestond op het grondgebied van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden dus geen slavernij, maar in werkelijkheid was de status van slaven in de Lage Landen een grijs gebied. Volgens de zestiende-eeuwse Leuvense professor Petrus Gudelinus, werd in Mechelen een ontsnapte slaaf bevrijd, onder de redenering dat slavernij destijds niet erkend werd in de Lage Landen.

In september 1636 werd in een Placaat, opgesteld door de VOC ('Heeren XVII'), het meebrengen van slaven naar Nederland verboden.

Later, met name vanaf de achttiende eeuw, kwamen er ook slaven van plantage-eigenaren over, al bleef het om relatief kleine aantallen gaan. Zo reisden er tussen 1729 en 1775 gemiddeld 10 zwarte personen, niet allemaal slaven, per jaar tussen Suriname en Nederland, waarvan het merendeel na een kort verblijf weer terugging.'Swart’ in Nederland – Afrikanen en Creolen in de Noordelijke Nederlanden Buku – Bibliotheca Surinamica. Gearchiveerd op 30 mei 2023. Hoewel zij zich tot de rechtbank konden wenden om hun vrijheid op te eisen (manumissie), gebeurde dit niet altijd. Zelfs in gevallen waar slaven zich vrij probeerden te verklaren lukte dit niet per definitie. In 1736 ontsnapte een slaaf genaamd Claes uit Curaçao, als verstekeling op een schip naar Nederland. De Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland stelde echter dat hij eigendom van slavendrijver Paulina Meyer zou blijven omdat hij een dief van zichzelf (fur sui ipsius) en gestolen eigendom (res furtiva) zou zijn.

In 1776 publiceerde de Staten-Generaal een resolutie betreffende de status van 'onvrijen' in het vrije Nederland. Hierin wordt onderstreept dat alle mensen in beginsel als vrije mensen erkend en beschouwd moeten worden. Slaven die naar Nederland zijn gekomen hebben hun vrijheid op wettige wijze verkregen en worden als vrije mensen aangemerkt. Hierop was echter een uitzondering omdat anders 'de eigenaren van de slaven vaak tegen hun wil en dank worden ontzet van hun goederen die hun wettelijk toebehoren.' Daarom was het zo dat zo lang eigenaren niet de intentie hadden om hun eigendom te bevrijden, en hun verblijf in Nederland korter dan zes maanden was, of twaalf maanden bij speciale toestemming van de rechtbank, de slaven onvrij bleven. Als de slaven niet binnen die tijd waren teruggezonden moesten zij worden vrijgelaten. Hoe consequent deze bepaling werd toegepast is onduidelijk.

Nederlanders in slavernij thumb|320px|"Turkse slaverny en Gevanknis" door Pieter van der Aa, gemaakt te Leiden, circa 1725Nederlanders werden na de middeleeuwen ook tot slaaf gemaakt.Historisch Nieuwsblad, Omvang christenslavernij onderschat, mei 2008. Gearchiveerd op 24 juni 2019. Met name Noord-Afrikaanse kapers en handelaren, ook bekend als Barbarijse zeerovers, die onder de vlag van het Osmaanse Rijk opereerden, hadden het gemunt op Europeanen voor onder andere bouwprojecten en als galeislaaf. Ook werden ze niet zelden gevangen gehouden met het oog op het verkrijgen van losgeld van familie of geloofsgenoten. Deze christenslaven werden zowel gevangengenomen bij het kapen van zeeschepen, alsook geroofd van de Europese kusten, waaronder de Nederlandse.

Het probleem van de roof van Europese slaven was met name groot in de zeventiende en achttiende eeuw. Onder de naar schatting 1 à 1,25 miljoen personen die in die periode als slaaf gevangengenomen zijn, waren ongeveer 10.000-12.000 Nederlanders.Geschiedenis24.nl, Christenslaven, het witte goud. Gearchiveerd op 5 december 2013.NRC, NRC Checkt:‘Meer Europese slaven in Noord-Afrika dan zwarte slaven in de VS'. Gearchiveerd op 4 oktober 2022.

Trans-Atlantische slavenhandel

thumb|Slavenhuisjes op Bonaire thumb|Video over de Zeeuwse slavenhandel en het Slavernijmonument te Middelburg

Uit Nederlandse havens vertrokken veel schepen naar de westkust van Afrika. Het fort Sint George (ook fort Elmina genoemd) (in het huidige Ghana) was een belangrijk doorvoerpunt voor de Hollanders. Daar werden de slaven ingekocht en ingescheept voor een lange reis over de oceaan. Als het schip nog niet vol was, voer men voor aanvulling nog door naar wat thans Angola is. Het grootste deel van de slaven was bestemd om als werkkracht in Suriname en de Nederlandse Antillen dienst te doen. Een kleiner deel werd doorverkocht. Dit gebeurde voornamelijk op Curaçao.

In Afrika was slavernij reeds een bekend verschijnsel; overwinnaars van stammenoorlogen verkochten hun krijgsgevangenen als slaven. Met de opkomst van de islam in de 7e eeuw werd het verboden om moslims tot slaaf te maken, waardoor Arabische handelaren hun slaven uit Afrika gingen halen. Rond 1500 bereikten de eerste Portugese slavenhandelaren de westkust van Afrika. Toen Nederland honderd jaar later zijn handelsgebied uitbreidde, raakte het eveneens betrokken bij de slavenhandel. Van de 12 miljoen mensen die zijn verhandeld in de trans-atlantische slavenhandel komen er 500.000 voor rekening van de Republiek.

In de Republiek werd de slavenhandel lang immoreel gevonden. Het ging in tegen de publieke opinie, de normen en waarden, men hield zich er buiten. De eerste acties van Nederlanders in de Atlantische slavenhandel gebeurden binnen het Portugese systeem. Nederlanders in Portugese dienst, of Nederlandse kapiteins met Portugese vergunningen handelden in slaven. Deze eerste periode is moeilijk te kwantificeren, maar in 1596 werden honderddertig slaven aangevoerd in Middelburg. De Zeeuwse Staten besloten dat de slaven vrije mensen waren.Nieuw licht op de komst van slaafgemaakten in Middelburg in 1596. Gearchiveerd op 1 juli 2023. Maar de Nederlandse Staten Generaal onder leiding van Johan van Oldenbarnevelt ging daar lijnrecht tegen in en besliste op 28 november 1596 dat de 130 stuks koopwaar waren, waarmee de eigenaar mocht doen wat hij wilde.STAAT&SLAVERNIJ Het Nederlandse koloniale slavernijverleden en zijn doorwerkingen, pagina 333. Gearchiveerd op 28 juni 2023. Het bleek achteraf inzake jurisprudentie een baanbrekend vonnis. Zowel prins Maurits als ook de latere stadhouders die zich met de slavernij fors verrijkten hebben hier nooit tegen ingegrepen.

In de strijd tegen de Spanjaarden en de Portugezen was de kaapvaart legitiem. Dit was na de oprichting in 1621 de voornaamste doelstelling en inkomstenbron van de West-Indische Compagnie (WIC). Tussen 1623 en 1636 werden 547 Spaanse en Portugese schepen gekaapt. Daarna werd het Groot Desseyn ontwikkeld, het grote plan. De Portugese rietsuikerhandel vanuit Brazilië moest ondermijnd worden door de slavenhandel over te nemen. Met de verovering van de Zilvervloot in 1628 was er voldoende geld beschikbaar. Tussen 1630 en 1634 werd Recife met een groot deel van de Braziliaanse kust veroverd, dit werd Nederlands-Brazilië. In 1637 werd fort Sint George te Elmina aan de Afrikaanse Goudkust (in de golf van Benin) veroverd, het grote Portugese slavenhandelbolwerk. De eeuwen erna zou dit fort een van de centra van de slavenhandel van de WIC vormen. In 1641 werd ook Luanda (gelegen in het huidige Angola) veroverd op de Portugezen. Rond 1700 bezat de WIC een twaalftal handelsforten aan de West-Afrikaanse kust.

De Nederlandse slavenhandel nam grote vormen aan, waarbij men in het Bijbelboek Genesis 9 - waarin de nakomelingen van Cham tot knechtschap vervloekt worden - de duivelse rechtvaardiging vond. Om de suikerproductie in stand te houden, konden veel Portugese plantagehouders in het veroverde deel van Brazilië hun plantage behouden. Hiervoor waren particuliere slaven nodig. De opvattingen over de slavenhandel bleken rekbaar veranderd; niet-christenen mochten als slaaf worden verkocht en gehouden.

Vanaf 1640 begon de slavenhandel met Brazilië in te zakken en werd de handel verlegd naar de Spaanse koloniën in Amerika. Aanvankelijk vervoerden Nederlandse handelaren slaven naar Buenos Aires en Rio de la Plata in het huidige Argentinië, later werd ook het Caribische gebied doel van de slavenhandel.

Toen in 1654 Brazilië werd heroverd door Portugal, waren er al zo’n 25.000 slaven aangevoerd. De suikerrietteelt werd na deze herovering overgebracht naar het Caribisch gebied en het in 1634 veroverde Curaçao werd toen het Nederlandse verzamelpunt voor slaven. Na de Engelse verovering van Jamaica in 1655 werd het een belangrijke doorvoermarkt van slaven voor de Spaanse kolonies. Er werden ook nieuwe afnemers gevonden bij de Engelsen en Fransen die tabak verbouwden op de door hen veroverde eilanden in de Caraïben en in Virginia, maar de meeste slaven gingen naar Suriname, dat vanaf 1668 definitief in Nederlandse handen was.

Slavernij op Curaçao In 1662 sloot Spanje een asiento met Domingo Grillo en Ambrosio Lomelino om slaven uit Afrika te verhandelen. Grillo en Lomelino huurden de WIC in om slaven van de Afrikaanse kust naar Zuid-Amerika aan te voeren. In het contract met de WIC werd vastgelegd dat de Hollanders gedurende zeven jaar 24.000 slaven zouden aanvoeren, circa 3500 slaven per jaar, waarbij Curaçao de tussenhaven zou zijn. Die aantallen werden echter lang niet gehaald: het gemiddelde aantal aangevoerde slaven lag eerder in de buurt van 700 per jaar.