thumb|het >90% taalgebied van de Duitssprekenden in Tsjechië voor 1945 De Sudeten-Duitsers zijn de ruim drie miljoen Duitstaligen die tot 1945 in Sudetenland, de grensstreken van het toenmalige Tsjecho-Slowakije, woonden, en hun afstammelingen die nu in Duitsland en Oostenrijk wonen, waarheen zij tussen 1945 en 1948 werden verdreven.
Naamgeving De naam Sudeten-Duitsers is betrekkelijk nieuw en pas aan het eind van de 19e eeuw in zwang gekomen. Ze is afgeleid van het Sudetengebergte dat vanouds Bohemen en Moravië (nu Tsjechië) scheidde van Saksen en Silezië in het noorden en Beieren in het westen. De oudere naam is de Duitse Bohemers (van 'Deutschböhmen') en onder deze naam vestigden zich velen van hen, overigens naast Tsjechen, voor 1918 in Wenen. Na 1918 werden de Duitstaligen in de Tsjecho-Slowaakse provincies Bohemen en Moravië en Silezië Sudeten-Duitsers genoemd, een naam die verwijst naar het Sudetengebergte dat de grens vormde tussen de Duitse provincies Saksen en Silezië, en de Tsjecho-Slowaakse provincies Bohemen en Moravië. In dat grensgebied woonde ook aan Tsjecho-Slowaakse kant een Duitstalige bevolking. Maar de helft van de Duitstaligen in het nieuwe Tsjecho-Slowakije woonde elders, in andere grensgebieden namelijk die met Beieren en Oostenrijk. Hun woongebieden hebben geen relatie met het Sudetengebergte en daarom slaat de naam strikt genomen niet op hen.
Geschiedenis Bij het begin van de jaartelling hadden Germaanse stammen onder de gezamenlijke naam Marcomannen een stameenheid gevormd in wat later Bohemen zou heten. Vanaf de vroege 6e eeuw vestigden zich hier vanuit het oosten West-Slavische stammen, tijdens de Grote Volksverhuizing. In hoeverre delen van de oudere bevolking achterbleven is onduidelijk. Vroeger werd aangenomen dat zulke veroveringen een totale bevolkingswisseling ten gevolge moeten hebben gehad. Modern onderzoek wijst uit dat als regel een, vaak groot, bevolkingssubstraat achterbleef en in een ondergeschikte positie werd opgenomen door de nieuwe veroveraars die dan de nieuwe elite over een onderworpen en onvrije bevolking vormden. Nadat zij hun leiderschap dominerend hadden opgelegd boven de vele lokale Slavische stamedelen, zochten een Boheems adelsgeslacht als koningen van Bohemen, en later ook van Moravië, een plaats onder de keizer van het Heilige Roomse (Duitse) Rijk. Zij behoorden vervolgens ook tot de hoge adel van dat rijk en hun huwelijken verbonden hen in later eeuwen met Duitse adelsgeslachten totdat het geslacht van de Luxemburgers en nog later dat van de Habsburgers het Boheemse koningschap overnam. Deze relaties met het westen brachten al vroeg Duitse en ook Franse kooplieden naar de steden en Duitse kloostergemeenschappen naar het platteland van het vroege Boheemse koninkrijk. Vooral in de nauwelijks bevolkte randgebieden werden kolonisten aangetrokken om bossen te rooien en in cultuur te brengen. Sinds de 12e eeuw en de 13e eeuw zouden grote aaneengesloten delen en dan de randgebieden van Bohemen, Moravië en Tsjechisch Silezië door deze Duitstaligen bewoond raken: door Saksen in het noorden en door Beieren in het westen en zuiden, terwijl in de centrale gedeelten van deze landen zogenaamde Duitse taaleilanden - clusters van dorpen - rondom de steden ontstonden, terwijl zich in de steden een Duitstalige burgerij vormde. Pas laat, in 1315, kwam het Egerland, de streek rond de stad Eger, een rijksstad met keizerpalts, en de stad Asch (Aš) en het omringende Boheemse Vogtland bij Bohemen. Het gebied diende als onderpand van een lening die nooit werd afbetaald en daarom later aan de Boheemse koning verviel. Dit gebied was van oorsprong niet Boheems maar sinds de 9e eeuw deel van Oost-Francië (Frankenland) en daarmee van het Heilige Roomse Rijk.
Kolonisten uit Saksen, Frankenland, Beieren en Oostenrijk kwamen sinds het begin van de 13de eeuw naar Bohemen en Moravië, eerst op uitnodiging van het toenmalige Boheemse (Tsjechische) koningshuis der Přemysliden, later ook op uitnodiging van lokale adel en kloosters. Zij werden aangetrokken in verband met hun vakmanschap in de handel, mijnbouw, landbouw, techniek en handwerk. Vooral de mijnbouw en de ontginning van onbevolkte bos- en moerasgebieden voor de landbouw verhoogden de vorstelijke belastinginkomsten. De inrichting van stadsgemeenschappen met autonome bestuursinrichtingen (zogenaamd 'naar Duits recht') was hun werk. Zie Oostkolonisatie. In de 14e eeuw was het Duitstalige element zo dominant geworden dat een gewelddadige Tsjechische reactie plaatsvond die niet alleen vroeg-nationaal was maar naar de zeden der tijd ook een religieuze vorm had.
Dat was het hussitisme, een ketterse geloofsrichting die zich tegen Rome keerde, en aan het begin van de 15e eeuw een revolutionaire omwenteling veroorzaakte waarin het Duitstalige patriciaat uit de meeste steden in centraal Bohemen werd verjaagd en alleen in de ontginningsgebieden aan de grenzen van het land nog een Duitstalig element bleef voortbestaan. Langzaamaan zou echter dit Duitse element weer gaan toenemen, vooral toen Habsburgse vorsten invloed als koningen van Bohemen kregen en na twee eeuwen hun kans grepen in een religieuze reactie. In de Slag op de Witte Berg in 1621 werd de hussitische en lutherse lagere adel uitgeschakeld en daarna koos de hogere adel de zijde van de Contrareformatie onder de leiding van de Habsburgers. Bohemen en Moravië werden provincies onder de Habsburgse kroon in een groter Oostenrijks staatsverband. Het rooms-katholicisme gold nu als staatsgodsdienst, het hussitisme en ook het lutheranisme werd verboden en hun 'verstokte' aanhangers onteigend en het land uitgewezen. Hiermee kreeg het katholiek-Duitstalige element opnieuw een dominante positie. In de deels ontvolkte noordelijke en westelijke grensgebieden vestigden zich katholieke Duitstaligen, vooral uit Beieren, en de daar ook nog wonende Tsjechen pasten zich na enkele generaties in taal en cultuur aan. Ook in de steden germaniseerde de burgerij zich onder invloed van de dominante Habsburgse cultuur. Zeker in de hoofdstad Praag werd de Duitse taal dominant als kanselarijtaal. In de tweede helft van de 19e eeuw verdween het Duitstalige element uit de centraal gelegen steden, omdat de tweetalige burgerij daar, onder invloed van het Tsjechische nationalisme en het verwerven van steeds meer taalrechten in bestuur en onderwijs, terugkeerde naar haar Tsjechische oorsprong. Ook speelde daar een rol dat de Duitstaligen in deze kleinere steden voor een groot deel uit Joden bestonden, die overigens na ca. 1870 in toenemende mate naar Praag en Wenen vertrokken. Aan het begin van de 20e eeuw bedroeg het aandeel van de Duitstaligen in de zwart aangegeven gebieden (zie bijgaande kaart) ruim 90%, in de rest van het land, op de kaart het witte gebied, maakten zij ongeveer een tiende van de bevolking uit. Bestuurlijk groeide de scheiding tussen Duitstalige en Tsjechischtalige bestuurseenheden door een strikt gereguleerde categorisering. Gemeenten met een minimale 80% meerderheid waren bestuurlijk officieel eentalig, die met een 50-80% meerderheid tweetalig, en waar meer dan 20% maar minder dan 50% tot een bepaalde taalgroep behoorde bestonden faciliteiten voor zo'n minderheid.
Het Habsburgse Rijk - Oostenrijk-Hongarije - was een 'veelvolkerenstaat'. Na de Eerste Wereldoorlog werd Oostenrijk-Hongarije min of meer naar etnische lijnen opgesplitst in nationale staten. Bohemen en Moravië zouden een nationale Tsjechische staat worden maar de Duitstaligen in deze gebieden weigerden daarin mee te gaan en riepen met de bevolking van het eigenlijke Oostenrijk de republiek Deutschösterreich uit, die ook Sudetenland omvatte. Om dat te voorkomen, bezetten de Tsjechische nationale troepen van de Tsjecho-Slowaakse republiek in oprichting in de herfst van 1918 het latere Sudetenland - meer bepaald de Duitstalige (grens)gebieden van Bohemen, Moravië en Oostenrijks Silezië. Met het Verdrag van Saint-Germain werd Sudetenland, tegen de wens van de Sudeten-Duitsers in, opgenomen in de nieuwe staat Tsjecho-Slowakije. Dit zorgde gedurende het interbellum voor veel spanningen in de nieuwe, door de Tsjechen gedomineerde, nationale staat Tsjecho-Slowakije.
De meeste Sudeten-Duitsers waren dus afstammelingen van Duitstaligen uit Saksen, Thüringen, Frankenland, Beieren en Oostenrijk, die zich hier sinds de 12e eeuw en ook in de 18e eeuw vestigden. Deels in de berggebieden waar zij vrijwel onbewoonde streken in cultuur brachten. In de 17e en 18e eeuw werden ze aangevuld met nieuwe immigranten, nu vooral uit Beieren en Oostenrijk, die zich in gedeeltelijk ontvolkte gebieden vestigden en de daar nog verblijvende Tsjechen in zich opnamen. Deze werden aldus gegermaniseerd (zie: germanisering). Zij hadden de Tsjechische bevolking ter plaatse in zich opgenomen en waarschijnlijk was - gemiddeld genomen - een vijfde deel van de Sudeten-Duitsers van Tsjechische afkomst, gemeten naar hun familienamen. Een derde groep vormden de stedelingen in het Tsjechische binnenland die voor een deel uit Duitstalige gebieden kwamen maar voor een ander deel uit Tsjechen bestonden die zich aanpasten aan de Duitstalige stedelijke cultuur van het Habsburgse Rijk. Een vierde groep vormden Joden die na hun emancipatie als volwaardig staatsburger sinds 1860 ook een plaats vonden in die Duitstalige burgerlijke cultuur. Daarnaast leefde in Slowakije een andere, geografisch verspreid wonende, Duitstalige minderheid die zich naar analogie van de Sudeten-Duitsers als Karpaten-Duitsers ging betitelen.
Door de Tsjechische onderdrukking en door de nationaalsocialisten opgevoerde politieke spanningen leidden ertoe dat Tsjecho-Slowakije in 1938 bij het Verdrag van München, met instemming van Groot-Brittannië, Italië en Frankrijk, Sudetenland moest afstaan aan Duitsland-Oostenrijk. Daarmee was het land geografisch en industrieel ontmanteld en zou het restant als een 'Reichsprotektorat' later door Duitsland bezet worden, terwijl een collaborateursregering van Tsjechen pro forma het land bestuurde.
Na de ineenstorting van het nazirijk werden van mei 1945 tot 1 januari 1950 vrijwel alle etnische Duitsers door de uit Londen teruggekomen regering in ballingschap collectief tot landverraders verklaard en verdreven. Ze vluchtten voor terreur van Tsjechische milities, of werden eerst geïnterneerd en vanuit kampen gedeporteerd. De volkenrechtelijk discutabele basis van deze verdrijvingen waren de Beneš-decreten. Deze decreten bevalen de collectieve uitwijzing van vrijwel alle Duitsers en verklaarden al hun goederen en vermogens tot bezit van de staat Tsjecho-Slowakije. De geallieerde toestemming tot verdrijving en de regeling van de opname in Duitsland en Oostenrijk maakte de operatie fysiek mogelijk.
Nationalisme van de Sudeten-Duitsers Het eind van de Eerste Wereldoorlog betekende het eind van de Oostenrijks-Hongaarse multinationale staat. De 6,7 miljoen Tsjechen eisten een staat voor zichzelf die gebaseerd moest zijn op de historische grenzen van Bohemen en Moravië. Op die manier zouden verdedigbare grenzen langs de bergkammen van de gebergten ontstaan, maar op die manier zouden ook de sterk geïndustrialiseerde gebieden waar de Sudeten-Duitsers woonden binnen de nieuwe staat opgenomen worden.