thumb|Italië: talen in de ijzertijd, omstreeks de 6e eeuw v.Chr. Het Etruskisch was de taal die door de Etrusken gesproken werd, in het gebied dat tegenwoordig (delen van) de Italiaanse regio's Toscane, Lazio en Umbrië omvat. De staatkundige naam van dit gebied was Etrurië. Uit gevonden teksten blijkt dat de taal in elk geval werd gesproken tussen de 7e en de 1e eeuw v.Chr. De laatste inscriptie in het Etruskisch die we heden kennen, staat op een grafsteen van een haruspex (priester) uit de tijd van de regering van keizer Augustus.
Classificatie Taalkundigen slagen er niet in de Etruskische taal te classificeren, maar het Etruskisch is in géén geval verwant met de andere talen van Italië (Keltisch, Latijn, Oskisch of Umbrisch). Het behoort niet eens tot de Indo-Europese taalfamilie en evenmin tot de Semitische talen van het Oosten. Het enige vergelijkingspunt vormt de tekst op de zogenaamde Stele van Lemnos. Lemnos is een eiland in het noorden van de Egeïsche Zee. Deze stele — gevonden in Kaminia — is, op enkele stukken van eigennamen op vaasscherven na, de enige tekst die we bezitten in het Lemnisch. Wel stelt men vast dat de gebruikte namen, grammaticale uitgangen en telwoorden in de tekst nauw verwant zijn met het Etruskisch uit Italië. Als eenvoudig voorbeeld volstaat het een leeftijdsaanduiding te citeren: de tekst van Lemnos spreekt over iemand die "sivai avis šialchvis", waarvoor in het Etruskisch de parallelle formule "zivas avil šealchls" bestaat (“leefde 40/60 jaar”). Het is dan ook geopperd dat het Lemnisch geen aparte taal zou zijn, maar een lichtjes afwijkende vorm van het archaïsch Etruskisch. Niet alle geleerden zijn het daar echter over eens. Het is ook mogelijk dat het Etruskisch van Lemnos en het Italische Etruskisch al uit elkaar gegroeid waren vóór de introductie van het alfabet, dat door beide Etruskische volken onafhankelijk van elkaar gebeurd zou zijn, wat de verschillen in lettertekens, lettervormen en woordvormen zou kunnen verklaren.
Alfabet en klanken Alfabet thumb|Evolutie van het Etruskische alfabet Het Etruskische alfabet is een van de Oud-Italische schriften en ontleend aan het West-Griekse alfabet van de Griekse stad Cumae in Zuid-Italië. Men vindt zogenoemde model-alfabetten op een aantal voorwerpen zoals het schrijftablet van Marsigliana d'Albegna of het Galassi-vaasje, een inktpotje gevonden in het beroemde Regolini-Galassi-graf te Cerveteri. Wanneer men dit Griekse alfabet vergelijkt met enkele schrijfoefeningen (ook op het Galassi-vaasje) of met werkelijk bestaande teksten, merkt men dat de Etrusken het Griekse alfabet slechts ten dele echt gebruikten. Zo ontbreken in het praktische alfabet de stemhebbende medeklinkers B en D. Verder wordt de klinker O nooit gebruikt en ten slotte zijn er enkele afwijkingen bij de lettervormen. De meeste teksten worden van rechts naar links geschreven.
Om iets over de uitspraak te weten, gaat men uit van het feit dat het Etruskische alfabet een tussenstap was tussen dat van de Grieken en dat van de Romeinen en men dus voor de meeste letters die eenzelfde uitspraak hebben in het Grieks en het Latijn, ook een gelijkaardige uitspraak mag verwachten voor het Etruskisch. Daarnaast beschikt men over een aantal tweetalige Etruskisch-Latijnse opschriften en over een aantal schriftvarianten binnen het Etruskisch zelf, die ons informatie verschaffen over de uitspraak.
Klanken Het Etruskisch kent de volgende letters en klanken:
A = /a/ (alfa) C = /k/ (gamma) E = /e/ (epsilon) F = /v/ (digamma) Z = /ts/ (dzèta) H = /h/ (èta) Θ = /θ/ (thèta) (ook als th getranscribeerd) I = /i/ (jota) K = /k/ (kappa) (alleen in archaïsche teksten) L = /l/ (lambda) M = /m/ (mu) N = /n/ (nu) P = /p/ (pi) M = /sj/ (zuiden, weergegeven als š), /s/ (noorden, weergegeven als s) (tsade) Q = /k/ (koppa) (alleen in archaïsche teksten) R = /r/ (rho) S = /s/ (zuiden, weergegeven als s), /sj/ (noorden, weergegeven als š) (sigma) T = /t/ (tau) Y = /u/ (ypsilon) Φ = /ph/ (phi) (ook als ph getranscribeerd) Χ = /χ/ (chi) (ook als ch getranscribeerd) 8 = /f/ (nieuwe letter)
Interpretatie en woordenschat 1. Etymologische methode Meestal hoopt men onbekende talen te kunnen vergelijken met aanverwante talen. Zo zijn de schaars gedocumenteerde Italische talen als het Venetisch of Oskisch te begrijpen, omdat het Indo-Europese, en dus met het Latijn verwante, talen zijn. Bij het Etruskisch is dit niet het geval. Dit betekent niet dat geen enkel Etruskisch woord in bekende talen herkenbaar is. Net zoals vroeger veel Franse, en tegenwoordig, met alle moderne technologieën, veel Engelse woorden worden overgenomen in andere talen, zo deden de Etrusken dat ook in hun contacten met de hen omringende volkeren. Er werd op grote schaal handel gedreven met de rest van Italië en zeker met de rijke Grieken uit het zuiden. Zo kunnen we achteraf vaststellen dat woorden als qutun, vinum, eleiva, pruchun en munth corresponderen met, of afgeleid zijn van, respectievelijk kothon, vinum, elaion, prochous en mundus. De naam van de ambtenaar maru zal vermoedelijk overeenkomen met de Umbrische maro. Ook tal van mythologische namen herkennen we op dezelfde manier: Aplu (Apollo), Menrva (Minerva), Menle (Menelaos) en Utuse (Odysseus) zijn enkele voorbeelden. Maar behalve bij dergelijke leenwoorden moeten we de etymologische methode terzijde schuiven bij het interpreteren van het Etruskisch. 2. Tweetalige teksten Wat wel helpt, zijn enkele vrij korte, tweetalige teksten. Het gaat meestal om grafteksten van mensen die in een geromaniseerde wereld misschien toch nog de herinnering aan hun afkomst levend wilden houden. Zo kennen we uit Arezzo een zekere C. Cassius C.f. Saturninus die in het Etruskisch als V Cazi C clan wordt aangeduid. Aangezien een cognomen in het Etruskisch vrij zeldzaam is en we het woordje clan tientallen malen in een dergelijke constructie terugvinden, kan het woord alleen met het Latijnse filius overeenstemmen. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor het woord lautni dat met het Latijnse libertus overeenkomt op basis van een graftekst uit Perugia waar een zekere L. Scarpus Scarpiae l. Popa als Larnth Scarpe lautni wordt aangeduid. 3. Glossen Ook dankzij een aantal glossen zijn we over het Etruskisch een en ander te weten gekomen. Glossen zijn (niet altijd even betrouwbare) uitspraken van Griekse of Romeinse auteurs over het Etruskisch. Servius vertelt ons in zijn commentaar op de Aeneïs (10.145) over de falconis…qui Tusca lingua capys dicitur ("de valk die in het Etruskisch capys heet"). Op die manier kennen we bijvoorbeeld ook een aantal namen van maanden (uit het Liber Glossarum) zoals Aclus / Ampiles / Celius Tuscorum lingua Iunius / Maius / September mensis dicitur. Op de Mummie van Zagreb (zie verderop), een rituele kalender, vinden we in kolom 4.14 eslem zathrumis acale ("de 18de juni"), in kolom 8.3 celi huthis zathrumis ("de 24ste of 26ste september") en op de Tabula van Capua (18) išveitule ilucve anpilie, waar išvei misschien een bepaalde vaste dag is van de maand, zoals de Romeinse Idus en ilucve een of andere feestdag aanduidt. 4. Parallelle teksten De meeste kennis heeft ons echter de zogenaamde combinatorische methode opgeleverd, ook wel de methode van de parallelle teksten genoemd, aangevuld met wat de archeologische context van bepaalde teksten ons leert. Op die manier kennen we duizenden eigennamen van graven, alsook verwantschapsnamen. Naar analogie met Latijnse grafschriftformules vermeldden ook Etrusken dat de overledenen X avil svalce (“X jaren leefde”) of X avils lupu(ce) (“stierf op X jaren”). Als er in een heiligdom teksten worden gevonden, dan vallen woorden als god, offer, tempel, heiligdom te verwachten. Wanneer op vazen in graven formules voorkomen beginnend met mi, gevolgd door een vaasnaam (meestal) van het Grieks afgeleid en een eigennaam met een achtervoegsel, dan zal het hier om zogenoemde sprekende opschriften gaan waarbij het voorwerp in de 1ste persoon enkelvoud meedeelt dat het de vaas is van iemand, zodat het achtervoegsel als een genitief kan geduid worden. Als men dan op graven, urnen, spiegels, steles gelijkaardige formules vindt met resp. woorden als šuthi, mur, malena, penthna op dezelfde syntactische plaats als “vaas”, dan zullen we hier de corresponderende Etruskische woorden gevonden hebben. Als er op grafgiften werkwoordsvormen als turce of muluvanike voorkomen, zullen die “geven” betekenen en op bouwinscripties vinden we vormen als arce of cerichunce. Als parallel van de Latijnse grafformule hic iacet vinden we in het Etruskisch thui cesu. Tot slot enkele Etruskische woorden ac-: maken, doen; acil: werk; aïs(er): god; am-: zijn; apa: vader; ati: moeder; avil: jaar; car-: doen, bouwen; cel: aarde; clan: zoon; flere: godheid; lautn: familie; lup-: sterven; malena: spiegel; mul-: schenken nefts: kleinzoon; puia: vrouw; sech: dochter; spur: stad; šuth: begraven, plaatsen; sval: leven; tin: dag; tular: grens; tur: geven; thi: water; ušil: zon; vinum: wijn; zich: schrijven.
Grammatica Het Etruskisch lijkt in elk geval een agglutinerende taal. Enkele feiten uit de morfologie:
A. Het naamwoord Voor het Etruskisch zijn er twee meervoudsvormen bekend. Men gebruikt de uitgang -r voor levende wezens (bijvoorbeeld clenar ‘zonen’, aiser ‘goden’) en de uitgang -(ch)va voor levenloze zaken (vb. flerchva ‘offers’).
Een onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk is alleen te bekennen bij eigennamen (bijvoorbeeld Larth (m); Larthi (vr)).
Adjectieven eindigen op -u, -na of -ch (bijvoorbeeld aisiu ‘goddelijk’, spurana ‘stedelijk’, apana ‘vaderlijk’, Rumach ‘Romeins’).
We kennen voor het Etruskisch vijf naamvallen:
a. nominatief-accusatief = basisvorm: vb methlum ‘stad’, apa ‘vader’, Rasna ‘Etrusken/Etrurië’, Larth, Tute, Vel. De nominatief-accusatief wordt gebruikt voor het onderwerp en het lijdend voorwerp, het naamwoordelijk gezegde en de aanspreking.
b. locatief: -i/-th (i): bijvoorbeeld methlum-th ‘in de stad’. De locatief wordt gebruikt voor de plaatsbepaling en voor de bepaling van middel.
c. genitief: I. (vocaal)+s: apa-s ‘van de vader’; II. (vocaal)+l: Rasna-l ‘van Etrurië’. De genitief wordt gebruikt voor de bijvoeglijke bepaling (bezitsaanduiding) en soms voor het meewerkend voorwerp.
d. ablatief: I. gepalataliseerde genitief (Rasnes, Tuteis); II. genitief + s: Larthals. De ablatief wordt gebruikt voor het handelend voorwerp en de afstamming in familierelaties.
e. pertinentief: I. genitief + i (apasi); II. genitief + e (Larthiale). De pertinentief wordt gebruikt voor het meewerkend voorwerp en bij passieve werkwoordsvormen ook voor het handelend voorwerp.
Daarnaast zijn er ook achtervoegsels zoals -ri (bijv. methlumeri) om aan te duiden ten voordele van wie iets gebeurt.
B. Voornaamwoorden We kennen persoonlijke voornaamwoorden voor de eerste persoon enkelvoud (ik): mi (accusatief: mini, mine) en voor de 3de persoon (hij, zij): un (?)
Daarnaast zijn een aantal aanwijzende voornaamwoorden bekend: 1. ika/ica (arc); eca/ca (rec); 2. ita (arc); eta/ta (rec); 3. (i)ša (doet ook dienst als een soort van lidwoord), bijvoorbeeld Arnthališa ‘die (zoon) van Arnth’.
C. Telwoorden 1 = thu; 2 = zal; 3 = ci; 4 = huth of ša; 5 = mach; 6 = ša of huth; 7 = semph (?); 8 = cezp (?); 9 = nurph (?); 10 = sar; 20 = zathrum.
Vanaf 30 neemt men de eenheden met het achtervoegsel -alch (vb.: 30 = cealch)
Bij optelling zet men tientallen en eenheden naast elkaar (vb. cealch ci = 33); vanaf 7 telt men af naar het volgende tiental (vb. ci-em-cealch = 27 = 3 van 30).
D. Werkwoorden Van de werkwoorden weten we dat getal en persoon niet worden aangeduid. We kennen verder de volgende vormen:
a. basisvorm = imperatief: vb. tur ‘geef’
b. necessatief (drukt "moeten" uit): -ri: vb. acasri ‘moet gedaan worden’