thumb|Vissers bij hun fuiken, Ammerstol thumb|Visser bezig met het breien van een visnet. In zijn rechterhand houdt hij de breinaald, in de linkerhand de schiel die de maaswijdte bepaalt. Binnenvisserij in Nederland wordt uitgeoefend in rivieren, kanalen, meren en sloten. Het wordt ook wel zoetwatervisserij genoemd en is de derde soort visserij naast kustvisserij en zeevisserij.
Grens tussen zoet en zout De grens tussen zoet en zout water is in Nederland eeuwenlang vaag geweest en ging nog wel eens heen en weer. De visserijwet van 1908 verstond onder zeevisserij het vissen buiten de territoriale wateren, onder kustvisserij het vissen in de territoriale wateren, de zeegaten, de open havens, de Dollard, de Lauwerszee, de Waddenzee, de Zuiderzee en de Zuid-Hollandse en Zeeuwse stromen.Zuid-Hollandse en Zeeuwse stromen: Hollandsch Diep, Haringvliet, Volkerak, Grevelingen, Oosterschelde en Veerse Meer Onder binnenvisserij verstond de wet het vissen in de overige wateren.Nederlandsche Staatscourant 29 oktober 1908 De precieze grens tussen binnenvisserij en kustvisserij werd vastgelegd in het binnenvisserijreglement.Nederlandsche Staatscourant 22 april 1911 Na het leggen van de Afsluitdijk, het afsluiten van de Lauwerszee en het voltooien van de Deltawerken in Zeeland ontmoeten zoet en zout water elkaar alleen nog direct in de monding van de Westerschelde, de Nieuwe Waterweg en de Eems.
Visrecht en reglementering Keizers en koningen hadden van oudsher het recht op visserij en jacht. Ze konden dat recht in leen geven aan lagere overheden of als privilege geven aan steden en die konden het dan weer verpachten. De reglementering van o.a. gesloten perioden, toegestane vistuigen en maaswijdtes werd daardoor regionaal bepaald. Zo liet het Hof van Friesland in 1539 vier ijzeren schielen maken als norm voor de maaswijdtes van zegens.een schiel is een houtje dat men bij het breien van visnetten gebruikt om de knoopafstand, dus de maaswijdte te bepalen. Er werd namelijk met te kleine mazen gevist zodat ook kleine visjes werden gevangen, waardoor de visstand gevaar liep.Groot placaat en charter-boek van Vriesland, Volume 2. Door Georg Frederik baron Schwartzenberg en Hohenlansberg Het probleem was hardnekkig en in 1599 werden steden en grietenijen er door de Staten van Friesland aan herinnerd dat ze de maaswijdtes met die ijzeren schielen moesten controleren.Groot placaat en charter-boek van Vriesland, Volume 4. Door Georg Frederik baron Schwartzenberg en Hohenlansberg
In de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ging het ‘leenrecht’ naar de provincies. De regionale verschillen in gesloten perioden, toegestane vistuigen en maaswijdtes bleven bestaan. Overbevissing was een algemeen probleem. De Staten van Holland en West-Friesland vaardigden in 1709 een Placaat op het visschen in de Rivieren, Meeren en Binnewateren uit, met als aanhef dat ‘vele baatzuchtige mensen en kwaadaardige bedervers van de visserij’ zich niets aantrekken van wetten en regels en zoveel vis vangen dat daardoor de legale visserijen ten onder gaan. Voor bepaalde vissoorten waren de maanden maart, april en mei gesloten en andere vissoorten mochten in die periode alleen met bepaalde vistuigen worden gevangen. Daarvoor golden verschillende maaswijdtes en bijvoorbeeld die voor de fuik werd omschreven als: 42 overgangen of 21 mazen in een el.Placaat op de Visscherye in de Rivieren, Meeren en Binnenwateren dezer Provincie (1709);Resolutien van de Heeren Staaten van Holland en Westvriesland tweede deel.(1769) Utrecht kwam in 1708 en 1764 met een vergelijkbaar plakkaten.Groot Placaatboek vervattende alle de Placaten, Ordonnantien en Edicten (Utrecht 1728)
Tijdens de Bataafse Republiek werd onderscheid gemaakt tussen publieke en private visserij. Publiek was alle water dat niet in particulier bezit was en dus hoorde tot het gemeenschappelijk eigendom van het Bataafse Volk. Direct na het uitroepen van de Bataafse Republiek in januari 1795 werd het vissen in publiek water vrijgegeven. Die vrijheid liep meteen uit de hand en er ontstond overbevissing. Nog in dat eerste jaar van de Bataafsche Vrijheid, op 18 augustus, verscheen de Publicatie op het visschen in de Rivieren, Meeren en Binnewateren (Vrijheid, gelijkheid, broederschap nr. 76) waarin de oude wetten en plakkaten weer in ere werden hersteld. In het reglement op het jagen, vogelen en vissen van 28 oktober 1799 werd bepaald dat een burger alleen in publiek water mocht vissen als hij zich had laten registreren (kosten 6 stuivers) en daarvan een schriftelijk bewijs bij zich droeg. Voor het vissen in privaat water was een geregistreerde consentbrief van de eigenaar of huurder nodig. Tijdens het Koninkrijk Holland kwam voor deze papieren het begrip acte van vergunning in gebruik. In de eerste Wet op de Jacht en Visserij na de Franse tijd, in 1814, werd het onderscheid tussen publiek en privaat viswater niet meer gemaakt. Om te mogen vissen moest men een acte kunnen tonen, die tegen betaling bij de Opperhoutvester kon worden verkregen. Alleen voor het vissen met de hengel in de hand was geen visakte nodig. In de wet stonden enkele verbodsbepalingen die voor het hele land golden, maar verder was de reglementering in handen van de provincies, zoals dat ook tijdens de Republiek het geval was geweest.
Provinciale reglementen Vanaf 1852 werd de reglementering van de binnenvisserij helemaal aan de provincies overgelaten. Vijf jaar later kwam er alweer een nieuwe wet, waarin de centrale overheid de regeling van de zalmvisserij naar zich toetrok omdat de provincies het er niet over eens werden. De wet kende twee visakten: de grote akte voor alle geoorloofde vistuigen en de kleine voor één toegestaan vistuig. Voor onvermogenden was de kleine akte gratis en voor vissen met de hengel in de hand was geen visakte nodig. Voor de praktijk van de binnenvisserij (o.a. geoorloofde vistuigen, grootte van de mazen, gesloten periode) liet de centrale overheid alles, met uitzondering van de zalmvisserij, over aan de provincies. De provinciale reglementen liepen vrij sterk uiteen, wat vooral lastig was als een provinciegrens door het midden van een viswater liep.
Toegelaten vistuigen De vishaak, de visspeer, de fuik en de zegen zijn voorbeelden van vistuigen die tot de oudste vistuigen op de wereld behoren en in de Lage Landen was het niet anders. Het in 1899 gemaakte overzicht van de toegelaten vistuigen toont de variatie per provincie. Gemeenschappelijk waren de zegen met en zonder zak, de aalfuik, de aalkorf, het kruisnet of totebel, de dobber, de hengel, het schakelnet, de aalschaar of elger, de zetlijn en de zetangel, de beide laatsten ook wel fleur genoemd. Het aantal afgegeven visakten bewoog zich in de laatste decennia van de 19e eeuw rond de 20.000. De visserijwet van 1963 is in 2020 nog steeds van kracht. Dat geldt ook voor het Reglement voor de binnenvisserij van 1985, waarin landelijk zijn toegelaten: zegen, aalzegen, aalhoekwant, aalfuik, aalkistje, aaldogger, visfuik, aaskuil, kruisnet, staand net, hengel, peur, kreeftenkorf, gebbe, schepnet en het elektrovisapparaat.Reglement voor de binnenvisserij In de Uitvoeringsregeling visserij is het gebruik van deze vistuigen beperkt naar plaats en tijd.Uitvoeringsregeling visserij
Vissoorten thumb|Friese palingaken afgemeerd bij Billingsgate, UK, 1886 Zoetwatervissen als snoek, brasem en karper werden in de middeleeuwen uitgevoerd naar Duitsland, net als trekvissen die afwisselend in zout- en zoetwater verkeren zoals zalm, elft, spiering en paling. Engeland werd vanaf het midden van de 14e eeuw een belangrijke afnemer van Nederlandse paling en vanaf omstreeks 1700 verplaatste die handel zich geleidelijk naar Friesland. Tot de Tweede Wereldoorlog hadden Friese palinghandelaren met hun palingaken een vaste ligplaats aan de Londense vismarkt Billingsgate.
Viswater Door het droogleggen van meren zoals in de 17e eeuw in Noord-Holland ging viswater verloren, door turfafgraving ontstonden er plassen en vaarten en kwam er viswater bij. In de 19e eeuw verminderde de hoeveelheid viswater in Noord- en Zuid-Holland door droogmakerijen als het Koegras, de Anna Paulownapolder, de Zuidplaspolder, de Haarlemmermeer en de IJpolders. De afsluiting van een groot deel van de Zuiderzee voegde het IJsselmeer toe aan het binnenwater en met het aanleggen van de IJsselmeerpolders werd er weer een deel aan onttrokken. Het werken aan een duurzame energietoekomst heeft als neveneffect dat verdere onttrekking van viswater zal plaatsvinden door de bouw van windmolens in het IJsselmeer, door drijvende zonneparken en door de aanleg van zonneatollen.Windpark Fryslân; Drijvende zonnepanelen op het IJsselmeer; Onderzoek naar zonne-eilanden in IJsselmeer (Provincie Noor-Holland, 23 oktober 2020). Gearchiveerd op 6 oktober 2021. De industrialisatie in de 19e eeuw had als neveneffect waterverontreiniging en daardoor verslechtering van de kwaliteit van het viswater. Rivieren werden ten behoeve van de scheepvaart gekanaliseerd. Door de veranderde stroming werden paaiplaatsen ongeschikt en door stuwen en sluizen vaak onbereikbaar. Omstreeks 1950 kwam er nagenoeg een einde aan de riviervisserij door fulltime vissers.In 2020 zijn er nog twee familiebedrijven die fulltime op de rivieren vissen (NRC 2 november 2020)
Ontwikkelingen in de 20e eeuw thumb|Hengelaars aan de Ringvaart bij de Cruquius, 1954 Rond 1900 waren er nog zo’n 5000 beroepsvissers werkzaam in de Nederlandse binnenwateren, vijftig jaar later was dat aantal door verschillende oorzaken gehalveerd. De Nederlandse visconsumptie verschoof naar zeevis en tijdens de crisisjaren was er voor veel vissers geen droog brood te verdienen. De meestal kleinschalige bedrijven moesten bovendien na 1932 concurreren met een nieuwe leverancier van zoetwatervis: de IJsselmeervisserij. Daar tegenover vertoonde het aantal uitgereikte akten voor het vissen met meer dan één hengel een sterk stijgende lijn: van 2000 rond 1900 naar 60000 rond 1950. Voor het vissen met één hengel was geen akte nodig, maar sinds 1942 wel een ‘bijdragebewijs ter verbetering van de binnenvisserij’. Rond 1950 werden daar zo’n 350000 van uitgereikt. De groeiende hengelvisserij kreeg geleidelijk de naam sportvisserij.Van Drimmelen, p. 80, 81
De belangen van beroepsvissers en sportvissers botsten regelmatig. Sportvissers waren afhankelijk van beroepsvissers voor het verkrijgen van vergunningen. In 1954 werd in de visserijwet geregeld dat beroepsvissers en vissportverenigingen gelijke rechten hadden bij het pachten van viswater. Kuilvissers op het IJsselmeer hadden veel bijvangst van ondermaatse schubvis als baars en snoekbaars, waardoor het aantal volwassen exemplaren afnam wat in het nadeel was van de sportvissers.
In 1968 ging de Tweede Kamer akkoord met een voorstel waarbij prioriteit werd gegeven aan de sportvisserij. Het voorstel bevatte o.a. de mogelijkheid om visrechten gesplitst te verhuren: de aal voor de beroepsvissers, de schubvis voor de sportvissers. In 1970 volgde er een kuilverbod en een deel van de kuilvissers stopte, een deel ging over op andere vistechnieken. De beroepsvissers die met hun bedrijf stopten kregen een vergoeding uit het saneringsfonds voor de visserij. thumb|Fuik met wolhandkrabben Wolhandkrab Rond 1935 kwamen de eerste berichten over de schade die de wolhandkrab aanrichtte: aantasten oevers, opeten kuit en vernielen van fuiken. Rond 1955 werd er gesproken over een plaag die moest worden bestreden. Dat bleek onbegonnen werk. Vissers maakten hun aalfuiken van steviger materiaal zodat de krabben minder schade aanrichtten. Rond 1980 kwamen er berichten dat het dier een lekkernij was. In 2012 adviseerde de Commissie Toekomst Binnenvisserij de binnenvissers zich ook op de vangst van dit dier te richten.
Organisatie ter verbetering van de Binnenvisserij