De kolonie aan de rivier de Swan (Engels: Swan River Colony) was een Britse kolonie in het westen van het Australische continent. Ze bestond officieel van 1829 tot 1832.
In het begin van de 19e eeuw leken de Fransen interesse in het westelijke deel van het Australische continent te tonen. De Britten besloten er enkele militaire posten en nederzettingen op te richten om te voorkomen dat de Fransen het in het bezit namen. In 1827 verkende kapitein James Stirling onder meer om die reden de Swan en geraakte ervan overtuigd dat het een ideale plaats was om een kolonie te stichten. Zijn positieve verslag en de naoorlogse omstandigheden in het Verenigd Koninkrijk (VK) brachten een 'Swan Mania' op gang. Twee jaar later voer Stirling met twee schepen en enkele honderden kolonisten en soldaten naar de Swan terug, om er een nederzetting te vestigen. Tientallen schepen met kolonisten zouden de daaropvolgende maanden en jaren volgen.
De kolonie mocht de Britse staat niet veel kosten en zou voornamelijk met private middelen worden gefinancierd. De kolonisten kregen grond toegewezen in verhouding tot de hoeveelheid ingebrachte kapitaalgoederen. Nadat de eerste kolonisten waren gearriveerd duurde het nog bijna een half jaar voor de eerste gronden konden worden toegewezen, omdat de omgeving nog verkend en de kavels opgemeten dienden te worden. De kolonisten overleefden in die periode in barre omstandigheden, zonder veel bescherming tegen de weersomstandigheden, terend op voorraden uit Engeland, jacht en visvangst.
Eens de gronden waren toegewezen rezen andere problemen. Sommige kolonisten hadden geen tijd of onvoldoende financiële middelen over om ze in cultuur te brengen. Andere kolonisten kregen nog geen grond of grond van slechte kwaliteit toegewezen. Er heerste een tekort aan geschoolde arbeidskrachten en muntgeld. De Nyungah, met wie de kolonisten vriendschappelijke relaties had ontwikkeld, werden vijandiger naarmate het wild verdween en meer grond in cultuur werd gebracht.
In de beginjaren zag het er soms naar uit dat de kolonie niet zou overleven. Sommige kolonisten keerden terug naar Engeland of de kolonies aan de oostelijke zijde van het Australische continent. De 'Swan Mania' in het VK sloeg om in negatieve berichtgeving, vele investeringen werden stopgezet en vertrekkensklare schepen bleven aan de kade. De kolonisten slaagden er echter in landbouw en veeteelt te ontwikkelen. Ze verkenden de omgeving, voerden openbare werken uit en vestigden zich zowel ten zuiden, noorden als oosten van de Swan.
De kolonie werd begin 1832 tot de kolonie van West-Australië (Engels: Colony of Western Australia) hernoemd. De drijvende kracht achter de totstandkoming van de kolonie, kapitein James Stirling, werd toen officieel tot gouverneur van West-Australië benoemd. De oorspronkelijke nederzetting ontwikkelde tot de stad Perth. De kolonie zou in de volksmond nog jaren de Swan River Colony worden genoemd.
Aanloop miniatuur|links|James Stirling Het Britse Rijk zocht in het begin van de 19e eeuw naar manieren om zijn handelspositie in het Oosten te versterken. Nederland had Singapore op 17 maart 1824 overgedragen. Op 26 september 1824 werd een Britse nederzetting op Melville-eiland gevestigd. In januari 1826 verkreeg het Britse 'Colonial Office' informaties over groeiende Franse interesse in het westelijke deel van het Australische continent. Het gelaste Ralph Darling, de gouverneur van New South Wales, bijkomende nederzettingen in het westen van Australië te vestigen. Op 9 november 1826 zette majoor Edmund Lockyer met de Amity zeil naar het westen van Australië. Hij arriveerde op 25 december 1826 in de King George Sound en vestigde er een militaire post. Uit Lockyers dagboek blijkt dat de baai reeds geregeld door – vooral Amerikaanse – walvis- en zeehondenjagers werd bezocht. De walvisjagers bleken geweld tegen de inheemse bevolking te hebben gebruikt.
Om zonder aanstoot naar de Franse interesse te peilen, werd kapitein James Stirling tot bevelhebber van de HMS Succes benoemd. Onder het mom van een levering muntgeld aan de kolonie New South Wales, en de bevoorrading van de basis op Melville-eiland – vanwaar verontrustende tijdingen Londen hadden bereikt, zette Stirling op 9 juni 1826 naar Sydney zeil. Volgens Stirlings biografe, Pamela Stathem-Drew, speelde hij toen al met het idee van een verkenning – zo niet een nederzetting aan de monding – van de Swan. Ze vermoedde dat Stirling in de bibliotheek van de oom van zijn vriend James Mangles verscheidene werken over New South Wales had ingekeken. De oom, die ook James Mangels heette, had drie schepen tussen Londen en Sydney varen. Tijdens de reis naar New South Wales bestudeerde Stirling de land- en zeekaarten die de Britten van Australië in hun bezit hadden.
Na kaap de Goede Hoop en Mauritius te hebben aangedaan, rondde Stirling op 4 november 1826 kaap Leeuwin. Volgens Stathem-Drew namen Stirlings plannen om de kust boven kaap Leeuwin te verkennen toen vermoedelijk vaste vorm aan. Van zijn collega's en de familie Mangles wist hij dat de Britse militaire en koopvaardijschepen gevaar liepen tussen kaap de Goede Hoop en de Britse basissen in Bombay, Madras en Trincomalee. Met een Britse basis op de Australische westkust kon volgens Stirling dit gevaar worden omzeild. De schepen konden dan van de Roaring Forties gebruik maken en vervolgens met behulp van de landwinden langs de westkust van wat toen nog Nieuw Holland heette noordwaarts varen. Een militaire post diende de kust te beveiligen en de mogelijkheid tot bevoorrading te bieden. De King George Sound was reeds gebruikt voor het herstellen en bevoorraden van schepen maar lag te zuidelijk. Buitenlandse machten zouden slechts de dreiging van een basis op de westkust erkennen. De kust aan de monding van de Swan was nog nooit door een Brits officier verkend. Noch Matthew Flinders rond 1802, noch Philip Parker King in 1817, hadden de kuststrook tussen Shark Bay en kaap Leeuwin tijdens hun ontdekkingsreizen deftig kunnen verkennen. De kuststrook lag daarenboven ten zuiden van het eerder door Nederlandse ontdekkingsreizigers te droog bevonden gebied. miniatuur|d'Urvilles kaart van de rivier Swan uit 1801 Op 28 november 1826 arriveerde Stirling in Port Jackson. Het muntgeld werden ontscheept. Stirling ontmoette er gouverneur Darling en vernam dat Darling majoor Edmund Lockyer naar de King George Sound had gezonden om er een militaire post te vestigen. Op 2 december 1826 arriveerde de L'Astrolobe onder bevel van Jules Dumont d'Urville in Port Jackson. Stirling bezocht d'Urville verscheidene malen. Ze bespraken Stirlings missie naar Melville-eiland en Stirling mocht de Franse kaarten van de westkust bestuderen. Stirling schrok toen hij een gedetailleerde kaart van de Swan uit 1801 opmerkte. Hij had de verslagen van Nicolas Baudins verkenningstocht gelezen maar deze bevatten geen kaarten of details van de verkenning van de Swan door kapitein Hamelin en luitenant de Freycinet – toen hun schip de Naturaliste bij Rottnesteiland voor anker op de Geographe van Baudin lag te wachten. De Fransen vonden de rivier echter slecht bevaarbaar en drinkwater te veraf gelegen, en verloren hun interesse. Stirlings hoop op roem lag aan diggelen, maar al snel besefte hij dat de Fransen verder geen moeite meer hadden gedaan en dat de rivier niet tot haar bron was verkend. Volgens d'Urville waren de Fransen bovendien niet meer in de westkust maar in Nieuw-Zeeland geïnteresseerd.
Op dezelfde dag dat d'Urville in Port Jackson aanmeerde, arriveerde de van Melville-eiland teruggekeerde Isobella. De nieuwe bevelhebber van de nederzetting liet weten dat veel problemen ondertussen waren verholpen. Gouverneur Darling schreef het goede nieuws in een boodschap voor Londen en voegde eraan toe dat hij Stirling had laten weten dat het niet het geschikte seizoen was voor de reis naar Melville-eiland. Stirling liet Darling in een schrijven weten dat hij de Swan wilde verkennen en gaf hiervoor vier argumenten: Het gebied was van strategische en nautische waarde. Voor de monding van de rivier de Swan lag een dynamische zone met twee sterke tegengestelde windkrachten waardoor daar gestationeerde schepen de hele Indische Oceaan konden controleren. Het gebied lag op dezelfde lengtegraad als Sydney en had een mediterraan klimaat waardoor men er koopwaar kon produceren om met tropische buren als India, de eilanden van de Indische Archipel en Mauritius handel te drijven. Schepen die handeldreven met China konden kosten besparen door vracht voor de nederzetting aan de Swan mee te nemen en er zich te bevoorraden. De Swan lag slechts op drie weken varen van Madras – tegenover op drie maanden varen van Engeland. Het Brits militair en koloniaal personeel kon zo op verlof in een gematigder klimaat, en de bevoorradingsroutes waren veel korter.
Stirling kreeg toelating om de Swan te verkennen en op 17 januari 1827 voer hij met de Succes en de Currency Lass uit. Aan boord waren onder meer koloniaal botanicus Charles Fraser, landschapsschilder Frederick Garling Jr. en scheepsarts Frederick Clause. Stirling diende eerst muntgeld af te leveren in Hobart. De Currency Lass liep na het verlaten van Hobart echter averij op en werd achter gelaten. Onderweg bestudeerde Stirling kopijen van d'Urvilles kaarten.
De verkenning van de Swan miniatuur|links|De kust voor de monding van de Swan Op 5 maart 1827 bereikte de Succes Rottnesteiland. Na een mislukte poging om dicht tegen het vaste land voor anker te gaan, werd de nacht net buiten Thomson Bay doorgebracht. De volgende ochtend om vijf uur reeds lichtte men het anker en voer voorzichtig – onderwijl de diepte peilend – naar de monding van de Swan. De Succes had een diepte van 5,5 meter en de twee zandbanken tussen de eilanden en het vaste land lagen op sommige plaatsen slechts 4 meter onder de waterspiegel. Men ging anderhalve kilometer ten zuidwesten van de monding voor anker, op een plaats waar het water 6 meter diep was. Stirling, Preston en Fraser voeren met een verkenningsboot de rivier op, tot aan een verbreding in de rivier die Stirling 'Melville Water' noemde. Hij vernoemde nog twee andere punten, naar luitenant Preston en zijn broer Walter, en schoot drie zwarte zwanen.
Kapitein Millroy van de Succes had ondertussen een vaargeul gevonden. Nadat Stirling van de verkenningstocht was teruggekeerd, werd de vaargeul met moeite teruggevonden. Stirling vond een ankerpunt nabij 'Isle Berthelot'. Hij hernoemde het 'Carnac Island' naar zijn eerste luitenant, en 'Isle Bauche' 'Garden Island'. Een bezoek aan 'Garden Island' gaf uitzicht op de Cockburn Sound, een baai die uitstekend als haven kon dienen indien een toegang kon worden gevonden. Stirling liet de Succes vervolgens onder het gezag van zijn luitenanten Carnac en Preston achter, met instructies om een veilige toegang tot de baai te vinden. Hij begon aan de voorbereiding van zijn verkenningstocht.