De bronstijd in de Levant duurde vanaf het einde van de kopertijd tot het begin van de ijzertijd, van ca. 3.500 tot 1.200 v.Chr.
De Levant lag tijdens de bronstijd ingeklemd tussen de grootmachten van Mesopotamië, Anatolië en Egypte en was politiek versplinterd.
De bronstijd dankt zijn naam aan de ontwikkeling van een nieuwe technologie: het maken en bewerken van brons. Brons wordt vervaardigd door een kleine hoeveelheid tin aan koper toe te voegen. Het voordeel van brons is dat het harder is dan koper.
Verreweg de belangrijkste uitvinding van deze periode was de ontwikkeling van het schrift rond 3200 v.Chr. Het oudste schrift verschijnt min of meer gelijktijdig in twee gebieden: in Mesopotamië en in Egypte. De ontwikkeling van het schrift was het logisch gevolg van een ontluikende bureaucratie in deze cultuurgebieden.
Vanuit Ugarit waren al vroeg handelscontacten gelegd met Alashia op Cyprus, waar men koper vandaan haalde, en ook met de verder weg liggende Cycladen en Kreta. Intussen waren de contacten tussen Mesopotamië, Anatolië, Syrië en Egypte toegenomen. In de bergen van de Taurus haalde men obsidiaan voor spiegels, en tin om met koper tot brons te mengen. Koper werd waarschijnlijk uit Cyprus aangevoerd, dan wel via Ugarit. Aan het einde van het vierde millennium was Jericho, dat vanuit het stroomgebied van de Eufraat via de Jordaan goed bereikbaar is, een ommuurde stad die sindsdien onafgebroken bewoond werd. Vanwege haar ligging werden er grote voorraden en kostbaarheden opgeslagen om verder verhandeld te worden.
De bronstijd eindigde met grote internationale crisis, de ondergang van het internationale systeem aan het einde van de late bronstijd waardoor geschreven bronnen schaarser werden. Het bracht grote migratiestromen op gang, zoals de zeevarende Filistijnen. Andere zeevolkeren, die ook beschreven zijn in Egyptische bronnen, worden verantwoordelijk gehouden voor het verwoesten van steden als Ugarit en Asjdod.
Vroege bronstijd (3500 - 2000 v.Chr.) Terwijl op Kreta de Minoïsche beschaving bloeide en er vanuit dit eiland voortdurend overzeese contacten waren met de wijde omgeving van de Middellandse Zeekusten, waren ook in de Levant een aantal steden opgekomen. Vermoedelijk was er daarbij ook sprake van culturele uitwisseling.
Gedurende de vroege en middenbronstijd gingen Syrië en Palestina ieder hun eigen weg. Palestina was gedurende een aantal generaties vrijwel onbewoond. Gedurende de vroege bronstijd verschenen er migranten uit het noorden. Het gebied bleef dunbevolkt en nam nauwelijks deel aan de internationale handel. Alleen met Egypte was er regelmatig contact. Er zijn uit deze periode in Palestina nauwelijks schriftelijke bronnen overgeleverd. Het gebied bestond uit ongeveer twintig kleine stadstaten. Slechts enkele steden hadden meer dan 2.000 inwoners. De belangrijkste Palestijnse steden waren Megiddo, Laish,Dan Captures the City of Laish, Richteren 18 (het latere Dan), en Ai.
Handel en culturele uitwisseling thumb|250px|Transport per boot van Libanees cederhout naar Mesopotamië (uit het paleis van Sargon II, eind 8e eeuw v.Chr.). Volgens Herodotos zouden in Fenicië de eerste steden rond 2750 v.Chr zijn gesticht. Navolging van de bloeiende stadstaten in Mesopotamië kan deze ontwikkeling hebben beïnvloed. Sidon was vanaf 2700 v.Chr. de oudste Fenicische stad, naast Baalbek en Tyrus. Dit waren alle havens van het mediterrane handelsrijk. Er bevond zich een Ashtart-tempel in Sidon.
Aan de kust van Syrië waren rond 2.500 een aantal van steden tot bloei gekomen. Zij speelden een belangrijke rol in de internationale handel. Gedurende het Egyptische Oude Rijk vond op grote schaal uitwisseling van goederen en cultuur plaats met Egypte via de steden Askalon en Byblos.E. Schott: Das Goldhaus unter König Snofru (Göttinger Miszellen 3), Göttingen 1972 p. 31-36 Byblos was in de vroege bronstijd de belangrijkste havenstad van de Levant, van waaruit vooral veel cederhout naar Egypte werd verscheept. Aangezien er in Egypte zelf weinig bomen met goed timmerhout groeiden, was dit daar een gezocht artikel. Tijdens de tweede dynastie (~2853 - ~2707) waren de kuststeden min of meer Egyptische kolonies. Ook met Mesopotamië was er een levendige handel, vooral in metaal.
Volksbewegingen en vazalsteden Vanaf 2.500 trad er een kentering op in de rustige vreedzame levenswijze in en rond Kanaän. Vanaf die tijd blijken er in toenemende mate volksbewegingen in en naar de regio op gang gekomen te zijn. Vanuit Egypte werden pogingen gedaan om het gebied en de handelsrelaties voor zichzelf veilig te stellen.
De stadskoningen (intussen "baäls" genaamd), werden vanaf de 4e dynastie van Egypte (2639–2504 v.Chr.) vazallen van farao's als Snofroe. Deze laatste ondernam op zeker moment een strafexpeditie tegen Libische stammen, waarbij honderden Libiërs gevangen werden genomen, omdat een baäl blijkbaar niet aan zijn voorwaarden voldeed. Iets gelijkaardigs gebeurde daarna meerdere malen: Teti, farao van de 6e dynastie van Egypte (2347–2335 v.Chr.), en veel later ook Merenptah en Othoes, stuurden expedities naar Kanaän. In Byblos zijn sporen van hem gevonden.
Volgens professor Seton Lloyd "schijnt er omstreeks 2300 voor Chr. een golf van Indo-Europese volken, die een dialect spraken dat als Luwisch bekendstaat, over Anatolië heen gespoeld te zijn" ... "Hun voorttrekken werd gekenmerkt door wijdverbreide destructie".Lloyd S. Early Highland Peoples of Anatolia. Early Anatolia. Tussen 2300 en 2100 ontstond ook een migratiegolf van Semieten naar het noordelijke deel van Kanaän dat later Fenicië zou worden, waarbij de twee volken zich met elkaar vermengden.Moscati, Sabatino, The World of the Phoenicians Het was in dezelfde periode, rond 2100 v.Chr., dat Myceense Indo-Europese stammen Griekenland binnenvielen. Deze Achaeërs drongen door tot de Peloponnesos en stichtten er de steden Mycene, Tiryns en Pylos, met kolossale burchten en muren.
Middenbronstijd (2000 - 1550 v.Chr.) thumb|180px|Het Proto-Sinaïtische schrift. Tijdens de middenbronstijd kwamen een aantal stedelijke centra in Palestina plotseling tot bloei. Dit hield vermoedelijk verband met invloeden uit Egypte tijdens het Middenrijk en de periode van de Hyksos. Ook de invloed van Fenicië was groot in deze periode.
Tijdens het Middenrijk voerde Egypte een op expansie gerichte politiek. De 12e dynastie veroverde Neder-Nubië, dat rijk was aan goud, koper en rundvee. Ook werden in deze periode veldtochten in Syrië gehouden met als belangrijkste drijfveer het bemachtigen van het cederhout uit de Libanon. Andere gewilde producten uit Syrië waren wierook, olie en wijn. Met Byblos en andere stadstaten werden diplomatieke contacten onderhouden.
In Opper-Egypte zijn inscripties gevonden die dateren uit de 19e eeuw v.Chr. en geschreven zijn in wat lijkt op Proto-Sinaïtisch schrift. Het Proto-Sinaïtische schrift is tot ~1100 v.Chr. in gebruik gebleven.
Van 2000 tot 1750 onderhield het Oud-Assyrische Rijk een uitgebreid netwerk van handelsnederzettingen in de stadstaten van Anatolië, waardoor ook daar het schrift zijn intrede deed. De midden-bronstijd kwam daar gewelddadig ten einde in: A companion to the archeology of the ancient Near East, 2012, en er ontstond een nieuwe macht, het Hettitische Rijk. Zij spraken een Indo-Europese taal die ze verspreidden onder de bevolking van Anatolië.
Vanaf 1800 v.Chr. was er sprake van Amorieten die deel uit gingen maken van de bevolking in Kanaän. Toen deze Amorieten de regio waren binnengevallen veroorzaakte dat grote omwentelingen. Steden raakten verlaten en geheel vernield, en de rondzwervende indringers gingen zich er op hun beurt vestigen. Zo verrezen er nieuwe ommuurde steden met stamhoofden die in forten leefden, terwijl de half-nomadische stamleden zich daar in hutten of tenten rondom schaarden. Als er gevaar dreigde vluchtten zij het fort binnen.
Hyksos Rond 1750 v.Chr. brak in Egypte een periode van politieke desintegratie aan. Semitische migranten uit het oosten drongen de delta binnen om zich er in aanzienlijke aantallen te vestigen. De invallers introduceerden in Egypte het paard en de strijdwagen, nieuwe wapens en een nieuw soort boog. Mede door hun aantal waren zij een macht van betekenis; hun aanwezigheid bracht in Egypte op termijn buitenlandse heersers aan de macht.
Rond 1640 v.Chr. werd de 13e dynastie omvergeworpen door een groep van deze Hyksos, de Griekse vorm van de Egyptische woorden heqaw chasoet, "heerser van vreemde landen". De Hyksos maakten Avaris in de oostelijke delta tot hun hoofdstad. De 15e dynastie van deze Hyksos werd gesteund door prinsen en vazallen die in Neder-Egypte tot de 17e dynastie zouden heersen. Opper-Egypte ten zuiden van Memphis maakte geen deel uit van hun machtsgebied. Avaris speelde een belangrijke rol bij de handel met zuidelijk Palestina, dat vermoedelijk ook door de Hyksos werd geregeerd. Ook met Cyprus, Kreta en Griekenland werden door hen contacten onderhouden.
In Kanaän werd rond 1580 v.Chr. de stad Jericho belegerd en geheel verwoest. Ook andere steden werden verwoest. Sommigen menen hier Jozua en het volk van Israël uit de Hebreeuwse Bijbel aan het werk te zien, maar de datering strookt niet met de Bijbelse chronologie. Een deel van de verwoestingen was ongetwijfeld het werk van Egyptische legers; Egypte begon aan het eind van de middenbronstijd immers de verovering van Palestina en Syrië na te streven. (2001): Canaan and Israel in antiquity. An introduction, Sheffield Academic Press, Lond0n/New York, p. 106. De Engelse archeologe Kathleen KenyonKenyon, Kathleen DUJ heeft dankzij verbeterde archeologische stratigrafie-methoden de ruïnes van de wallen van de stad Jericho in 1550 v.Chr. gesitueerd.
Late bronstijd (1550 - 1200 v.Chr.) thumb|320px|Het oostelijk deel van het Middellandse Zeegebied in de 14e eeuw v.Chr. Tussen 1650 en 1550 werden de meeste steden in Palestina verwoest. Dit had verschillende oorzaken. Gedurende de late bronstijd was de regio een speelbal in de strijd tussen de grootmachten. In het noorden had het koninkrijk der Hettieten zich tot een sterke militaire macht ontwikkeld. In noordelijk Mesopotamië lag het rijk der Mitanni, een Hurritisch vorstendom met een aristocratie die bedreven was in de oorlogvoering met de strijdwagen. De sterkste macht was Egypte, dat onder de 18e en 19e dynastie het hoogtepunt van zijn macht bereikte.
Er waren een aantal redenen waarom de grootmachten probeerden Syrië en Palestina te veroveren. Enerzijds waren dat de natuurlijke hulpbronnen van het gebied: het cederhout uit Syrië, de olie en wijn van Palestina en de kopermijnen in de Negevwoestijn. Anderzijds speelden strategische overwegingen een rol: het gebied lag tussen de grootmachten in. Voor Palestina waren de effecten van de buitenlandse overheersing vooral negatief. Belasting en tribuut deden de welvaart afnemen. Daarnaast werd een deel van de bewoners tot slaaf gemaakt of gedeporteerd.
De grootmachten Egypte, Mitanni en Hettieten thumb|320px|Het Rijk der Hettieten (rood) op het hoogtepunt van zijn macht in ca. 1290 v.Chr.; grenzend aan het Egyptische Rijk (groen) in het zuiden. In Egypte werden de Hyksos als vreemde invallers beschouwd. Er werd langdurig strijd geleverd tussen de heersers in Thebe en de Hyksos in de delta. Uiteindelijk slaagden de heersers van de 18e dynastie erin om de Hyksos te verdrijven. De strijd werd in Palestina voortgezet. De verdrijving van de Hyksos was een mijlpaal in de geschiedenis van Egypte en wordt beschouwd als het begin van het Nieuwe Rijk. In deze periode werd de titel farao ingevoerd, hetgeen "het Grote Huis" betekent. De 18e dynastie was afkomstig uit Thebe in Opper-Egypte, maar verplaatste de hoofdstad naar Memphis in de delta.
De volgende farao's uit de achttiende dynastie speelden een belangrijke rol in de geschiedenis van Palestina: Hatsjepsoet, Thoetmosis III, Amenophis II, Thoetmosis IV, Amenophis III, Achnaton, Toetanchamon, Eje en Horemheb.