miniatuur|Cantimpré-site Bellingen: hoeve en kerk in het open landschap van het Pajottenland De Abdij van Cantimpré (Cantimpret) in de Belgische plaats Bellingen was een augustijner priorij en abdij die behoorde tot Kamerijk. Zij situeerde zich tussen de nog aanwezige abdijhoeve Cantimpré en de voormalige abdijkerk (Onze-Lieve-Vrouwkerk, parochiekerk van Bellingen). De gebouwen zijn verdwenen maar omgevormd tot een archeologische site. De priorij werd gesticht in 1182 en kende een hoogtepunt tussen 1583-1677 als abdij Cantimpré van Bellingen. De moederabdij in Kamerijk werd tijdens oorlogsgeweld in 1580 verwoest, de monniken vluchtten en namen hun intrek in de priorij die vervolgens het statuut van abdij kreeg (1614). In 1745 verhuisden de augustijnen definitief terug naar Kamerijk en werd de abdij opnieuw een priorij.VAN BELLEGHEM L., Bellingen en de abdij van Cantimpré. uitgegeven in eigen beheer door vzw Bellingahaim, 1991 Tijdens de Franse Revolutie werd de abdij en de inboedel aangeslagen en verkocht en nadien raakte ze in verval.EVERAERT L. & BOUCHERY J., Geschiedenis van Klein Waalsch Brabant, bevattende de gemeente Pepingen, Bellingen, Beert, Bogaarden, Leerbeek en de abdij van Catimpret, Antwerpen, 1878 De resterende gebouwen werden in de 19e eeuw afgebroken. In 2013 en 2014 vond er naar aanleiding van de restauratie van de Onze-Lieve-Vrouwkerk van Bellingen een archeologisch onderzoek plaats.BRADT TOMAS, Basisrapport Archeologische opgraving Bellingen Onze- Lieve-Vrouwkerk (prov. Vlaams-Brabant), Monument Vandekerckhove nv, mei 2016BRADT TOMAS, Een oord van eeuwige rust; Van priorij naar abdij en terug, Ex Situ Tijdschrift voor Vlaamse Archeologie, oktober 2014, pg. 68-70 Er zijn nog enkele overblijfselen van de verdwenen abdij waar te nemen en ook de relieken van de heilige Drogo (Drogo van Sebourg), door kanunniken meegebracht uit Kamerijk, zijn te bewonderen. Deze heilige is nog steeds de patroonheilige van Bellingen en wordt vereerd op de jaarlijkse Drogo-ommegang.
Geschiedenis De oorsprong en het ontstaan van Bellingen Over de oorsprong van de naam Bellingen zijn er verschillende hypotheses. Volgens de etymologen Jan Lindemans en Godfried Kurth zou de plaats verwijzen naar de verblijfplaats van leden van de familie Bello. Het huis of de nederzetting van Bello is gelinkt aan het achtervoegsel "ingahaim" (Bellingahaim). Het toponiem "Bellingen" zou afgeleid zijn van het Saksische "Bellingas". Dit zou wijzen op een ontstaan rond 800. Lindemans J.LINDEMANS J., Brabantse plaatsnamen, 11, Bellingen, in Onomastica Neerlandica, Toponymica 2,11, 1951 suggereert dat mogelijks Karel de Grote hier een groep gedwongen inwijkelingen heeft neergezet. Van Belleghem L. veronderstelt dat de Brabantse tak van de familie Van Bellingen ontstaan zou zijn uit het huis van Belleghem (West-Vlaanderen) waarvan de heer in 1111 burggraaf van Kortrijk en econoom-boekhouder van Vlaanderen was. Bellingen zou een herinneringsstichting zijn uit 1146. Het feit dat de schilden van de gemeente Bellingen, van de abdij van Cantimpré, de stad Kortrijk en de Groeninge-abdij identiek zijn (keper op een zilveren veld), zou hiervoor een bewijs kunnen zijn. De meest aannemelijke hypothese is die van L. Verbesselt.VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw. Moerbeke O.-L.-Vrouw, het agglomeraat Pepingen, Beert, Bellingen en Bogaarden, Heikruis O.-L.-Vrouw, Saintes-Sint Reneldis, Bierk deel XXVII, Brussel, 2001 Die sluit aan bij de hypothese van Lindemans maar situeert de oorsprong in de Frankisch-Merovingische periode. Hij stelt eveneens dat de oorsprong van de naam afgeleid is van een klassiek geromaniseerd "-ingahaim" dat duidt op een woonst of heem. De plaatsnamen met "inga-inge(n)-hem" verwijzen op de landkaart naar de vruchtbaarste gedeelten van het land. Zulke plaatsnamen zijn talrijk aanwezig in Zuid-Vlaanderen, Brabant maar ook in West-Vlaanderen. Verbesselt verwijst hierbij naar de grote omliggende domeinen zoals Herne, Kester, Halle, Lennik die reeds in de 7e eeuw vernoemd worden. Hierbij behoorde ook het agglomeraat Pepingen. Deze nederzetting of een primitief "hof" zou dan later opgenomen worden in het kloostercomplex. Vermits het kloostercomplex bezit nam van een deel van de omgeving was er zeer weinig mogelijkheid tot uitbreiding. Het aanwezige kerkje werd vrij snel een kloosterkerk. Hierdoor kwam er nooit een centrum tot ontwikkeling rond de kerk en is de dorpskern afwezig. Ook het wegennetwerk was bepalend voor de verdere dorpskomontwikkeling. De belangrijkste wegen liepen niet langsheen deze nederzetting. De baan Halle-Geraardsbergen liep langs het huidige Kattenhol en volgde de oude Romeinse heerbaan tot Kester (knooppunt met de hoofdweg van Asse-Bavai).DE BEUL JORIS ; VAN LIERDE HANS, Pajottenland, een land om lief te hebben. werkgroep Pajottenland en de Andreas Masiuskring, 2007, . De weg van Halle naar Edingen liep langs het huidige Kasteel "Den Daal". Verder waren er enkel maar kleinere verbindingswegen. Er is sprake van enkele hoven in de buurt zoals Wannaka, Ten Berge, Ten Dale, Ter Loo en Ter Broeck. Geen ervan schijnt Bellingen te hebben geheten. Rond die hoven kwamen gehuchten tot ontwikkeling welke leidde tot de indelingen van het dorp zoals die nu gekend zijn. J. Lindemans identificeert het dorp Bellingen met het hypothetische "Ten Berge" en tegenhanger van ten Dale. Het geslacht "de Monte" (ten Berge of Van den Berghe) behoorde in het begin van de 13e eeuw tot het voornaamste van de streek. Vooral Johannes de Monte was een welstellend en invloedrijk man.DECORTE VICTOR & HAUWAERT EVA., Toponymie van Groot Pepingen, uitgave in eigen beheer vzw Bellingahaim, 2019 Over de vroege ontstaansgeschiedenis van Bellingen zijn weinig gegevens bekend. Het was sinds de oudheid een klein en weinig bewoond oord en maakte deel uit, zoals veel plaatsen in het oude Brabant, van het grote domein van de Gertrudis abdij te Nijvel die gesticht werd in de 7e eeuw. Een andere kloosterstichting uit de 7e eeuw, opgericht door Waltrudis (afstammelinge van een Merovingische familie) bezat eveneens gronden rond Bellingen. De stad Bergen zou ontstaan zijn rond dit klooster(7). Het gebied zou in die periode bosrijker geweest zijn dan nu. Het zou deel uitgemaakt hebben van een aaneengesloten woud (Zoniën, Hallerbos, Steenhout, Strijthout en Raspalie). De conclusie hiervan staat in verband met de ontwikkeling van de taalgrens. Deze ontstond langsheen een natuurlijke barrière waarbij de bosrijke gebieden een zeer beperkte inwonersdichtheid hadden. In de Karolingische periode (9e eeuw) droegen de machtshebbers de regionale macht over aan trouwe bondgenoten (adel en klooster) welke begiftigd werden met eigendommen, rechten en privileges ter bevordering van de orde en de godsdienst. De edelen en abten droegen op hun beurt de macht over aan lokale heren. De edellieden werden steeds machtiger, stelden zich op als beschermheren van de kloosters in hun streek en noemden zich de wereldlijke abten. Hierdoor palmden zij uitgestrekte landerijen en eigendommen in ten nadele van de kerk. Ten tijde van de oprichting van de priorij in Bellingen (1182) behoorde het gebied, feodaal gezien tot het graafschap Henegouwen waarbij de heren van Edingen als leenman van de graaf van Henegouwen er een belangrijke rol gaan spelen in de verdere ontwikkeling. Het gebied bevond zich op de grens van het pas gevormde hertogdom Brabant (voorheen het graafschap Leuven).DESMET ROGER, Zuid Pajottenland: speurtocht naar de geschiedenis van dorp en streek, deel 2, De feodale tijd. uitgegeven in eigen beheer vzw Bellingahaim, 1991 De streek rond Bellingen bestond uit een lappendeken van kleine gebieden die toebehoorden aan Henegouwen, Brabant of bezit waren van een lokale heer of abdij. De grillige grens tussen Henegouwen en Brabant was herhaaldelijk aanleiding tot na-ijver en onenigheid over het eigendomsrecht van talrijke gehuchten. Ter verdediging werden er versterkingen gebouwd zoals de Wasnacha-vestiging (Wannake(n)). Op kerkelijk vlak behoorde de regio toe aan het bisdom Kamerijk. Zelfs na de stichting van de priorij bleef Bellingen een "hofdorp" met een kerkje, een pastorie, enkele grotere landelijke nederzettingen (abdijhoeve) en hutten van een aantal kossaten (dagloners zonder land die er kwamen werken) te midden van vruchtbare akkers en weiden. De moederparochie was Pepingen met de heilige Martinus als patroonheilige. Wanneer in 1138 de bisschop van Kamerijk het patronaatsrecht over de kerk van Pepingen van de abdis van Nijvel bevestigt, staat bij het overzicht van de verschillende kerken behorend tot het "Diets domein" van Nijvel niets vermeld over het "appendicum" van Pepingen.DESMET ROGER, Geschiedenis van de abdij Cantimpré te Bellingen, uitgegeven in eigen beheer door vzw Bellingahaim, 2007 De parochie "Bellingen" zou niet voor 1150 opgericht zijn.
De stichting van de abdij van Cantimpré van Kamerijk