Albert Boeken (Amsterdam, 1 maart 1891 – aldaar, 4 mei 1951) was een Nederlands architect.
Biografie Familie Albert Boeken was zoon van Pieter Boeken jr., commissionair van beroep, en Wilhelmina Sophia Brester, wonende aan de Singel. Broer Vincent (Vins) Boeken werd werktuigbouwkundig ingenieur. Hijzelf trouwde in 1918 met Wilhelmina Sophia (Willy) Tielrooy, die hij tijdens zijn studententijd had leren kennen. Het echtpaar kreeg twee kinderen.
Opleiding De studie tot bouwkundig ingenieur Delftse Technische Hogeschool heeft Boeken doorlopen van 1909 tot 1916.Tekeningen van Boeken uit zijn studietijd zijn in te zien in het archief van HNI
Na het behalen van zijn kandidaats in 1913, zette hij zijn studie voort als tekenaar op architectenbureau Baanders. In 1916 studeerde Boeken af bij J.A.G. van der Steur en J.F. Klinkhamer. Klinkhamer had een opleiding aan de polytechnische school gehad en doceerde onder anderen de burgerlijke bouwkunst. Hij was rationalistisch georiënteerd en was van mening dat de ideale bouwmeester de gaven van de constructeur en de artiest in zich verenigde. Hij beschouwde utiliteitswerken als hedendaagse monumenten. Hij leek daarmee een basis gelegd te hebben voor het Nieuwe Bouwen, waarvan een aantal van zijn studenten, zoals J.B. van Loghem alsook Albert Boeken zelf belangrijke proponenten zouden worden.Back (1998), p. 81
Publieke Werken (1919-1926) Na het beëindigen van zijn opleiding ging Boeken in 1919 bij Publieke Werken Amsterdam aan de slag. Hier werkte hij tot 1926 onder leiding van Hulshoff. In 1923 werd hij overgeplaatst naar de onderafdeling Stadsontwikkeling, waar hij zich bezig hield met de uitbreiding van Amsterdam.
Van april 1924 tot maart 1925 werd hij naar eigen zeggen 'verbannen' naar Zwitserland in verband met ziekte. Ook later zou Boeken last hebben van een zwakke gezondheid.Boeken, Albert op elzendaalarchitectuur.wikia.org
Het meeste werk van Publieke Werken in die tijd werd gebouwd in Amsterdamse School-stijl. In het begin van zijn aanstelling bij Publieke Werken hield Boeken zich veel bezig met het ontwerpen van diverse telefooncentrales in Amsterdam. Hiervoor heeft hij in 1920 een studiereis gemaakt naar Duitsland. In deze tijd ontwierp Boeken verder onder meer het gebouw van de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidszorg aan het Waterlooplein, een laboratorium en bergplaats aan de Middenweg en een complex schoolgebouwen voor G.L.O. aan de Kometensingel in Amsterdam. Ook heeft Boeken meerdere bedrijfsgebouwen, scholen en enkele openbare gebouwtjes ontworpen. Noemenswaardig zijn ten slotte de verkeerstoren op Schiphol en bijbehorende gebouwen die hij in 1926 ontwierp. Deze zijn echter in de oorlog verwoest.Back (1998), p.97
Het werk van Publieke werken, dat naast het ontwerp van stadsgebieden en gebouwen, ook samenwerkingen en aanpassingen van bestaande ontwerpen besloeg, was voor het algemeen belang. Er was in deze context geen ruimte voor individuele architecten om naam te maken. Zo zijn maar een enkele werken uit deze tijd feitelijk naar Albert Boeken te traceren.Enkele werken uit deze tijd die aantoonbaar aan Albert Boeken toe te schrijven zijn, zijn gepubliceerd in Bouwkundig Weekblad Jrg44 (1923). Zie m.n. pp.117 (situatieplan stadhuis Amsterdam), 471-472 (Onderstation G.E.W. en laboratorium voor Elektrochemie te Amsterdam). Gearchiveerd op 15 april 2021.
Later zou Boeken terugblikken op zijn tijd bij Publieke Werken als de minst inspirerende en zelfs geestbeperkende periode.
Zelfstandig architect (1926-1951)
Architectuur van de toekomst 1926-1932 thumb|Zonnewijzer voor de ANWB (1933) In 1926 vestigde Boeken zich uiteindelijk als zelfstandig architect aan de Keizersgracht 614 in Amsterdam. In de jaren 1927 en 1928 hield hij zich bezig met het ontwerpen van woningen voor enkele Amsterdamse wijken. Van belang is vooral het door hem gewijzigde bebouwingsplan voor een wijk in Amsterdam-west. De hieraan voorafgaande studies van de reeds bestaande, maar ook door Boeken zelf ontworpen nieuwe woningtypen en -blokken, leidden in 1931 tot een schematisch bebouwingsplan voor de ongeveer 17 hectare te bebouwen oppervlakte.
De eerste ervaringen als particulier architect vielen zeker tegen. Maar al snel vond Boeken geestverwanten in Dessau waar hij, in de functie van journalist, in december 1926 de opening van het Bauhaus bezocht. Tijdens deze opening had hij zijn eerste internationale contacten met M. Breuer, W. Gropius, Ernst May, K. Schwitters en Laszlo Moholy Nagy. Thuis slaakte hij de zucht "de eerste gedachte die mij inviel toen ik mij in Dessau en het Bauhaus georiënteerd had was deze: wat zonde van de zeven jaren die ik aan P.W. [Publieke Werken] verknoeid heb".Back (1998), p.83
Met veel moeite wist hij enkele woningbouwopdrachten van bouwondernemingen in de wacht te slepen. Dit terwijl hij zich in publicaties verzette tegen de beperkte vrijheid en verantwoordelijkheden die de architecten kregen bij dit werk. Voorts heeft Boeken enkele landhuisjes en woonhuizen ontworpen voor particulieren, heeft hij Auke Komter geholpen bij diens project in Bloemendaal aan Zee,Architect Auke Komter heeft overigens tussen 1924 en 1932 voor Boeken gewerkt. Ook heeft hij, waarschijnlijk via Boekers persoonlijke relaties, later voor Le Corbusier gewerkt. en heeft hij zich een tijd bezig gehouden met het Floratheater in Amsterdam totdat dit werd overgedragen aan Jan Wils. De resterende tijd vulde Boeken met het ontwerpen van enkele monumentjes, zoals de zonnewijzer voor de ANWB aan de Churchillaan te Amsterdam, en een druk verenigingsleven.
Verdeeldheid in de architectuurwereld 1932-1938 Halverwege de negentiende tot halverwege de twintigste eeuw was een lange zoektocht van stijlen in en functies in de internationale architectuurwereld in het algemeen, en in Nederland in het bijzonder. Deze zoektocht culmineerde in Nederland in de dertiger en veertiger jaren van de twintigste eeuw tot een hoogtepunt, dat zich kenmerkte met het ontstaan, samengaan, uit elkaar vallen en weer verdwijnen van stromingen en groepen. De nooit een blad voor de mond nemende en immer strijdende Boeken speelde in de gaande discussies een belangrijke rol: waar hij in werk tekort kwam, leek hij te compenseren met zijn betrokkenheid in de theoretische ontwikkelingen.
Boeken stond te boek als een typische proponent van het Nieuwe Bouwen en nam als zodanig deel aan de internationale congressen van het CIAM, waar de nieuwste ontwikkelingen over het Nieuwe Bouwen, of functionalisme, besproken werden. Hij was ook sinds zijn studententijd lid van Architectura et Amicitia. Tevens sloot hij in 1828 aan bij de 8 dat net een jaar daarvoor opgericht was. De 8 (basis in Amsterdam) en Opbouw (basis in Rotterdam) werkten toen al samen. Met de ontwikkelingen van de tijd begonnen Boekens ideeën enigszins af te wijken van deze verenigingen, waarvan hij meende dat ze verstarden en achterliepen op de tijd. Hoewel de banden behouden bleven, werd op Boekens initiatief "de roemruchtige Groep 32" opgericht, die als een moderne uitloper van het Nieuwe Bouwen was en daarmee tijdelijk een brug sloeg tussen A&A (een "doodenhuis") enerzijds en De 8 ("anti-alles") anderzijds. Hij was dan ook veelvuldig betrokken in de redacties van de tijdschriften van deze verenigingen.Oudshoorn (2009)
"Het onontgonnen gebied" 1938-1940 Boeken zette zijn gedachten verder uit over "Het onontgonnen gebied" dat hij wilde publiceren: hij gaf aan dat terwijl De 8 om de juiste redenen ontstaan was, het door de "anti-alles" houding in de loop der jaren het potentieel van de ware architectuur "onontgonnen" heeft gelaten. Hij nam hierbij Van Nelle fabriek bij Rotterdam door Brinkman en van der Vlugt , hotel Gooiland te Hilversum van Duiker, en projecten van Le Corbusier als uitstekende voorbeelden van het Nieuwe Bouwen. In contrast tot deze voorbeelden zou het gros van de werken "verstoken zijn van elke geestelijke waarde, inderdaad niet meer zijn dan een doodnuchtere keiharde zakelijkheid, werkem die practisch bruikbaar en technisch verantwoord zijn, maar die met architectuur niks te maken hebben".Back (1998), p.86-88. "Het onontgonnen gebied" werd geweigerd door de redactie van De 8 en Opbouw, en dus nooit gepubliceerd.
Hij kwam met het voorstel van vier "Richtlijnen voor De 8", met het idee de architecten weer op wat hij meende het juiste pad te krijgen. Het voorstel viel bij een groot deel van de "De 8"-leden niet in goede aarde, die derhalve Boeken ideologisch de rug keerde.Deel van deze groep waren onder meer Lotte Stam-Beese, Boekens studente drie jaar later, en Cornelis van Eesteren, voorzitter van het CIAM. Boeken ging met een klein aantal medestanders zijn eigen weg.
Oorlogsjaren 1940-1945 De Tweede Wereldoorlog werd door Boeken ervaren als geestelijk beperkend. Er was weinig tot geen werk voorhanden. Bovendien was er nauwelijks activiteit op cultureel gebied, zodat ook zijn tweede bezigheid, het bestuderen van de cultuurgeschiedenis en het stimuleren van de openbare discussie hierover, grotendeels wegviel. Het enige dat overbleef was de voorbereiding met onder andere P. Zanstra, A.W.N. Giesen en K.L. Sijmons van de wederopbouw die zou volgen op de verwoestende oorlog.
Wederopbouw 1945-1951 miniatuur|Restauratieplannen van de Nederlandse Hervormde Kerk te Varsseveld, 1948Meer restauratietekeningen van de Nederlandse Hervormde Kerk te Varsseveld in het archief van HNI Deze voorbereidingen wierpen na de oorlog hun vruchten af. De architecten van het Nederlandse Nieuwe Bouwen werden inmiddels erkend en Boeken en zijn 'overleg-partners' werden supervisor van de grote uitbreidingsgebieden van Amsterdam. Boeken werd supervisor van het uitbreidingsgebied Bos en Lommer. Ook deze functie werd door hem gezien als beperkend, daar hij een moeilijke positie had tussen de opdrachtgever, de gemeente Amsterdam en de architecten. Desalniettemin wordt Boeken gezien als een belangrijke drijvende kracht achter de wederopbouw. In deze laatste periode voor zijn dood heeft Boeken ook vele restauraties uitgevoerd, voornamelijk van Nederlands Hervormde kerken, en behoorden enkele opdrachten voor woonhuizen en bedrijfsgebouwen tot zijn bezigheden.
Docentschap Boeken is lange tijd docent geweest aan de Academie van Bouwkunst in AmsterdamDe Academie van Bouwkunst, ook wel het Voortgezet en Hooger Bouwkunstonderricht (VHBO) genoemd, was in 1908 opgericht door het genootschap Architectura et Amicitia als een alternatief voor de ingenieursopleiding aan de Technische Hogeschool in Delft, en bevatte een volwaardige architectenopleiding.. Hier gaf hij in de avonduren lezingen. In de periode van 1935 tot 1937 heeft hij samen met P. Zanstra en H. Mastenbroek een jaarlijkse studiegroep voor MTS studenten georganiseerd. Deze groepen kwamen wekelijks samen en hielden zich bezig met ontwerpopdrachten. Ontwerpen van deze studenten werden tentoongesteld. Zoals ook zijn samenwerking met jongere architecten in Groep 32 duidelijk maakte, was dat Boeken geïnteresseerd was in de nieuwe generatie van architecten.Back (1998) Zijn architectonische dagboeken maken duidelijk dat Boeken voortdurend trachtte zich los te maken van vooroordelen en manieren van kijken en ontwerpen. Mogelijk hoopte hij dat deze jonge geesten niet beperkt waren door de traditionele architectuuropvattingen zoals de klassieke benadering of de Amsterdamse School, of door de dogma's van het Nieuwe Bouwen.
Dit wilde overigens niet zeggen dat hij het ze makkelijk wilde maken. Lotte Stam-Beese, een talent dat later eveneens een grote bijdrage zou leveren aan de wederopbouw na de Oorlog, doorliep het eerste jaar van haar opleiding (1940-41) met goede cijfers, behalve van Boeken, die van haar niet het gevraagde verslag had ontvangen van de door hem behandelde leerstof over ‘lichttoetreding en verkeersorganisatie in gebouwen'.Oosterhof (2018), pp.153-154
Na de oorlog gaf Boeken les in het derde jaar van een HBO te Leiden.
Gedachtegoed