Het kapittel van Onze-Lieve-Vrouwe (Latijn: Capitulum Beate Mariæ Virgine) was een seculier kapittel, een college van wereldlijke geestelijken, dat vanaf de middeleeuwen tot aan het einde van het ancien régime verbonden was aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Maastricht. Het kapittel was vanaf zijn ontstaan, vermoedelijk in de negende of tiende eeuw, ondergeschikt aan de bisschop van Luik en het Sint-Lambertuskapittel in die stad. In Maastricht was het qua macht, aanzien en rijkdom de mindere van het Sint-Servaaskapittel. Door zijn talrijke bezittingen in en rondom de stad was het Onze-Lieve-Vrouwekapittel desalniettemin een machtsfactor van betekenis in de regio.
Geschiedenis Ontstaan van het kapittel Het ontstaan van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel in Maastricht is grotendeels in duisternis gehuld. Volgens een oude hypothese zou al in de vroege middeleeuwen een kloostergemeenschap zijn ontstaan bij de (vermoedelijke) bisschopskerk van de bisschoppen van Maastricht. Dit klooster zou in de negende of tiende eeuw zijn omgevormd tot een seculier kapittel volgens de Regel van Aken. Evenmin bewezen is de betrokkenheid van de Luikse bisschop Notger (971-1008) bij de oprichting van het kapittel. Wel was het kapittel vermoedelijk van meet af aan ondergeschikt aan het kapittel van Sint-Lambertus te Luik. Een aantal schenkingen wijzen op zeer oude banden tussen het Maastrichtse kapittel en de Luikse bisschoppen. In een dertiende-eeuwse oorkonde wordt vermeld dat bisschop Franco van Luik (bisschop van 856 tot 903) de Sint-Martinuskerk in Wyck aan het kapittel schonk. Zijn opvolger Stephanus (903-920) schonk de kerken en de tienden van Kesselt en Veldwezelt. De oorspronkelijke schenkingsoorkonden zijn niet bewaard gebleven. De oudste oorkonde in het kapittelarchief betreft de schenking van twee watermolens op de Jeker door bisschop Otbertus van Luik (1092-1119).De la Haye (2005), p. 17. Deze in 1096 in het kapittelhuis te Maastricht ondertekende akte bevat de namen van een proost, een deken en elf "broeders", en is daarmee het eerste harde bewijs voor het bestaan van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel.Haas (1999), p. 18.
De kanunniken leefden aanvankelijk een gemeenschappelijk leven dat in het teken stond van het koorgebed (achtmaal daags op het koor van de kapittelkerk), gezamenlijke maaltijden (in de refter) en gedeelde slaapzalen (in het dormitorium). Wel mochten ze – in tegenstelling tot monniken – privébezit hebben, vlees eten en linnen kleding dragen. Het kapittelbezit was aanvankelijk ongedeeld.Haas (1999), pp. 18-19. Door schenkingen van machthebbers en particulieren vergaarde het kapittel al vroeg een aanzienlijk vermogen, dat onder andere bestond uit onroerend goed. Van veel bezittingen valt niet meer te achterhalen hoe en wanneer deze in het bezit van het kapittel zijn gekomen. Het grondbezit was geconcentreerd in Veldwezelt (ruim 91 ha) en Rosmeer (ruim 27 ha). Deze twee dorpen vormden samen een van de twee 'banken', gebieden waar het kapittel rechtsbevoegdheid had; de andere bank was Bemelen.Tagage (1982), p. 354. Het kapittel verhuurde de geschonken huizen en verpachtte de landerijen. De pacht werd meestal betaald in de vorm van graan, dat werd opgeslagen in een grote schuur. In andere gevallen moest cijns betaald worden in de vorm van een geldbedrag of enkele kapoenen. Van de cijns werd aan de kanunniken het presentiegeld uitbetaald, een vergoeding voor hun aanwezigheid bij de koordiensten.
Bloeitijd van het kapittel In de loop van de twaalfde eeuw zegden de kanunniken het gemeenschappelijk leven vaarwel en gingen zelfstandig wonen. De kanunnikenhuizen van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel bevonden zich in een aaneengesloten gebied rondom de kapittelkerk. In dit gebied, de claustrale singel of immuniteit van het kapittel, bevond zich tevens de Sint-Nicolaaskerk (omstreeks 1340 gesticht als doop- en parochiekerk), het Onze-Lieve-Vrouwekerkhof (ongeveer voor het westwerk en aan de zuidzijde van het plein) en het Sint-Nicolaaskerkhof (ongeveer waar nu op het plein de terrassen zijn), de kapittelschool, de voorraadschuur en de bakkerij van het kapittel (locaties onbekend). Over een eigen brouwerij, wijnkelders en paardenstallen, zoals het Sint-Servaaskapittel die had, is niets bekend.
thumb|Vermelding van de laathof Linderhof in het Bosscherveld, in een 18e-eeuws repertorium. De Linderhof behoorde zeker vanaf de 14e eeuw tot het kapittelbezit. De opbrengst van het gemeenschappelijke kapittelvermogen werd op een onbekend moment (maar vóór 1234) gesplitst in een twintigtal prebenden, waarmee elke kanunnik een vast eigen inkomen kreeg.Ubachs/Evers (2005), pp. 385-386: 'Onze-Lieve-Vrouwekapittel'. Met twintig prebenden behoorde het kapittel numeriek tot de middengroep binnen het bisdom Luik, even groot als dat van Tongeren, echter niet te vergelijken met het Sint-Servaaskapittel (40 prebenden), het kathedraal kapittel in Luik (60 prebenden), of de zes andere kapittels in die stad (ca. 30 prebenden elk).Haas (1999), p. 25.
Over het geestelijk welzijn van de kanunniken bekommerde zich de deken. Het eigenlijke hoofd van de kapittelgemeenschap was aanvankelijk de proost. In 1585 legde paus Sixtus V vast dat de proost moest worden gekozen uit de leden van het kathedrale kapittel van Luik, een gebruik dat al vanaf de vroegst bekende proosten werd toegepast. Behalve kanunnik van Sint-Lambertus waren de meeste proosten van Onze-Lieve-Vrouwe tevens proost of kanunnik van andere kapittels, waarbij sommigen wel vijf of zes functies combineerden. Enkelen brachten het tot bisschop van Luik of andere bisdommen. Het feit dat de Maastrichtse proosten ten gevolge van functies elders niet of weinig in Maastricht resideerden, is wellicht de reden waarom de feitelijke leiding van het kapittel geleidelijk overging op de deken, die officieel de tweede in rang was. Deze ontwikkeling werd in 1273 vastgelegd in een overeenkomst tussen deken Johannes, proost Gerhard van Nassau en bisschop Hendrik III van Gelre. Wel bleven het benoemingsrecht van de proost en zijn vaste jaarinkomen gehandhaafd. Een poging in 1423 om de positie van de proost te herstellen tot die van voor 1273 mislukte. Qua inkomsten was het proostschap van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel in de middeleeuwen een van de minst aantrekkelijke in het bisdom Luik.Haas (1995), pp. 71-72.Haas (1999), pp. 21-23.
1455-1593: Merode-tijdperk De benoeming van proost Arnold I van Merode in 1455 luidde een periode in waarin leden van de familie Merode een zeer dominante rol speelden binnen het kapittel. Over een periode van bijna anderhalve eeuw werden negentien leden van deze familie benoemd tot kanunnik van Onze-Lieve-Vrouwe, waaronder vier proosten en twee dekens. De begunstiging van familieleden was in de late middeleeuwen wijdverbreid in kerkelijke kring, maar het optreden van de De Merode-proosten kan gezien worden als een extreem voorbeeld van nepotisme. Daarbij werd ook de voordracht en benoeming van twee bastaardzonen tot deken niet geschuwd. Doordat de benoemde familieleden soms te jong waren om alleen te wonen (de latere deken Rikalt II was pas twaalf toen hij kanunnik werd) of hun prebenden combineerden met functies elders, soms ook inruilden voor lucratievere posten, vierde het absenteïsme in deze periode hoogtij, wat het kapittel zeker geen goed heeft gedaan.Haas (1995), pp. 73, 92.
thumb|Detail van het epitaaf van proost Arnold I van Merode (†1487) in de Sint-Nicolaaskapel van de Dom van Aken. Rechts de geknielde proost met zijn bewaarengel en een demon. Een legaat van proost Arnold I na diens dood in 1487 leidde tot de stichting van de nog bestaande De Merodekapel, een blijvend aandenken aan deze periode. Aanvankelijk was de kapel gewijd aan de heiligen Christoforus, Erasmus en Maria van Egypte; sinds 1903 is dit de kapel van de Sterre der Zee. Een restant van het oude altaar in de kapel, het "autel de Merode", bestaande uit een tweetal schilderstukken, werd voor het laatst gesignaleerd in 1805, bij het overbrengen van de restanten van de inboedel van de kapittelkerk naar de Sint-Nicolaaskerk.Haas (1995), pp. 81-84.
Een dieptepunt werd bereikt in 1578, toen door het oorlogsgeweld de meeste kanunniken, inclusief de proost en de deken, hun toevlucht hadden genomen in het neutrale Luik. De zes in Maastricht overgebleven kanunniken beklaagden zich over het defaitisme van hun collegae en stelden, dat indien zij hun voorbeeld hadden gevolgd, het kapittel "gansselijcken geruineert" zou zijn en de kerk tot een "geussen tempel" zou zijn getransformeerd. De roofmoord in 1586 op een van deze zes kanunniken, Aerdt Tuteler, bewijst dat ook na de inname van de stad door Parma in 1579 het niet altijd even veilig was voor de kanunniken.Haas (1995), p. 90.
Economisch was deze periode rampzalig voor het kapittel. Van 1578 tot 1585 bleef het kapittel in gebreke bij de uitbetaling van het jaarinkomen van vijftig gulden aan proost Arnold III van Merode. In 1585 werd hierover een schikking getroffen, waarbij de proost zijn inkomen over de rampjaren 1579 en 1580 grootmoedig aan het kapittel schonk. In 1586 werd geschat dat de prebenden in enkele jaren tijd 30-50 % minder waard geworden waren, waarna paus Sixtus V op verzoek van het kapittel twee van de twintig prebenden ophief, zodat er meer inkomen was voor de overgebleven kanunniken. In feite telde het kapittel nog maar zeventien volledige prebenden, omdat er een verdeeld was in twee halve prebenden. De verarming van het kapittel is waarschijnlijk een reden geweest voor proost Arnold III om na 1577 geen familieleden meer in het kapittel te benoemen. Daarnaast begonnen ook de maatregelen van het Concilie van Trente (1545-1563), dat een einde probeerde te maken aan deze en andere misstanden, door te werken. Bij zijn dood in 1593 was Arnold III de laatste De Merode in het kapittel.Haas (1995), pp. 90-91.
Na 1593: moeizaam herstel thumb|Zicht vanaf de Maas op de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Sint-Nicolaaskerk, ca. 1700 De nieuwe proost, Theodericus van Lynden, wist in 1596 te bewerkstelligen dat een kanunnikenprebende met toestemming van paus Clemens VIII aan de proost werd toegewezen, aangezien hij er, naar eigen zeggen, op toelegde.Haas (1999), p. 23. Na de inname van Maastricht door Frederik-Hendrik in 1632 behield het Luikse kathedrale kapittel het benoemingsrecht van de proosten van Onze-Lieve-Vrouwe. De Staten-Generaal volgden de paus op als collator van het kapittel.Haas (1999), p. 29. De beide aan het kapittel ondergeschikte parochiekerken, de aanpalende Sint-Nicolaas en de Sint-Maarten in Wyck, bleven na 1632 voor de katholieke eredienst behouden, dit in tegenstelling tot het Sint-Servaaskapittel, dat zijn beide parochiekerken in 1633 moest afstaan aan de protestanten. Hoewel de vrijheid van godsdienst was gewaarborgd, was de openbare beleving van het katholieke geloof in processies en reliekentoningen niet langer toegestaan.