De term restrictieve overeenkomsten is een overkoepelend begrip in de Europese Unie om te wijzen op kartelafspraken en andere overeenkomsten die de vrije mededinging in de Europese interne markt beperken. van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie stelt een principieel verbod in op zo'n praktijken. Op deze regel bestaan er uitzonderingen en vrijstellingen.
Voorbeelden van restrictieve praktijken zijn prijsafspraken, verkoopverboden, exclusiviteitsbedingen, marktverdelingen enz.
Deze afspraken en kartels zijn verboden om de ondernemingen ertoe aan te zetten met elkaar te concurreren, ze aan te moedigen om nieuwe of betere producten en diensten te ontwikkelen, tegen competitieve prijzen, ten voordele van de consumenten.
Artikel 101 VWEU luidt: 1. Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: (a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden; (b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen; (c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen; (d) het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging; (e) het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.
2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig.
3. De bepalingen van lid 1 van dit artikel kunnen echter buiten toepassing worden verklaard – voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen, – voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen, en – voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling der producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen a. beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn, b. de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen. Om een gedraging tussen ondernemingen te kwalificeren als een restrictieve praktijk als artikel 101 VWEU, moet voldaan worden aan vier voorwaarden: het moet gaan om ondernemingen; het moet gaan om een overeenkomst, een besluit van een ondernemingsvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging; die de mededinging voelbaar beperken; met een Uniedimensie.
In Courage tegen Crehan heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 101 VWEU rechtstreekse horizontale werking heeft, hetgeen inhoudt dat individuen dit artikel rechtstreeks kunnen inroepen voor de nationale rechter en zelfs schadevergoeding kunnen vorderen voor een inbreuk erop.
Toepassing Europees mededingingsrecht Het EU mededingingsrecht is enkel van toepassing op ondernemingen voor overeenkomsten, besluiten van ondernemingsverenigingen en onderlinge afgestemde feitelijke gedragingen die worden geïmplementeerd in de Europese Unie, zelfs indien de overeenkomst zelf werd gesloten buiten de EU. Het begrip 'onderneming' wordt autonoom geïnterpreteerd door het Hof van Justitie.
In het Europees mededingingsrecht is sprake van een onderneming wanneer een entiteit een economische activiteit uitoefent. Hierbij is het niet van belang of de entiteit rechtspersoonlijkheid heeft of niet.
Entiteit In de context van artikel 101 VWEU moeten er meerdere van elkaar zelfstandige ondernemingen zijn. Wanneer een moedervennootschap samen met haar dochtervennootschap een economische eenheid vormt waarbinnen de dochter over geen enkele zelfstandigheid beschikt om haar eigen marktgedrag te bepalen, is artikel 101 VWEU niet van toepassing omdat niet is voldaan aan de vereiste van een pluraliteit van ondernemingen. In zo'n geval geldt intragroepsimmuniteit.
Zelfstandigen worden gezien als een aparte entiteit en dus als een aparte onderneming. Schijnzelfstandigen worden geherkwalificeerd naar werknemers en maken geen aparte entiteit uit. Om te beoordelen of een werknemer schijnzelfstandige is, moet men kijken naar of die persoon onder leiding van zijn werkgever handelt, of hij de vrijheid heeft om zijn tijdschema en de plaats en inhoud van het werk te kiezen en of hij zelf geen commerciële of financiële risico's draagt.
Vakverenigingsactiviteiten (bijvoorbeeld het afsluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst) worden vrijgesteld.
Economische activiteit In principe wordt elke activiteit gezien als een economische activiteit en zijn er geen uitgesloten sectoren.
Sommige activiteiten zijn echter nooit economisch aangezien ze zo nauw verbonden zijn met de uitoefening van overheidsgezag. Luchtverkeerscontrole, controle op vervuiling in de haven, de uitvoering van Europese richtlijnen en een openbaar onderwijsstelsel dat volledig of hoofdzakelijk uit overheidsmiddelen wordt gefinancierd worden niet beschouwd als economische activiteiten. Socialezekerheidsinstellingen voeren slechts economische activiteiten uit in zoverre ze niet concurreren met andere instellingen.
Gedrag Het gestelde gedrag moet gaan over een overeenkomst, een besluit van een ondernemingsvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging waarbij er sprake is van collusie (een "meeting of minds").
Unilateraal gedrag valt niet onder het toepassingsgebied van artikel 101, maar kan, indien voldaan aan de voorwaarden, vallen onder artikel 102 VWEU (misbruik van machtspositie).
In zeer specifieke omstandigheden kan ook overheidsoptreden vallen onder artikel 101 VWEU niettegenstaande het mededingingsrecht strikt gezien enkel van toepassing is op ondernemingen.
Het gedrag moet leiden tot een verlies van zelfstandigheid.
Overeenkomst Het is irrelevant of de overeenkomst horizontaal (tussen concurrenten) of verticaal (tussen bijvoorbeeld producenten en distributeurs) is. Evenwel is men strenger voor horizontale overeenkomsten. Hub and spoke-kartels vallen eveneens onder artikel 101, waarbij het gaat om een indirecte communicatie tussen horizontale ondernemingen die tot stand komt door de verticale leverancier of distributeur. Een voorbeeld hiervan is een producent die optreedt als agent voor een niet uitgesproken kartel.
Facilitators van een kartel, bijvoorbeeld een consultancybureau, kunnen eveneens veroordeeld worden tot een boete wegens schending van artikel 101.
Besluit ondernemingsvereniging De achterliggende ratio hierbij is dat indien ondernemingen zelf geen restrictieve overeenkomst kunnen sluiten, zij aan hun ondernemingsvereniging zouden kunnen verzoeken om een potentieel restrictieve overeenkomst over te nemen in een besluit.
Hierbij is het doorslaggevend dat het besluit het vermogen heeft om de leden te beïnvloeden.
Een besluit van een beroepsorde waarbij de beoefenaars een minimumereloon wordt opgelegd, is strijdig met artikel 101 VWEU."Commissie veroordeelt ereloonregeling van Belgische architecten", 24 juni 2004, IP/04/800.
Onderling afgestemde feitelijke gedragingen Een onderling afgestemde feitelijke gedraging wordt omschreven als een "coördinatie tussen ondernemingen die, zonder dat het tot een overeenkomst komt, de risico's van onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking". De termen 'coördinatie' en 'samenwerking' moeten worden verstaan in het licht van de idee dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij voert op de markt.
Een voorbeeld hiervan zijn twee nabijgelegen tankstations die telkens de prijzen afstemmen op elkaar.
Een moeilijk punt in dit verband is om dit gedrag af te scheiden van rationeel economisch parallel marktgedrag. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat er sprake is van een onderling afgestemde feitelijke gedraging indien de Commissie kan aantonen dat er geen enkele andere plausibele verklaring is voor het gedrag. Werd evenwel commercieel gevoelige informatie uitgewisseld, dan draait deze bewijslast om en dienen de ondernemingen aan te tonen dat ze met deze informatie niets hebben gedaan, wat niettemin een quasi onmogelijk te leveren bewijs is.
Overheidsoptreden
Een lidstaat mag een voorafbestaand kartel niet overnemen en opleggen door bijvoorbeeld een kartelovereenkomst, die absoluut nietig is onder artikel 101, tweede lid VWEU, te kopiëren in haar wetgeving.
Evenmin mag een lidstaat ondernemingen aanmoedigen een kartel te vormen of de effecten van een kartel te bestendigen of versterken.
Gevolg Het gevolg van de gedraging moet zijn dat de mededinging voelbaar wordt beperkt. Dit betreft een de minimis-regel.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen: strekking- of doelbeperkingen: de intentie om de mededinging te verstoren volstaat om artikel 101 te schenden. Hierbij draagt de Commissie een lichte bewijslast en moet ze enkel de intentie aantonen zonder een onderzoek te voeren naar de effecten van het gedrag op de markt. gevolg- of effectbeperkingen: het eigenlijke gevolg op de markt van het gedrag is mededingingsbeperkend. De bewijslast van de Commissie is hier veel zwaarder aangezien ze een jarenlang onderzoek dient te voeren naar de eigenlijke effecten op de markt.
De zogenaamde hardcorerestricties (prijsafspraken, marktverdelingen, actieve en passieve verkoopverboden ...)Art. 4 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (groepsvrijstellingsverordening). zijn in ieder geval strekkingbeperkingen. Het Hof van Justitie oordeelde dat gedragingen die zo kwaadaardig zijn dat de effecten op de markt niet moeten worden onderzocht, eveneens strekkingbeperkingen zijn. Er dient een zodanig groot risico op een negatieve beïnvloeding van de prijs, hoeveelheid en kwaliteit van de producten te zijn.
Uniedimensie De handel tussen de lidstaten moet worden beïnvloed. Dit betreft eveneens een de minimis-regel. Deze voorwaarde geldt slechts voor gevolgrestricties en niét op doelbeperkingen.
Een gedraging wordt geacht de handel tussen de lidstaten te beïnvloeden indien het gezamenlijk marktaandeel 5, 10 of 15 % overstijgt, naargelang het geval. betreffende overeenkomsten van geringe betekenis die de mededinging niet merkbaar beperken in de zin van artikel 101, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (de-minimismededeling).
Uitzonderingen Artikel 101, lid 3 Artikel 101, derde lid VWEU voorziet in een viertal voorwaarden waarvan de vervulling kan leiden tot een uitzondering op artikel 101, eerste lid VWEU. Is het derde lid van toepassing, dan wil dit niet zeggen dat de gedraging niet meer valt onder het eerste lid, maar dat het wordt uitgezonderd van een boete.
er wordt bijgedragen tot de verbetering van de productie of van de productieverdeling of tot de verbetering van technische of economische vooruitgang; een billijk aandeel van de voordelen gaan naar de gebruiker; het gedrag is proportioneel ten aanzien van het nagestreefde doel; het gedrag mag niet alle mededinging uitsluiten.
Groepsvrijstellingsverordening