Vroegere Zhao (304-329), ook wel Han Zhao was een Xiongnu dynastie die regeerde over een deel van noord-China tijdens de periode van de Zestien Koninkrijken. Toen was dat gebied verdeeld in staten die voor het merendeel door niet-Chinese ruiternomaden waren gevormd. Vroegere Zhao wordt door de historicus Cui Hong (478–525) in zijn Lente- en herfstannalen van de Zestien Koninkrijken gerekend tot die Zestien Koninkrijken.

Samenvattend overzicht De dynastie werd in 304 gesticht door Liu Yuan (劉淵, 251-310), die tot de Xiongnu behoorde en zich in 308 tot keizer verklaarde. De oorspronkelijke naam van de dynastie, Han, werd in 319 gewijzigd in Zhao. Het rijk omvatte tijdens zijn grootste omvang het zuidelijk deel van de huidige provincies Shaanxi en Shanxi en delen van Henan en Gansu. De hoofdstad van het keizerrijk was vanaf 309 Pingyang (平陽, het huidige Linfen in Shanxi) en vanaf 319 Chang’an. De dynastie werd in 329 verdreven door Shi Le (石勒, 274–333), heerser van de Latere Zhao, die zich in 319 had afgescheiden.

Omdat de naam van de staat in 319 werd gewijzigd in Zhao en Shi Le zijn staat in 319 ook Zhao noemde, wordt ter onderscheid in de Chinese historiografie de staat van Liu Yao en zijn voorgangers "Vroegere Zhao" (Qianzhao, 前趙) genoemd en die van Shi Le en zijn opvolgers "Latere Zhao" (Houzhao, 後趙).

Voorgeschiedenis De Xiongnu waren sinds 46 (na Chr.) verdeeld in een noordelijke en een zuidelijke confederatie. In 52 erkenden de zuidelijke Xiongnu de Chinese suzereiniteit en werden hun vazallen. Zij kregen toestemming zich te vestigen ten zuiden van de Grote Muur, in het Ordosgebied, op de braakliggende terreinen tussen de Chinese boerennederzettingen. De stammenconfederatie behield de traditionele clanorganisatie onder een erfelijke chanyu (單于) met een grote mate van zelfstandigheid en verspreidde zich allengs zuidwaarts over Shanxi. Na de consolidatie van de Wei-dynastie verloor de confederatie in 216 zijn autonome politieke structuur toen de kampementen op bevel van Cao Cao werden gereorganiseerd in vijf divisies (bu, 部) in het zuiden van Shanxi. Zij werden genoemd naar de windrichtingen: zuo (左, links, oostelijk), you (右, rechts, westelijk), nan (南, zuidelijk), bei (北, noordelijk) en zhong (中, centraal). Elke divisie kwam onder leiding van een erfelijke shuai (率, commandant), een Xiongnu die op zijn beurt onder controle kwam te staan van een Chinese generaal (Han sima, 漢司馬). Het geheel stond onder een Chinese algemene toezichthouder. De functie van chanyu werd afgeschaft. De Xiongnu verloren hun bijzondere positie en werden hetzelfde behandeld als veel Han-Chinezen. Ook zij kregen te maken met onderdrukking, willekeur, corvee en belastingen of kwamen terecht in afhankelijke posities zoals pachter of slaaf. Tegelijkertijd waren de Xiongnu dankzij hun vaardigheden als boogschietende ruiters door de elkaar bestrijdende partijen tijdens de Oorlog van de Acht Prinsen zeer gevraagd als huurlingen. Zeker na de uitvinding van de voetsteun, waardoor de cavalerie binnen het leger steeds belangrijker werd. Dit maakte hen bewust van hun militaire macht, maar ook van het verlies van hun bijzondere positie.

Onafhankelijkheid De machtigste clan binnen de Xiongnu was die van Liu. Naar eigen zeggen stamden zij af van de eerste chanyu, Maodun (r.209-174 v.Chr.) en hadden van keizer Han Gaozu de keizerlijke familienaam Liu ontvangen toen Maodun huwde met een zus van de keizer. (Liu) Bao ([劉]豹) was een zoon van een van de laatste chanyu en werd de eerste commandant van de rechter divisie van de Xiongnu. Zoals toen verplicht was voor belangrijke Xiongnu, zond ook (Liu) Bao zijn zoon, Liu Yuan, naar de hoofdstad Luoyang, waar hij een Chinese opvoeding ontving. Zo kreeg hij les van Cui You (崔游) in de vroege Confucianistische klassieken waar hij opviel door zijn intelligentie. Nadat hij na de dood van zijn vader commandant van een divisie was geworden, werd hij in 289 benoemd tot Commandant van de noordelijke stammen (beibu duwei, 北部都尉). Hij verkreeg groot aanzien onder de Xiongnu en hoewel hij door tegenwerking van de nieuwe keizerin, Jia Nanfeng (賈南風, 257-300) die functie weer snel kwijt raakte, zagen steeds meer Xiongnu hem als hun leider. Onder leiding van zijn oom, Liu Xuan (劉宣, †308), commandant van de noordelijke divisie ontstond een beweging tot herstel van de onafhankelijkheid van de Xiongnu. Zijn voorstel om Liu Yuan te benoemen tot groot-chanyu (da chanyu, 大單于) werd aangenomen en in het geheim aan hem medegedeeld.

Ondertussen had tijdens de Oorlog van de Acht Prinsen Sima Ying (279–306), de prins van Chengdu en halfbroer van de keizer, in 304 Luoyang, de hoofdstad van de Jin-dynastie veroverd. Hij benoemde zichzelf tot regent en kroonprins, maar trok zich daarna terug naar zijn militair hoofdkwartier in Ye (鄴, ook wel Yecheng, 鄴城, in het huidige Handan, provincie Hebei). Hij benoemde Liu Yuan tot zijn tunqi xiaowei (屯骑校尉, kapitein van de cavalerie) een functie die Liu aanvaardde. Toen in 304 een tegenaanval van een rivaliserende Jin-prins op Ye dreigde, vroeg Liu Yuan toestemming aan Sima Ying om versterking te mogen halen uit het Xiongnu-gebied. Eenmaal daar aangekomen liet hij zich inhuldigen als groot-chanyu en riep zich uit tot koning van Han (漢王, Han Wang).

Politieke ontwikkelingen Liu Yuan (304-310) Koning van Han Toen Liu Yuan zich in 304 uitriep tot koning van Han verklaarde hij zich onafhankelijk van Jin. Hij voerde voortaan een eigen kalender, met als jaartitel Yuanxi (元熙, 305-308). Uiteraard zagen de Jin dit als verraad, maar Liu Yuan stelde dat het Hemels Mandaat uitsluitend op deugd was gebaseerd en dat de Jin die door hun wanbestuur waren kwijtgeraakt. Hij rechtvaardigde zijn benoeming tot chanyu, omdat hij zou afstammen van de eerste chanyu, Maodun. Verder zag hij zich als rechtmatige opvolger van de Han-dynastie, omdat zijn clan van keizer Han Gaozu de keizerlijke familienaam Liu had ontvangen toen Maodun huwde met een zus van de keizer en Liu Yuan dus via de vrouwelijke lijn een afstammeling van de Han was. Of dat laatste voor Liu Yuan ook gold, wordt door sommige historici betwijfeld. De vermelding dat zijn vader, Bao, als familienaam Liu had, komt uit juan 101 van de Jinshu . Volgens de Chinese historicus Tang Changru (唐长孺, 1911-1994) bestaat hier geen verder bewijs voor. Liu Yuan wilde door zijn claim dat hij zou afstammen van zowel het oude heersershuis van de Xiongnu als van de Han-dynastie slechts zijn aanspraken op het keizerschap versterken.

Consolidatie Liu Yuan vestigde zijn residentie eerst in Zuoguocheng (左國城, het huidige Lishi in Shanxi) en later in Puzi (蒲子, het huidige Xi district, 隰縣 in Linfen, Shanxi) en begon voorbereidingen voor een oorlog tegen Jin. Hij benoemde zijn zoon Liu Cong (劉聰, †318) samen met Wang Mi (王彌, †311), een voormalige bendeleider uit Shandong, tot zijn legerleiders. Zij wisten het zuidwesten van Shanxi tot aan de Gele Rivier te veroveren. Hun opmars naar de hoofdstad van Jin, Luoyang werd gestopt door Sima Yue, opperbevelhebber van de Jin en na zijn overwinning in de Oorlog van de Acht Prinsen de feitelijke machthebber. Ook een tweede aanval op Luoyang mislukte. Ondertussen was Shi Le, leider van een bende avonturiers in Henan onder druk van de Jin gevlucht naar het hof van Liu Yuan. Hij werd door hem benoemd tot legercommandant. Hoewel Shi Le zich onder de suzereiniteit van Liu Yuan plaatste, bestreed hij grotendeels autonoom de Jin in het grensgebied van Shanxi en Henan, waar hij eerder bendeleider was geweest.

Keizerrijk In 308 proclameerde Liu Yuan zich tot keizer, met als jaartitel Yongfeng (永鳳, 308–309). Zijn postume naam zou Guangwendi (光文帝) worden. Hij verplaatste zijn residentie naar Pingyang (het huidige Linfen in Shanxi). Uit onvrede met het Jin-bestuur sloten sommige bestuurders zich aan bij Liu Yuan, waardoor zijn rijk in de loop van 309 niet alleen zuidelijk Shanxi, maar ook delen van Henan omvatte. Alleen de provincies Bingzhou, (并州, noord-Shanxi) onder gouverneur Liu Kun (劉琨, 270-318) en Youzhou, (幽州, het gebied rond het huidige Beijing) onder gouverneur Wang Jun (王浚, 252-314) bleven in handen van Jing-getrouwen. De val van Loyang leek slechts een kwestie van tijd toen Liu Yuan in de zomer van 310 onverwacht na een kort ziekbed overleed. Hij had eerder dat jaar zijn oudste zoon Liu He (劉和, †310) als kroonprins en zijn vierde zoon, generaal Liu Cong als groot-Chanyu aangewezen. Net als Liu Cong kregen ook drie andere broers van hem, Liu Yu (劉裕, †310), Liu Long (劉隆, †310) en Liu Ai (劉乂, †317) het bevel over een eigen troepenmacht in de hoofdstad Pingyang.

Liu He (310) De nieuwe keizer, Liu He, viel drie dagen na de dood van zijn vader zijn vier andere broers aan. In de daarop volgende strijd werden Liu Long en Liu Yu gedood. Een paar dagen later wist Liu Cong bij een tegenaanval het paleis te veroveren. Keizer Liu He werd samen met zijn aanhangers gedood. Liu Cong vroeg zijn broer Liu Ai beleefdheidshalve om keizer te worden. Toen die weigerde, benoemde Liu Cong zichzelf tot keizer, met als eerste jaartitel Guangxing (光興, 310-311). Hij staat ook bekend onder zijn postume naam Zhaowudi (昭武帝). Liu Ai werd kroonprins.

Liu Cong (310-318) Verovering van Luoyang De nieuwe keizer, die net als Liu Yuan een klassieke Chinese opvoeding had genoten, richtte zijn aandacht allereerst op de verovering van Luoyang. De stad werd van twee kanten ingesloten. Van de ene kant door een troepenmacht onder leiding van Huyan Yan (呼延晏) en van de andere kant door een leger geleid door Wang Mi, Shi Le en Liu Yao (刘曜, †329). Die laatste was een verre neef van Liu Cong en als weesjongen opgevoed door Liu Yuan. De regent en feitelijke machthebber in Luoyang, generaal Sima Yue overleed onverwachts begin 311, toen hij met zijn troepen buiten de stad voorbereidingen trof voor een tegenaanval. Er werd een begrafenisstoet gevormd met een groot aantal Jin-hoogwaardigheidsbekleders onder bescherming van bijna alle Jin-troepen uit Luoyang om Sima Yue te begraven in zijn prinsdom Donghai (東海, het huidige Linyi in de provincie Shandong). In het district Ku (苦縣, Ku xian, het huidige Zhoukou in Henan) werd deze stoet in de zomer van 311 vernietigend verslagen door het numeriek veel kleinere leger van Shi Le. Behalve veel soldaten doodde hij ook alle leden van de Sima-clan uit de stoet. Volgens de annalen van het Boek van de Jin (juan 5) zouden daarbij in totaal meer dan 100.000 doden zijn gevallen.

Door deze nederlaag kon Luoyang niet meer effectief worden verdedigd. De stad werd op 7 juli 311 ingenomen, geplunderd en totaal verwoest. Het bloedbad onder de bevolking kostte 30.000 mensen het leven. De vernietiging van Luoyang in 311 staat in de Chinese historiografie bekend als de "Ramp van Yongjia" (永嘉之禍, Yongjia zhi huo, ook wel 永嘉之亂,Yongjia zhi luan). De Jin-keizer, Huai werd gevangen genomen en naar Pingyang gebracht. Daar ontving hij van Liu Cong in eerste instantie een adellijke titel (Markies van Ping'a, 平阿公.), maar werd in 313 gedwongen om in vernederende (groene!) kleding drank te schenken tijdens een nieuwjaarsbanket. Een paar maanden later werd hij op bevel van Liu Cong samen met zijn meegevoerde hovelingen ter dood gebracht.

Verovering van Chang'an