miniatuur|Detail van de zuidelijke aftakking tussen Ninove en Waver van de KW-stelling. Kaart uit 1958. De verdedigingslijn Ninove-Waver is een zuidelijke aftakking van de KW-stelling en had als doel het neutrale België, met in het bijzonder Brussel, te beschermen tegen aanvallen vanuit Frankrijk. Zo zette België door de constructie van de aftakking in 1939 zijn status van neutraliteit kracht bij. De KW-stelling had immers als primair doel het Belgisch grondgebied tegen aanvallen vanuit Duitsland te beschermen.
Opzet van de linie
Een instrument in de neutraliteitspolitiek Sedert 1936 voerde België een neutraliteitspolitiek en ondanks het feit dat in 1937 de Belgische regering zowel Parijs, Londen als Berlijn had laten weten dat het "nationaal territorium tot het uiterste zou worden verdedigd tegen om het even wie".
Om de neutraliteit van het land aan de Duitsers te bewijzen – die er echter geen geloof aan hechtten –, werd vanaf einde 1938 aan de K.W.-linie een tegen Frankrijk gerichte aftakking toegevoegd van Waver tot Ninove. De linie bestond uit oorspronkelijk uit 48 kringstellingen van kleine bunkers, Cointet-elementen, ingeheide spoorstaven, tetraëders, loopgraven en prikkeldraadversperringen. In 2020 zijn nog 4 van de 9 bunkers in Waterloo, 4 van 4 bunkers in Eigenbrakel, 6 van de 8 bunkers in Halle, acht in Kester (Gooik) 3 van de 5 bunkers in Meerbeke (Ninove) en vier in Pamel (Roosdaal)bewaard. De stelling sloot aan op de KW-linie te Waver, maar bij zijn aanbesteding was er enkel sprake van Waterloo-Halle-Ninove. Deze aftakking van de beruchte KW-linie heeft echter nooit dienstgedaan, en werd al snel na de inval van het Duitse leger in mei 1940 ontmanteld. Opvallend is dat in de archieven als eindpunt van deze aftakking ("pour la couverture de Bruxelles") steeds Ninove aangegeven wordt hoewel dit punt volledig op Pamels grondgebied gelegen is (tot aan de Dender); in Duitse archieven wordt niet enkel de aftakking, maar de hele K.W.-linie "der Brüsseler Ring" genoemd.Ons Klokje: jg. 1988, nrs 3/4, blz. 39-50.
Beschrijving van de linie De Ninove-Waverstelling maakte met de KW-stelling deel uit van het viertraps-verdedigingssysteem zoals dat door de Belgische legerleiding in de jaren '30 was uitgewerkt: De alarmstelling: haar opdracht bestond er in elke grensschending mee te delen aan het algemeen hoofdkwartier en zich vervolgens terug te trekken na bepaalde vernielingen uitgevoerd te hebben. De vooruitgeschoven stelling: haar voornaamste opdracht was de hoofdwegen te versperren of te vernielen. Deze bevond zich langs de grenzen met Nederland en Duitsland, te beginnen ten noorden van Antwerpen tot Aarlen via Maaseik. De dekkingsstelling. Ze was westwaarts gelegen, 210 km lang en bestond uit de versterkte stelling Antwerpen (met forten en anti-tankgrachten), de Albertkanaalstelling, de versterkte stelling Luik, gemoderniseerd en versterkt door 4 nieuwe forten, waaronder dat van Eben-Emael, de Maasstelling en de versterkte stelling Namen. Achter deze dekkingsstelling, vooral achter het Albertkanaal waarlangs de hoofdmacht van het leger, 14 divisies, opgesteld was, hoopte het opperbevel alle aanvallen te kunnen weerstaan tot de komst van de geallieerde legers. De hoofdverdedigingslinie of de weerstandslinie - die het voordeel had veel korter te zijn - verder in het binnenland, verdeelde het land in tweeën en liep van Antwerpen via Waver tot aan de vesting Namen. Voor een klein land als België was het aanleggen van de K(oningshooikt)-W(aver) linie een hele prestatie.
De ruggengraat van de linie waren de paar tientallen kleine bunkers die naar het westen werden beschermd tegen tanks door een doorlopende hindernis samengesteld uit Cointetelementen, d.w.z. stalen hekkens die op rollen verplaatst konden worden, doch eens naast elkaar verankerd en bestreken door de wapens uit de abri's fungeerden als een "IJzeren Muur"Meer hierover in het D.F.-klokje, 1988, nrs. 3/4, blz. 39-50., tientallen kilometers lang doorheen het landschap.
Bezetting van de bunkers De bezetting van een kleine bunker bestond uit 7 man: een sergeant (de sectieoverste), 2 korporaals en 4 soldaten, dus 3 man per mitrailleur: een chef, een schutter en een lader en de sectiechef, gewoonlijk een sergeant. Overdag, in vredestijd, bleven er 3 manschappen binnen en 3 buiten in de loopgrachten. 's Nachts waren er steeds 3 van wacht: 1 binnen en 2 buiten.
Bouw van de bunkers
De onteigening van de terreinen Vooraleer met de bouw van de bunkers begonnen kon worden, werden eerst de nodige terreinen onteigend. In het Belgisch staatsblad van 16 maart 1939 luidt het als volgt: "Bij K-B. nr. 2446 van 7 februari 1939Belgisch staatsblad K-B. nr. 2446 (7 februari 1939). wordt er vastgesteld dat onroerende goederen, gelegen op het grondgebied van de gemeente Pamel ten algemenen nutte onmiddellijk in bezit dienen genomen". In Pamel waren de onteigenden:
Mevrouw Claire Jeanne Van Tieghem de ten Berghe, douairière van de Heer Baron Albert-Charles Kervijn d' Oud Mooreghem, verblijvend in Heusden (O.-VL.): zij moest 4 aren afstaan en een doorlopend doorgangsrecht van 2m breedte en 140m lengte. (Erfdienstbaarheid) (akte 21 maart 1939; bunker nr. 6) Jozef, Gerard en Victor De Koninck (Koestraat): 3 aren en een doorgangsrecht van 2 m breedte en 126 m lengte (akte 23 maart 1939; bunker nr. 7) Remi Van Havermaet (Kamstraat): 3 aren en een doorgangsrecht van 2 m breedte en 60 m lengte. ( akte 23 maart 1939; bunker nr. 8) P.V.B.A. Société Familiale de Kerckhove-Borluut: 3 aren en doorgangsrecht van 2 m breedte en 14 m lengte. (akte 7 maart; bunker nr. 9)
Voor Meerbeke gold het koninklijk besluit 2440 van 4 februari 1939; hier werden 5 terreinen onteigend. De vergoeding bedroeg 1000 fr. per are.
Op 1 maart 1939 (dus nog voor de akten opgesteld waren) vond in Namen de aanbesteding plaats voor de bouw van 9 bunkers: 4 in Pamel en 5 in Meerbeke. Er waren 16 inschrijvingen. De Luikse aannemer Carpeaux deed het laagste bod met 1 273 415,93 fr. Zijn dichtste concurrent, een firma uit Merksem, was slechts 114,82 fr. duurder. Daar de raming van het leger 1 427 192,81 fr. bedroeg was zijn bod dus 153 776,88 fr. lager. Later, op 24 augustus 1939 bleek de eindafrekening toch 36 .470,87 fr. hoger te liggen zodat ze 1 309 886,80fr. bedroeg.
De aanbesteding De richtlijnen in de aanbesteding waren zeer streng; ze hadden niet enkel betrekking op het werk en de materialen maar ook op de persoon van de aannemer zelf, zijn werknemers en het personeel dat hij eventueel ter plaatse zou aanwerven. Zo moest hij bij de aanwerving van zijn arbeiders de voorkeur geven aan oorlogsinvaliden en oud-strijders. Ook zijn nationaliteit en die van het personeel moest hij bekend maken; voor de materialen die hij gebruikte moest hij het land van herkomst aangeven. Voor de 9 bunkers mocht de termijn de 50 werkdagen voor het grof werk en de 25 werkdagen voor de voltooiing (de tijd voor de verharding van het beton niet inbegrepen) niet overschrijden. Was de aannemer vooruit op de afwerking, dan kreeg hij een premie van 3000 fr. per dag. Bepaalde materialen mochten alleen door de Belgische staat geleverd worden: deuren, rekken en affuiten. Ze werden geleverd in het station van Ninove van waar de aannemer het vervoer ervan zelf moest voorzien.
De bouw van de bunkers moet begonnen zijn omstreeks 15 maart 1939 want op 15/2/39 krijgt de rijkswachtbrigade van Ninove de opdracht de bouwwerf vanaf 15 maart 1939 te bewaken. Op 1 augustus echter krijgt de Ninoofse brigade het bericht dat de bewaking rond de bunkers niet meer nodig is vanaf 5 augustus; van nu af is dit de taak van het leger. Vanaf 12 juni 1939 was de 6de infanteriedivisie verantwoordelijk voor het onderhoud van de bunkers, wat erop wijst dat tegen deze datum verschillende constructies reeds voltooid waren.
Algemeen constructieopzet De dikte van het plafond en de muren bedraagt 1, 30 m. Dit was in combinatie met funderingen van 2 meter diep voldoende om een ononderbroken beschieting met granaten van 150 mm en afzonderlijke inslagen (des coups isolés) van granaten van 220 mm te weerstaan. Als uitgangspunt gebruikte men het plan van de abri nr. 2 in Kester en berekende dat men voor het bunkertype, dat bestand moest zijn tegen granaten van 220 mm (type 2) 223 m3 beton nodig had; voor het type (type 1), dat enkel bestand tegen granaten van 150 mm was, was er slechts 195 m' nodig, wat dus een verschil van 28 rri3 maakte. Dat verschil van 28 m3 gold voor alle bunkers wat met een betonprijs van 800 fr. per m3 een aanzienlijk verschil maakte. Daarbij kwam nog dat voor type 2 twee binnendeuren nodig waren en voor type 1 slechts één; zo'n deur kostte 2000fr. Een derde probleem was dat men voor type 2 de 2 ruimten waarin een machinegeweer opgesteld was, volledig door een binnenmuur gescheiden wilde houden. De bedoeling was natuurlijk dat, indien een voltreffer een van beide geschutsruimten zou uitschakelen, de andere intact zou kunnen blijven. Voor type 1 was er ook een scheidingsmuur voorzien, maar die liep niet door: er bleef een opening tussen beide ruimten. De volledige scheiding van beide ruimten (type 2) had dus voordelen, maar ze had dan weer nadelen voor de bevelvoerende onderofficier: er was geen direct contact tussen beide ruimten mogelijk. Om van de ene geschutsruimte naar de andere te gaan moest de sectieoverste via de buitendeur van de ene ruimte de buitendeur van de andere ruimte openen. Op dat ogenblik was hij een schietschijf voor de vijand. Voor type 1 was dat dus niet het geval en dus besliste men op 16 januari 1939 om over te gaan tot de keuze voor dat type bij de constructie van de bunkers in Pamel en Meerbeke.
Van elektriciteit was er toen nog geen sprake. Petroleumlampen zorgden voor wat schaars licht.
Elke bunker had 2 deuren. De buitenste deur was een eenvoudige getraliede deur, aan de binnenkant bekleed met een dunne metalen plaat. De binnendeur vormde met de buitendeur een sas en sloot dus de geschutsruimte af. Ze bestond uit een eiken kader met een 5 mm dikke metalen bekleding. Voor de luchtverversing was ze voorzien van vaste blinden (= jaloezieën) en aan de binnenzijde was ze eveneens afgedekt met een 5 mm dikke stalen plaat; ze kon dus nauwelijks als een gepantserde deur beschouwd worden.
Camouflage van de bunkers Aan de buitenkant zijn de muren van de bunkers bekleed met de merkwaardige cementen noppen; ze werden "eitjes" of "Tiroler tepeltjes" genoemd. Ze hebben een dikte van 3 cm gemiddeld en moesten een soort bladerenscherm voorstellen. Daarom werden ze overigens ook in stroken van zwart en groen geschilderd (nu nog gedeeltelijk zichtbaar). Het bleek een inlandse camouflage-uitvinding te zijn die van onderen naar boven werd aangebracht. De vorm zelf werd in de verse cementspecie gedrukt met een soort lepel.
Later werd dit systeem ook in het buitenland overgenomen, o.m. door de Duitsers op de Atlantikwal. Alleen op het dak van de abri's werd eigenaardig genoeg geen camouflage aangebracht. Het bleef glad. Wel werden aan de rand van het dak haken (telkens 16) ingewerkt waaraan dan camouflagenetten vastgehecht konden worden. Ontsnappen was enkel mogelijk via een nooduitgang die in een van de bovenruimten was aangebracht. Het was een nauwe pijp, 60 x 60 cm met vier verticale sleuven - telkens 2 tegenover elkaar - waarin stalen balkjes werden neergelaten. Langs buiten was de pijp onzichtbaar want er was een muurtje van een halve baksteen opgetrokken dat van binnenuit vrij gemakkelijk weggeslagen kon worden. Ook dit muurtje was aan de buitenkant bekleed met die Tiroler tepeltjes. Er was dus helemaal geen verschil met de rest van de buitenmuur. Om dat muurtje stuk te slaan waren er twee houten balkjes met handvat en 10 cm breed, 5 cm dik en 90 cm lang beschikbaar. Zolang ze niet gebruikt werden, zaten ze in de horizontale sleuf boven telkens 2 verticale sleuven aan dezelfde kant van de pijp.
Verdediging van de bunkers