Mijn vriend Sukarno is een in 1995 verschenen boek over Soekarno, de eerste Indonesische president. Het is geschreven door de Nederlandse journalist, schrijver en Indonesië-kenner Willem Oltmans. Puttend uit zijn dagboek en zijn memoires, waarvan enkele delen ook in druk waren verschenen, beschrijft Oltmans met begrip en sympathie zijn herinneringen uit de periode 1956-1966 aan de in 1970 overleden Soekarno, de strijder tegen het Nederlandse kolonialisme in Nederlands-Indië die in eigen land wordt geëerd als een vader des vaderlands. In Nederland werd de staatsman echter vanwege zijn politieke houding tijdens en na de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog lange tijd gezien als een vijand.
In de door Oltmans beschreven periode werd Sukarno met name sinds 1958 geconfronteerd met een groeiende binnenlandse controverse tussen het leger en de Partai Kommunis Indonesia (PKI) en vond ook de bloedige generaalscoup of Kudeta van 1965 plaats, waarna het bewind van Soekarno uiteindelijk zou plaatsmaken voor het regime van Soeharto. Oltmans zag hierin een betrokkenheid van de Verenigde Staten, waar omstreeks 1960 het besluit zou zijn genomen het opdringend communisme in Zuidoost-Azië te stoppen, wat ook leidde tot de Vietnamoorlog.
Oltmans had enkele jaren voor het verschijnen van het boek bewijzen verkregen voor het door hem jarenlang geuite vermoeden dat hij sinds hij in 1956 Soekarno ontmoette en hem interviewde stelselmatig in zijn journalistieke carrière was dwarsgezeten en naar eigen zeggen "in de ban gedaan" en "vogelvrij verklaard" door de Nederlandse overheid.onder meer als "geheim" bestempelde documenten van de toenmalige Nederlandse gezant te Jakarta, ambassadeur H.Hagenaar; Mijn vriend Sukarno (1995), pag. 29; Oltmans had hierover in 1992 Vogelvrij uitgebreid geschreven alsMijn dossier, 1957-1962, pag. 15-84, met daarbij kopieën van vele documenten, pag. 85-128
Context Behalve over de persoon Soekarno, en zijn pogingen in Indonesië middels een ‘geleide democratie’ politieke stabiliteit te bereiken en de betrekkingen met Nederland te normaliseren, gaat het boek tevens over Oltmans eigen wedervaren sinds dat eerste interview en ook over de verwikkelingen aan het hof van een staatshoofd en geliefde volksleider, die zich geconfronteerd zag met de moeilijke taak na de onafhankelijkheid van Nederland de rust en orde te behouden, terwijl grote buitenlandse mogendheden er de ontwikkelingen argwanend volgden en ook trachtten te beïnvloeden. Met name in de Verenigde Staten rees bezorgdheid om de groeiende invloed van de Partai Komunis Indonesia (PKI) in het land dat een prominente rol ging spelen in de nieuw ontstane Beweging van Niet-Gebonden Landen. Oltmans schrijft terloops over hoe dit leek door te klinken middels spionage-activiteiten en het optreden van vermoedelijke informanten en agenten van buitenlandse inlichtingendienstenOltmans noemt onder meer enkele malen "CIA-pottenkijker" professor Guy Pauker. en door hem gesignaleerde kuiperijen van "met de CIA collaborerende verraders" aan het presidentieel hof, aan de vooravond van de uiteindelijke generaalscoup Kudeta en de massamoord van 1965-66 waarbij na het definitief aan de kant zetten van Soekarno door militairen en lokale milities grote aantallen (vermeende) leden van de PKI zouden worden gedood.
Oltmans speelde reeds sinds 1959 met het idee van een boek over Soekarno. Dat idee werd bij hem gesterkt door een Indonesische diplomaat, de toenmalige permanente vertegenwoordiger van Indonesië bij de Verenigde Naties Ali Sastroadmidjojo. Die suggereerde dat hij dat dan zou kunnen schrijven in samenwerking met een Indonesische journalist, bijvoorbeeld de beroemde Indonesische journalist, schrijver en dichter Sitor Situmorang (1923-2014). Oltmans schreef hierover zelf: "De vraag, of er een boek over Sukarno moest komen hield me bezig vanaf het moment dat ik mijn eigen ontdekking had gedaan, dat zoals hij was en het verhaal dat in de wereld de ronde deed, weinig of niets met elkaar van doen hadden."[Mijn Vriend Soekarno (1995) pag. 71; Oltmans schrijft hier abusievelijk Sitor Simatupang
Joseph Luns Hoewel het onderwerp van het boek de eerste Indonesiche president Soekarno betreft, loopt als een rode draad door de tekst tevens Oltmans' misnoegen over de door hem ervaren obstructie door de Nederlandse overheid sinds zijn eerste interview met deze staatsman en een diep gekoesterde wrok jegens de toenmalige minister van Buitenlandsze Zaken Joseph Luns (KVP), die hij als de kwade genius achter die tegenwerking beschouwde.
Voorwoord van het boek In het voorwoord vermeldde Oltmans over de titel dat hij ooit van de schrijver Jef Last een exemplaar kreeg van diens in 1966 verschenen boek Mijn vriend André Gide. Destijds verschilde hij met Last van mening over de vraag of het in de journalistiek eigenlijk wel gepast was vrienden te maken.
Ook in het voorwoord schreef Oltmans: "Zelfs honderd jaar na zijn geboorte en een kwart eeuw nà zijn dood, blijft het een hachelijk avontuur een boek over president Sukarno, onze aartsvijand nummer één, te schrijven. Men gelooft iets over hem te kunnen zeggen of denken, maar men weet in feite niets van de man. Men is zich niet bewust belangrijke ingrediënten van informatie niet ter beschikking te hebben, waardoor het hebben van een uitgesproken mening niet gerechtvaardigd is. Emoties vertekenen de realiteit. Hardnekkige verzinsels hebben jarenlang de waarheid en de feiten over de stichter van de Indonesische Republiek moeten verdoezelen. Hij was uiteindelijk de onbetwiste overwinnaar en wij hebben ons als miserabele verliezers gedragen."Mijn vriend Sukarno (1995), pag. 9 Oltmans beroemde zich erop de enige van zijn generatie (Nederlandse) journalisten te zijn geweest die wèl op hem afstapte, om informatie uit de eerste hand te verzamelen, "met de bedoeling een betekenisvolle mening te vormen".
Inhoud van het boek 1956 Het boek begint met het hoofdstuk Rome (1956) waarin Oltmans zijn kennismaking met Soekarno beschrijft: een ontmoeting die een keerpunt zou zijn in zijn leven en loopbaan. Nadat hij op de redactieburelen van het Algemeen Handelsblad had gewerkt, werd hij correspondent voor dagblad De Telegraaf. Daar werd hij geacht zich te richten op verslaggeving over Italië en het Vaticaan. Hij werd echter in 1956 de eerste Nederlandse journalist die als correspondent in Rome het Indonesische staatshoofd tijdens zijn eerste staatsbezoek aan een Europees land benaderde voor een interview. Daarmee sloeg hij de instructies van zijn eigen hoofdredacteur Stokvis van De Telegraaf in de wind en riep hij de gramschap van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns over zich uit. Oltmans zelf verklaarde later over zijn benaderen van Soekarno, onder verwijzing naar een belangrijk journalistiek beginsel: "Ik dacht net als iedereen in Nederland dat het een rotvent was, maar op het Handelsblad leerde ik hoor en wederhoor toe te passen.""Tradities moet je toetsen aan de nieuwe realiteit" - Willem Oltmans op bezoek bij het Eindhovens Studenten Corps. Gearchiveerd op 21 januari 2025.
In het hoofdstuk Bonn (1956) beschrijft Oltmans, ofschoon correspondent te Rome, hoe hij na het inleveren van zijn kopij over die eerste ontmoeting bij de redacteur van het weekblad Elsevier die daarin als enige Nederlandse publicatie wel geïnteresseerd bleek, Soekarno achterna reisde tijdens diens daaropvolgend staatsbezoek aan de Bondsrepubliek Duitsland en het met de Indonesische president gelegd contact voortzet en met diens gevolg ¨meelift´.Mijn vriend Sukarno (1995), pag. 21-22 Een poging verder met hem en zijn gevolg mee te liften tijdens diens daaropvolgend bezoek aan de Sovjet-Unie bleek echter niet mogelijk, omdat hem een visum voor dat land werd geweigerd.Mijn vriend Sukarno (1995), pag. 23
Oltmans kwam in contact met de Groep Rijkens, een gezelschap ondernemers rondom Paul Rijkens, voormalig functionaris bij het Unilever-concern, en Emile van Konijnenburg die betrokken was geweest bij de oprichting van de Indonesische luchtvaartmaatschappij Garuda Indonesia. Van 1956 tot 1961 zou Oltmans met deze lobbygroep samenwerken. Hij besloot naar Indonesië af te reizen en correspondent te Jakarta te worden voor een drietal Nederlandse kranten: de Nieuwe Rotterdamse Courant, het Algemeen Handelsblad en Het Vaderland.
Op 31 december 1956 bezocht Oltmans te Jakarta de presentatie en troepeninspectie van het Indonesisch detachement van United Nations Emergency Force I (UNEF I), de door Verenigde Naties uitgezonden vredesmacht naar het Suezkanaal, Egypte en Gaza, dat moest toezien op de daar bereikte wapenstilstand na de Suezcrisis. Hij werd onder de daar aanwezige buitenlandse pers door Soekarno herkend en door hem op het presidentieel paleis uitgenodigd.
Hierop ontstond een jarenlange vriendschap met het Indonesisch staatshoofd en diens gezin. De door de president met "Wim" aangesproken Oltmans was vaak gast in het presidentieel paleis. Hij werd opgenomen in de rombangan, de presidentiële reisgroep, reisde met Soekarno mee door het land om diens toespraken bij te wonen.
1957 In 1957 werd Oltmans op de protocollijst van het paleis gezet en hij zou tot september van dat jaar alle reizen van de president door zijn land meemaken, waarbij hij ook bij door hem toegesproken massabijeenkomsten (rapat raksasa) aan het publiek werd gepresenteerd en geprezen, wat bedoeld kon zijn om anti-Nederlandse gevoelens in het land te bedaren.Mijn vriend Sukarno (1995), pag. 26 en 50 Ook kon hij meevaren aan boord van het regeringsjacht ms. 'Djadajat'.Mijn vriend Sukarno (1995), pag. 53-56 Soekarno werd destijds een belangrijke leider in de Beweging van Niet-Gebonden Landen.
Een lastig obstakel voor een normalisering van de betrekkingen met Nederland vormde echter het Irian-Barat-vraagstuk. De toenmalige Nederlandse regeringen weigerden Nederlands-Nieuw-Guinea (West-Irian) op te geven, het nog steeds als overzees gebiedsdeel aangemerkt deel van de oude kolonie waarop Indonesië aanspraak maakte. Deze kwestie bleef een heet hangijzer, tot Nederland onder druk van de internationale gemeenschap en een dreigende oorlog in 1962 het gebied alsnog de facto aan Indonesië overdroeg. Oltmans was de overtuiging toegedaan dat hij hierbij achter de schermen een belangrijke rol had gespeeld. Naar eigen zeggen beging hij, ofschoon journalist, het pad van de 'stille diplomatie'.Mijn vriend Sukarno (1995), pag. 61