Sculptuur van de geschiedenis van Huissen|thumb|320px miniatuur|rechtop=0.6De geschiedenis van Huissen, een plaats die tegenwoordig onder de gemeente Lingewaard in de Nederlandse provincie Gelderland valt, wijkt af van die van de omliggende plaatsen omdat Huissen van uiterlijk 1242 tot en met 1816 geen deel uitmaakte van Gelre/Gelderland, maar van Kleef/Brandenburg/Pruisen. Pas in 1816 werd Huissen deel van Nederland. Hieronder wordt de geschiedenis van Huissen weergegeven van prehistorie tot heden.

Prehistorie en Romeinse tijd In Huissen zijn resten uit de steentijd en de ijzertijd gevonden. Hieruit blijkt onder meer dat in de ijzertijd een nederzetting bestond bij de buurtschap Kerkelanden. De Betuwe was vanaf het jaar 12 v.Chr. in handen van de Romeinen. Restanten van de Limes, de weg langs de noordelijke grens van het Romeinse Rijk, zijn gevonden bij de aanleg van de nieuwbouwwijk Loovelden. Door archeologisch onderzoek bij de bouw van deze wijk zijn sporen van burgerlijke bewoning gevonden, die duiden op een nederzetting van de Romeinen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit grafvondsten in twee grafvelden. Vanaf dat moment was sprake van spaarzame bewoning in Huissen. Onbekend is of sprake was van ononderbroken bewoning. Halverwege de 8e eeuw werd begonnen met het opwerpen van een heuvel rond het huidige dominicanenklooster genaamd de "Hazenberg" als bescherming tegen het water.

Vroege middeleeuwen Huissen werd al tijdens de vroege middeleeuwen (in 814) vermeld als Hosenhym. Later (na de invallen van de Noormannen) werd de plaats Hosenheim genoemd. In de negende eeuw wordt het gebied gekerstend. Een dorpje ontstond in de huidige wijk het Kempke, waar een eerste (houten) kerk werd gebouwd. In de vermelding uit 814 is sprake van maar liefst 44 lijfeigenen. In de tiende eeuw ontstonden twee versterkingen, de Grote Toren, die eeuwenlang het silhouet van Huissen bepaalde en een tufstenen toren met ringmuur, men noemde deze toren de "Danenburgh", "Dannenberg" of "Danenborgh". Deze laatste burcht wordt toegeschreven aan de periode waarin de Noormannen de streek onveilig maakten. Het gebied rondom de kern werd ontgonnen en een aantal hoeven werd gesticht.

Na het jaar 1033 werd de naam van de plaats gespeld als Huschenheim of Heuschenheim, en daarna in Heuschen of Heussen. Vervolgens werd de spelling Huessen, dat uiteindelijk evolueerde naar de huidige spelling Huissen (in het plaatselijke dialect Huusse).

Late middeleeuwen In ieder geval vanaf 1242 was Huissen (op dat moment Heuschenheim genoemd) in handen van graaf Diederik VI van Kleef. De Kleefse graven richtten een tol in aan de Rijn, en stichtten een burcht. Deze Kleefse burcht werd ook wel aangeduid als Slot of Kasteel te Huissen en lag op de plaats van de eerder genoemde Grote Toren. Op het burchtterrein stond ook nog een vierkante toren met een gebouw die in een met muren omringde binnenplaats stonden. Het burchtterrein had een omvang van circa drie hectare. Rond de tol en burcht ontstond een handelsnederzetting naast de al bestaande agrarische nederzetting. Omdat de omgeving van Huissen in handen kwam van de graven van Gelre, werd Huissen een Kleefse enclave.

Huissen behoorde tot de Franse tijd bij Kleef en werd met Kleef deel van Brandenburg en Pruisen. Pas in 1816 is Huissen deel geworden van Nederland.

Later werd de tolfunctie verplaatst naar Emmerik. Rond 1250 vond in Huissen Kleefse muntslag plaats. Volgens de volksoverlevering werd de houten kerk in het begin van de veertiende eeuw bij een dijkdoorbraak verzwolgen. De nederzetting werd onbewoonbaar en door graaf Diederik (of Dirk) IX verplaatst: vanaf 1310 ontstond er een nieuwe nederzetting tussen het tolhuis aan de (huidige) markt en de burcht. Een nieuwe kerk, de Onze Lieve Vrouw ten Hemelopnemingkerk, werd in 1313 gebouwd op de plaats van de huidige katholieke kerk. Het stratenpatroon van het huidige centrum ontstond. Wanneer Huissen stadsrechten kreeg, is niet bekend. Wel is bekend dat Huissen op zijn laatst in 1314 stadsrechten kreeg. Na de verlening van de stadsrechten kreeg Huissen vermoedelijk haar omwalling. De burcht had haar eigen grachten en ringmuur. Het stadje had een omwalling, waarschijnlijk eerst van aarde, later stadsmuren met drie poorten en een gracht en werd daardoor ruimtelijk van de omgeving gescheiden. Bij het tolhuis kwam een markt met van daaruit twee straten naar de stadspoorten.

De plattegrond van het centrum van Huissen heeft in de kern nog steeds de vorm die in de veertiende eeuw is ontstaan. Vanaf de markt lopen nog steeds dezelfde straten, al bestaan de stadspoorten, omwallingen en stadsgracht niet meer. De in 1313 gebouwde kerk heeft tot haar verwoesting in 1944 bestaan. De huidige stadskerk staat op dezelfde plaats als de oude kerk.

In 1368 liet graaf Jan van Kleef de stad, burcht en tol na aan zijn weduwe, Mechteld. Zij was de zus van de Gelderse troonpretendenten Reinoud III en Eduard van Gelre, en vestigde zich in Huissen. Na de dood van haar broers maakte zij zelf aanspraak op de titel van hertogin van Gelre. De daaropvolgende Eerste Gelderse Successieoorlog, waarin zij Huissen betrok, verloor zij in 1379, waarna zij in 1384 overleed.

Huissen bleef daarna een twistappel tussen Kleef en Gelre. In 1411 werd Huissen het Sint-Jorisgilde als verdedigingsgilde gevormd. Later in de vijftiende eeuw ontstond ook het Sint-Antoniusgilde. Deze beide gilden hadden tot taak de verdediging van de stad.

Als stad had Huissen een eigen rechtsorde. In het begin van de veertiende eeuw ontstond naast de stad ook het ambt Huissen. Graaf Diederik IX kende in de bestuurlijke inrichting van het graafschap een hoofdrol toe aan steden en ambten. De stad had een schepenbank met zeven schepenen en vier raden. Een door de graaf benoemde richter was voorzitter van de schepenbank. Recht werd gesproken door deze schepenbank. De Grote Toren bij de burcht diende als gevangenis. Voor het uitvoeren van de doodstraf door onthoofding of ophanging werd een scherprechter van buiten ingehuurd. Het ambt Huissen vormde samen met de stad Huissen en het ambt Malburgen het drostambt Huissen. De graaf benoemde de drost of ambtman. De ambtman vervulde tevens de functie van richter.

In 1448 werd in Huissen voor het eerst een klooster gesticht, het Sint-Elisabethsconvent, een klooster van de franciscanessen. Het Sint-Elisabethsconvent was vanaf de oprichting een centrum van het katholicisme in Huissen en bood na de reformatie in het omliggende gebied een tehuis voor gevluchte priesters. Het klooster heeft tot 1812 bestaan. In dat jaar behoorde Huissen tot het Franse Keizerrijk en werd het klooster door de Franse autoriteiten gesloten.

De eerste school werd vanuit de kerk opgericht in 1492. In 1493 vond een stadsbrand plaats, waarbij veel huizen aan de beide hoofdstraten van het stadje werden verwoest.

In het jaar 1502 was de stad Huissen nog steeds in handen van het (inmiddels) hertogdom Kleef. Dat gold ook voor een deel van de Liemers, Malburgen, de Kleefse Waard en Hulhuizen. De wijde omgeving behoorde tot het hertogdom Gelre, Huissen vormde dus met buurtschap Malburgen een enclave binnen het hertogdom Gelre. Vanuit Huissen vonden regelmatig overvallen plaats op het omliggende Gelderse gebied. In 1502 probeerde Karel van Gelre Huissen te veroveren. Na een belegering van ruim een maand werden de Gelderse troepen door Kleefse troepen verslagen. Dit wordt het beleg en ontzet van Huissen genoemd. De verdedigingsgilden fuseerden in 1536 tot het Sint-Gangulphusgilde. Dit gilde bestaat nog steeds. Volgens de volksoverlevering is de sacramentsprocessie voor het eerst in 1560 genoemd. Historici hebben hiervan geen bevestiging gevonden, maar achten wel aannemelijk dat de eerste sacramentsprocessie rond die tijd is gehouden en dat daarvoor andere processies hebben plaatsgevonden. Vast staat wel dat vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw sacramentsprocessies hebben plaatsgevonden.

De sacramentsprocessie speelde vanaf dat moment een belangrijke rol in het geloofsleven in Huissen en wordt jaarlijks georganiseerd. Omdat Huissen geen deel is geweest van de Republiek der Verenigde Nederlanden, mocht ook nadat het deel werd van Nederland jaarlijks een processie worden gehouden. Ook nu nog vindt jaarlijks de processie onder de naam Umdracht plaats.

In de Tachtigjarige Oorlog werd het omliggende Gelre vanaf 1579 als deel van de Nederlanden protestant. Huissen en het nabijgelegen dorp Malburgen bleven (evenals de Liemers) tot het hertogdom Kleef behoren. Huissen werd daardoor een katholieke enclave. Veel katholieken uit de wijde omgeving gingen daarom toen in Huissen naar de kerk en de bevolking nam behoorlijk toe. Het Sint-Elisabethsconvent huisvestte in die tijd vaak gevluchte priesters, waaronder de apostolisch vicaris Johannes van Neercassel. Vanaf eind 16e en begin 17e eeuw groeide de bevolking, waardoor men de kasteelgracht moest dempen.

Brandenburgse en Pruisische tijd Na het overlijden van hertog Johan Willem van Kleef in 1609 volgde de Gulik-Kleefse Successieoorlog. Huissen kwam onder bewind van de protestantse keurvorst Johan Sigismund van Brandenburg en de katholieke vorst Wolfgang Willem van Palts-Neuburg, samen aangeduid als de possiderende vorsten. Uiteindelijk ging Huissen met het hertogdom Kleef in 1614 naar het protestantse Keurvorstendom Brandenburg, in 1701 voortgezet door het Koninkrijk Pruisen. Vanaf dat moment werd Huissen bestuurd vanuit het verre Berlijn. Ondanks dat Brandenburg en Pruisen protestantse staten waren, bleef Huissen voornamelijk katholiek en behield de stad katholieke burgemeesters. Wel kregen de protestanten in 1660 een eigen kerk. Al eerder, van 1635 tot 1650 waren Staatse troepen, feitelijk deel van een buitenlandse krijgsmacht in Huissen gelegerd.

De geloofsvrijheid in Huissen zorgde er voor dat ook de omliggende plaatsen, zoals Angeren en Bemmel overwegend katholiek bleven. Bewoners van die plaatsen trokken via kerkepaden naar de kerk in Huissen. Ondanks dat Huissen overwegend katholiek was, krijgt een protestantse bovenlaag het uiteindelijk wel voor het zeggen in de enclave.

In 1656 besloot men de tol te verplaatsen naar Emmerik. Dat bleek een klap voor de economie van Huissen, de gronden waren sinds een grote dijkdoorbraak in de 13e eeuw een onvruchtbare zandvlakte geworden, mede door de kleine ijstijd (die zorgde voor lage kersenoogsten) was de stad niet kapitaalkrachtig genoeg voor het onderhoud van de stadsmuren. In die tijd was er in Huissen grote armoede als gevolg van o.a. inkwartieringen van Staatse troepen en mislukte oogsten, met name van kersen. In een poging het tij te keren kwam vanaf 1660 in Huissen de tabaksteelt op, waardoor de sinds de middeleeuwen gebruikelijke kersenteelt werd verdrongen. Tabaksteelt werd de belangrijkste inkomstenbron, maar deze was schamel en de armoede bleef.

In het begin van de achttiende eeuw was de burcht bouwvallig geworden. Dit leidde in 1722 tot de verkoop en de sloop van de burcht. Er werd besloten de stenen van de burcht te gebruiken voor renovatie van de stadsmuren. In 1736 overleed burgemeester Theodor Backer. Met zijn overlijden eindigde de aanwezigheid van katholieke burgemeesters in Huissen. In 1769 werd Huissen getroffen door een dijkdoorbraak van 160 meter. Daardoor liep de hele Betuwe tot aan Culemborg onder. De dijkdoorbraak leidde tot veel schade. Na een aanbesteding werd een nieuwe, kortere en betere dijk aangelegd. Restanten van deze dijkdoorbraak en de strijd tegen het water zijn in Huissen nog steeds goed zichtbaar. Kolken als de Grote Bloem en de Vlote Bloem, zijn aan beide van de dijk nog steeds aanwezig en zijn typerend voor het landschap.

Franse Tijd