thumb|De Karl in augustus 1913 De Laatste reis van de Karluk, vlaggeschip van de Canadese Arctische Expeditie van 1913-1914, resulteerde in het verlies van het schip in de Noordelijke IJszee en de dood van bijna de helft van de bemanning van 25 personen. In augustus 1913 kwam de Karluk vast te zitten in het ijs ten noorden van Alaska. Na lange tijd westwaarts gedreven te zijn, zonk het schip in januari 1914. In de volgende maanden trachtten de bemanning en wetenschappelijke staf te overleven, eerst op het ijs en later op Wrangel. De overlevenden werden gered in september 1914. thumb|upright=1.5|De wetenschappelijke staf, met Stefansson en Bartlett. Malloch, Beuchat, McKinlay, Mamen, Mackay and Murray bleven op de Karluk; de anderen vormden de zuidelijke groep. Canadese Arctische Expeditie Achtergrond thumb|upright|Vilhjalmur Stefansson, leider van de Canadian Arctic Expedition De expeditie was een idee van Vilhjalmur Stefansson, een in de Verenigde Staten wonende Canadese antropoloog met IJslandse voorouders. Tussen 1906 en 1912 had hij zijn tijd voornamelijk besteed aan het bestuderen van de Inuit in het arctisch gebied van Canada. Zijn veldwerk resulteerde in informatie over de Copper Inuit, of "blonde Eskimo's". Daarvan keerde hij terug met plannen voor een volgende expeditie waarvoor hij steun kreeg van Amerikaanse sponsors. Hij wilde daarbij ook geografisch onderzoek doen in de Beaufortzee, toen nog een witte vlek op de wereldkaart. Voor dat deel van de expeditie benaderde hij de Canadese overheid voor financiële steun.

Omdat Canada daar belang bij had in verband met territoriale aanspraken, boden ze zelfs aan om de financiële verantwoordelijkheid voor de hele expeditie op zich te nemen. Geraadpleegd 1 april 2020 De Amerikaanse sponsors kwamen overeen zich terug te trekken, onder voorwaarde dat ze hun rechten terugkregen als Stefansson niet voor juni 1913 zou zijn vertrokken. Dit bekortte de voorbereidingstijd, hoewel Stefansson in zijn verslag van 1921 aangaf dat volgens hem met alle eventualiteiten was rekening gehouden. blz. 27; Geraadpleegd 1 april 2020

Doelen en strategie De betrokkenheid van de Canadese overheid betekende een verschuiving van het belangrijkste doel, van etnisch en wetenschappelijk onderzoek naar geografisch onderzoek. Terwijl een noordelijke groep nieuw land zou zoeken, zou een zuidelijke groep vooral vanaf het vasteland werken en onder leiding van zoöloog Rudolph Anderson antropologische studies doen op de eilanden voor de Noord-Canadese kust. blz. 4–6; Geraadpleegd 1 april 2020 Ook zouden ze flora en fauna onderzoeken en vaarverbindingen zoeken voor handelsroutes.

Het schip van de noordelijke groep, de Karluk, zou noordwaarts varen tot het nieuw land zou vinden of op het ijs zou stuiten. Nieuw land zou onderzocht worden of anders zou langs het ijs naar het oosten worden gevaren en geprobeerd worden te overwinteren op Banks Island of Prins Patrickeiland. Zou men door het ijs ingesloten raken, dan zou deze groep de arctische zeestromen onderzoeken.

Organisatie en bemensing thumb|upright|left|Kapitein Robert Bartlett, circa 35 jaar oud Stefansson's plan was om eerst naar het oude walvisstation op Herscheleiland in de Beaufortzee te gaan en daar te besluiten over de samenstelling van de twee groepen, en het materiaal en de voorraden te verdelen. Haast om de deadline te halen leidde tot zorgen onder de expeditieleden over een adequate voorziening van kleding en voorraden. Stefansson, die in de voorafgaande weken voor vertrek vaak afwezig was en weinig van zijn plannen deelde, veegde deze zorgen van tafel als ongerechtvaardigd. Ook was er onenigheid over de bevelstructuur, de Canadian Geological Survey die vier wetenschappers had geleverd, wilde dat dezen aan hen rapporteerden in plaats van aan Stefansson. Rudolph Anderson die de zuidelijke groep ging leiden, dreigde zich terug te trekken omdat Stefansson de publicaterechten van alle expeditiejournaals wilde hebben.Henighan, blz. 60–61

Onder de wetenschappers waren er slechts twee met poolervaring: expeditiedokter Alistair Mackay en oceanograaf James Murray waren met Sir Ernest Shackleton op de Zuidpool geweest (Nimrod-expeditie 1907–1909).

Kapitein Bartlett had onvoldoende tijd om een bemanning te selecteren; deze werd snel samengesteld uit de Esquimalt Royal Navy Dockyard in Esquimalt (Victoria) op Vancouver Island. Bartlett zag zich genoodzaakt om nog voor vertrek de 1e officier weg te sturen, hij verving hem door de 22-jarige Alexander "Sandy" Anderson.

Schepen Het schip Karluk was een 29 jaar oude vissersboot, aangepast voor de walvisvangst. De boeg en zijkanten waren daarbij versterkt met ijzerhout. Ondanks 18 walvisvaarten met 6 overwinteringen, was ze niet gebouwd om aanhoudende ijsdruk te weerstaan, en had onvoldoende motorvermogen om een weg door ijs te forceren. Het schip voldeed niet aan de verwachtingen van Bartlett en andere ervaren bemanningsleden. Toen hij begin juni bij het schip aankwam, liet hij aanvullende reparaties uitvoeren. Ook had Stefansson de kleine motorschoener Alaska gekocht, als bevoorradingsschip voor de zuidelijke groep. Later kocht hij een tweede schoener, de Mary Sachs, omdat de ruimen van de Alaska te klein bleken. In de drukte rond het vertrek werd niet gepoogd om de mannen en materialen goed over de schepen te verdelen. Twee antropologen die tot de zuidelijke groep hoorden, werden op de Karluk ingedeeld, terwijl hun spullen aan boord van de Alaska lagen. Ook de apparatuur van magnetisch waarnemer McKinlay, die op de Karluk meevoer, lag in de Alaska. Stefansson stelde dat alles herverdeeld zou worden op Herscheleiland.

Naar Herscheleiland thumb|upright=1.2|Tien mannen achter stellages met hondensleden. De meesten zijn Inuit, een blanke is gekleed als geestelijke. De sleden worden in orde gemaakt voor de expeditie, Nome, 1913 thumb|upright=1.2|Karluk's wetenschappelijke staf doen dieptemetingen, augustus 1913 De Karluk verliet Esquimalt op 17 juni 1913 en voegde zich op 8 juli in Nome bij de twee andere schepen. Terwijl de schepen werden geladen, vroegen enkele deelnemers om een gesprek met de leider, met name omdat de plannen voor de noordelijke groep niet duidelijk waren. Het gesprek verliep onbevredigend, Stefansson wilde geen verdere uitleg geven. Toch verliet niemand de expeditie.

In Port Clarence werden 28 honden aan boord genomen, op 27 juli voer men verder naar het noorden. Op 31 juli berekten ze Point Hope, waar twee Inuitjagers, "Jerry" en "Jimmy", aan boord kwamen. In de buurt gekomen van het permanente pakijs, werden ze enkele dagen in hun voortgang gehinderd tot ze open water bij Cape Smythe bereikten. Stefansson was inmiddels over het ijs naar Point Barrow gegaan en kwam op 6 augustus terug bij Cape Smythe samen met Jack Hadley, een pelsjager die naar het oosten moest. Hadley kende Stefansson al jaren en werd ingeschreven als timmerman.Bartlett blz. 20Stefansson, blz. 36

Bij Cape Smythe kwamen nog twee Inuitjagers aan boord, Keraluk en Kataktovik, ook de vrouw van Keraluk en zijn twee jonge dochters Helen en Mugpi. De volgende dagen voer de Karluk door stroken open water naar het noorden. De enige wetenschappelijke taak die hier werd gedaan, was het dreggen door Murray, waarmee hij veel levensvormen bovenhaalde, en de dieptemetingen.McKinlay, blz. 27 Op 13 augustus berekende Bartlett hun positie op 235 mijl ten oosten van Point Barrow, met nog eenzelfde afstand te gaan tot Herscheleiland.Bartlett, blz. 26 Dit was het meest oostelijke punt dat werd bereikt, hier raakten ze vast in het ijs en begonnen langzaam mee te drijven naar het westen. Kort erna deelde Stefansson aan Bartlett mee dat de Karluk in het ijs moest overwinteren.

In het pakijs

Naar het westen thumb|300px|left|Stefansson (voorgrond) met zijn groep bij vertrek van de Karluk, 20 september 1913 Op 19 september kondigde Stefansson aan dat hij in verband met de voedselsituatie met de twee jagers "Jimmy" en "Jerry", met secretaris Burt McConnell, fotograaf George Wilkins en antropoloog Diamond Jenness op jacht zou gaan. Ze zouden in het gebied van de Colvillerivier (Alaska) op kariboe en ander wild gaan jagen. Stefansson verwachtte tien dagen weg te blijven; Bartlett kreeg de instructie dat als het schip van zijn plaats zou drijven, hij een groep naar de kust moest sturen, en met bakens de positie van het schip aanduiden.Bartlett, blz. 37 Stefansson vertrok met zijn groep op 20 september. Na een sneeuwstorm op 23 september kwam er beweging in het zee-ijs en begon de Karluk met 30 tot 60 mijl per dag naar het westen te drijven, van Herscheleiland en de groep Stefansson vandaan. Het werd duidelijk dat zij het schip niet meer zouden kunnen terugvinden.

thumb|350px|(a) langs de kust van Noord-Alaska; (b) in ijs naar het westen drijvend (c) tochten te voet/slee naar Wrangel en Heraldeiland; (d) Bartlett's reis naar Alaska om hulp te halen. Sneeuwval en dichte mist maakten het voor Bartlett vaak moeilijk om de positie van het schip te bepalen, hoewel tijdens korte opklaringen ze op 30 september land konden zien, ze dachten dat het Cooper Island was, in de buurt van Point Barrow waar ze begin augustus waren vertrokken.Bartlett, p. 48 Op 3 oktober, met de kust op 5 mijl afstand, bracht de stroming hen naar het noorden.Bartlett, blz. 49 Gevreesd werd dat de Karluk het lot van de Jeannette zou delen. Dat schip had 30 jaar terug maanden in het ijs gedreven voordat het zonk, waarbij het grootste deel van de bemanning omkwam. Bartlett merkte dat Murray en McKay, de twee veteranen van Shackleton's Nimrod expeditie, openlijk minachting hadden voor zijn leiderschap. Ze maakten plannen om het schip op een geschikt moment te verlaten, en zelf op pad te gaan naar de kust.

Toen het weer verslechterde liet Bartlett materiaal en voorraden op het ijs zetten, om het schip lichter te maken en ook als voorzorg, mochten ze het schip snel moeten verlaten. Het voedsel werd aangevuld door op zeehonden te jagen, en op een ijsbeer die half november bij het schip was beland. Op 15 november bereikte deKarluk op 73° noorderbreedte zijn meest noordelijke positie, en begon daarna naar het zuidwesten te drijven, richting de Siberische kust.Bartlett, p. 69 Half december waren ze ongeveer 140 mijl van het eiland Wrangel. Geprobeerd werd in die omstandigheden kerst te vieren.Bartlett, blz. 74–78 Ze waren toen 50 mijl ten noorden van Heraldeiland, een rotseiland circa 70 km ten oosten van Wrangel. Op 29 december konden ze land zien, niet duidelijk is of het ging om Wrangel of om Heraldeiland. In het nieuwe jaar begon het ijs te werken en vormde opeenhopingen. McKinlay schreef dat de geluiden ervan steeds luider werden en dichterbij kwamen.

Karluk gezonken Op 10 januari 1914 gaf Bartlett opdracht het schip lichter te maken door alle sneeuw van dek te verwijderen; de bemanning moest warme kleding gereed hebben. Om 18.45 werd de romp doorboord door ijs en stroomde water binnen. Omdat pompen zinloos was, werd bevel gegeven het schip te verlaten. In het donker, en slecht weer, werd de hele nacht doorgewerkt om zoveel mogelijk voorraden en materiaal uit het schip te halen. Bartlett bleef zo lang mogelijk aan boord en speelde luid muziek af op de Victrola. Op 11 januari om 15.15 uur zette hij als laatste saluut aan het schip de pianosonate nr. 2 (Begrafenismars) van Frédéric Chopin op en verliet het schip. De Karluk zonk in enkele minuten. McKinlay noteerde dat 22 mannen, een vrouw, twee kinderen, 16 honden en de kat zich op het ijs bevonden.De kat was in Esquimault aan boord gekomen, en werd geadopteerd door stoker Fred Maurer. Het dier werd in september 1914 met de bemanning gered.

Kampement op zee-ijs