Na drie en een half jaar bezetting in Griekenland, dwong de snelle opmars van het Rode Leger de Duitsers om een terugtocht uit Griekenland in gang te zetten in augustus 1944, om te voorkomen dat de terugweg naar Duitsland geblokkeerd zou worden. De terugtocht verliep relatief soepel. Wel werden meer dan 30.000 soldaten achtergelaten op Griekse eilanden zoals Kreta, Rodos en een aantal kleinere. Deze eilanden bleven tot de algehele Duitse capitulatie van mei 1945 Duits bezet gebied.

miniatuur|Generaloberst Alexander Löhr, hier in 1939 De stabiele situatie voor Heeresgruppe E in Griekenland eindigde definitief op 20 augustus 1944, met de start van de Sovjetoperatie Iași-Chișinău. Binnen enkele dagen werd in Moldavië het front volledig opengescheurd en werd het Duitse 6e Leger compleet vernietigd. De Sovjets rukten nu snel op, over de Balkan door Roemenië en Bulgarije. Er bestond een reëel gevaar dat de Sovjets door zouden stoten richting de Dalmatische kust en zo alle Duitse troepen in Griekenland zouden afsnijden. Eind augustus bleek het dus nodig om troepen naar Joegoslavië te verplaatsen en ook om een terugtocht uit Griekenland voor te bereiden. Dit laatste nog zonder Hitlers toestemming.

De situatie op 25 augustus 1944 miniatuur| De situatie op 23 augustus 1944 Op 25 augustus was er nog steeds een behoorlijke Duitse aanwezigheid in Griekenland. Onder leiding van drie Korps-hoofdkwartieren, waren er acht divisies en vijf Festungsbrigades, met de sterkste eenheden op Kreta (34.000 man) en op de Egeïsche Eilanden en de Dodekanesos (23.000 man). Daarnaast bevonden zich Bulgaarse troepen in Oost-Macedonië en Thracië. Verder bevonden er nog grote aantallen Italiaanse paramilitairen verdeeld over het land, inclusief de eilanden.De Duitse slagorde in Griekenland was als volgt: Heeresgruppe E (Generaloberst Alexander Löhr) 22e Bergkorps (General der Gebirgstruppe Hubert Lanz) 104e Jägerdivisie (General der Infanterie Hartwig von Ludwiger) de 4e SS-Polizei Pantsergrenadierdivisie (Brigadeführer Fritz Schmedes) Festungsbrigade 966 (Major Friedrich Spitäller) Festungsbrigade 1017 (Oberst Emil Jäger) 68e Legerkorps (General der Flieger Hellmuth Felmy) 117e Jägerdivisie (Generalleutnant August Wittmann) 41e Festungsdivisie (Generalleutnant Wolfgang Hauser) 11e Luftwaffen-Felddivisie (Generalleutnant Wilhelm Köhler) 91e Legerkorps z.b.V. (Generalleutnant Werner von Erdmannsdorff) Festungsbrigade 963 (Oberst Dr. Ernst Clotz) Kommandant Festung "Kreta" (General der Infanterie Friedrich-Wilhelm Müller) 22e Infanteriedivisie (Generalleutnant Helmut Friebe) 133e Festungsdivisie (Generalleutnant Dr. Ernst Klepp) Kommandant "Ost-Ägäis" (Generalleutnant Ulrich Kleemann) Sturm-Divisie "Rhodos" (Generalleutnant Ulrich Kleemann) Festungsbrigade 967 (Oberstleutnant Ruf) Festungsbrigade 968 (Oberst Roland Koschella) Kommandierender Admiral Ägäis (Vizeadmiral Werner Lange) Twee onderzeeboten (U-565 en U-596), drie torpedoboten, twee mijnenleggers, tien mijnenvegers en een groot aantal kleinere schepen Kommandierender General der Luftwaffe in Griechenland (General der Flieger Johannes Fink) 5./JG51, Fernaufklärungsgruppe 4, Seeaufklärungsgruppe 126 en kleinere eenheden 19e Flak-Divisie (Generalmajor Paul Pavel) Het begin van de terugtrekking Op 26 augustus gaf de Oberbefehlshaber Südost bevel om de 4. SS-Polizei-Panzergrenadier-Division op transport te zetten vanuit de omgeving van Larisa naar het gebied rond Skopje. De eerste delen van de 22e Infanteriedivisie werden al op 28 augustus naar vanuit Kreta naar Athene gebracht. Op 1 september kreeg Generaloberst Löhr officieel het bevel om Griekenland voor te bereiden op een terugtocht, daartoe troepenbewegingen in te luiden en voorraden langs de terugtrekkingsroutes te plaatsen. Twee dagen later werd de 11e Luftwaffen-Felddivisie in beweging gezet vanuit Athene en ging richting de oostelijke grens van Macedonië. Ondanks de penibele situatie aan de zuidelijke sector van het Oostfront, gaf Hitler pas op 6 september toestemming zoveel mogelijk eenheden van de Griekse eilanden naar het vasteland te verplaatsen, en pas medio september gaf hij toestemming voor een volledige evacuatie. De problemen met het uitvoeren van de terugtocht bewegingen waren onder andere: De onbeweeglijkheid van vele eenheden. De Sturm-Divisie “Rhodos” en de 22e Infanteriedivisie waren de enige mobiele eenheden, maar alle motorvoertuigen (en ook de tanks) stonden op de eilanden Kreta en Rodos. Gebrek aan scheepsruimte en beheersing van de zee door de Royal Navy Onvoldoende capaciteit van de spoorlijnen in Griekenland Onvoldoende gevechtservaring, organisatie en training van de troepeneenheden

Evacuatie van de Griekse eilanden Evacuatie van de Egeïsche eilanden, Kreta en de Dodekanesos miniatuur| Het werkpaard van de Duitse transportvloot, de Junkers Ju 52, hier op Kreta in 1943 Op 30 augustus startten de luchttransporten met initieel 106 Ju 52’s beschikbaar en ook over zee werd geëvacueerd. De evacuatieplannen werden beheerst door de Britse overmacht in de lucht en op zee. In de Noord-Egeïsche Zee waren zeetransporten goed mogelijk (Lesbos werd al op 10 september ontruimd en Limnos op 16 oktober) en ook over korte afstanden tussen de eilanden. Maar de grote evacuatiestromen van Kreta en Rodos zouden ’s nachts per vliegtuig uitgevoerd moeten worden. Dit liep goed na een aarzelend begin. Tot 6 september lag de dagelijkse capaciteit op gemiddeld 44 machines, van 7 tot 12 september 82 machines, op 13 en 14 september zelfs de top van 101 machines, daarna was de gemiddelde inzet 38 machines. Dit had deels te maken met de toenemende inzet van Britse nachtjagers, maar meer ook omdat de transporten uitgebreid werden met het traject Athene – Thessaloniki en later zelfs helemaal naar Belgrado. De luchttransporten naar Athene liepen tot 4 oktober, en naar Larisa een week langer, daarna tot eind oktober direct naar Thessaloniki. Van 30 augustus tot eind oktober 1944 werden vanuit Kreta, de Egeïsche eilanden en de Dodekanesos geëvacueerd: Door de Kriegsmarine: 37.138 soldaten (met verlies van 380 man), waarbij 29 van de 52 boten verloren gingen Door de Luftwaffe: 30.740 soldaten (en 1000 ton materieel) in 2050 vluchten

Evacuatie van de Ionische Eilanden De eilanden in de Ionische zee werden door de Duitse eenheden ontruimd, gelijke tred houdend met de terugtrekking op het vasteland. Als eerste grote eiland werd op 12 september Zakynthos per schip richting Patras ontruimd (VII. Festungs-Infanteriebataljon 999), de volgende dag al gevolgd door de Festungsbrigade 966 vanaf Kefalonia, richting Preveza. Het laatste grote eiland, Korfoe, werd pas op 1 oktober ontruimd, en de Festungsbrigade 1017 werd daar overgebracht naar Sarandë (Albanië). Al deze ontruimingen liepen eigenlijk gemakkelijk en zonder noemenswaardige Duitse verliezen. Bij de ontruiming van Korfoe werden de laatste schepen door Britse lichte marineschepen aangevallen. Oberst Jäger was bij de vermisten.

Terugtrekking van het vasteland Peloponnesos Begin september startte ook de evacuatie van het Griekse vasteland met de ontruiming van Kalamáta (5 september). De 41e Festungsdivisie op de Peloponnesos trok noordwaarts terug in vier etappes. Medio september werd een sterk bruggenhoofd gevormd rondom Korinthe en op 21 september was dit deel van de terugtrekking afgesloten, zonder enige moeilijkheden. Om te voorkomen dat de terugtrekking uit het Athene-gebied naar het noorden gehinderd zou worden, werd er ten zuiden van Antirrio, in het gebied rond Patras een bruggenhoofd aangehouden. Dit werd verdedigd door 1 compagnie van VII. Festungs-Infanteriebataljon 999.

Bulgarije wisselt van zijde miniatuur| Artilleriepositie van het Bulgaarse leger bij Strumica in oktober 1944 Op 26 augustus 1944 kondigde de Bulgaarse regering aan dat het vanaf dat moment neutraal was in het conflict tussen Duitsland en de Sovjet-Unie en beval de Duitse troepen het land te verlaten. Op 5 september verklaarde de Sovjet-Unie de oorlog aan Bulgarije en drie dagen later trokken de eerste Sovjet troepen het land binnen. Een communistische coup werd uitgevoerd en op 9 september werd Duitsland de oorlog verklaard. Dit maakte het noodzakelijk dat de open flank in Macedonië beschermd moest worden. Versneld werd het spoortransport van de 11e Luftwaffen-Felddivisie vanuit het Athene-gebied en luchttransport van één regiment van de 22e Infanteriedivisie naar Macedonië (de andere twee gingen ook per spoor). Maar het “nieuwe” Bulgaarse leger kon niet meteen in actie komen, onder andere door een zuivering onder officieren. Het 3e Oekraïense Front front onder maarschalk Fjodor Tolboechin nam het operationele bevel over het Bulgaarse leger op zich. Pas op 21 september kon het offensief aan de Bulgaarse westgrens starten. Dit offensief richtte zich op het doorbreken van het voor de Duitse terugtrekking levensbelangrijke verbinding Thessaloniki – Skopje – Niš. Ondanks hun numerieke overmacht, slaagden de Bulgaren niet in hun doel, deels door de zuivering, deels omdat de twee Duitse divisies zich intussen ter verdediging hadden kunnen inrichten. De Bulgaren boekten nauwelijks terreinwinst. Intussen maakte het 3e Oekraïense Front zich op voor de aanval op Belgrado, waardoor opnieuw de terugtrekroutes van Heeresgruppe E in gevaar zou komen. Veldmaarschalk Maximilian von Weichs vroeg opnieuw het OKW om instructies. Deze volgden op 3 oktober, met de beslissing Griekenland, Zuid-Albanië en Zuid-Macedonië te evacueren. Heeresgruppe E kreeg de opdracht om de eenheden onder zijn commando zo snel mogelijk ten noorden van de lijn Skoetari – Skopje – Klisura te krijgen. De evacuatie zou op 10 oktober starten en zou niet de volledige terugtrekking van de eenheden op de eilanden behelzen.

De voortzetting van de terugtocht De terugtrekking startte al in de eerste week van oktober. Het 68e Legerkorps evacueerde het Korinthe bruggenhoofd. Korinthe zelf werd ontruimd op 7 oktober en bij de verdere terugtocht bliezen de Duitsers de bruggen over het Kanaal van Korinthe op en lieten een duplex brug, 6 locomotieven en 130 wagons en enorme hoeveelheden aarde/rotsen in het kanaal storten en zonken daarnaast een schip af om de doorgang door het kanaal te verhinderen. Vervolgens werd het gebied Athene – Piraeus voorbereid ter ontruiming. Kaap Soenion werd op 1 oktober ontruimd. Op 12 oktober streken de laatste Duitse troepen de vlag in de Griekse hoofdstad en trokken naar het noorden weg. De Duitse terugtocht langs de Egeïsche kust naar het noorden verliep zonder noemenswaardige problemen. Het 4e Parabataljon van de Britse 2e Parachutebrigadegroep (geland in Athene) volgde de Duitse troepen op de voet, maar ze voorkwamen voortdurend direct gevechtscontact. De enige Britse acties die de terugtocht hinderden waren luchtaanvallen. Het 68e Legerkorps bereikte op 17 oktober al Larisa, en verliet deze stad op 25 oktober. thumb|upright|150px| Generaal Napoleon Zervas met mede-officieren De situatie aan de westkust, de Ionische kust, in het gebied van het 22e Bergkorps, was veel problematischer. Dit gebied, ten westen van het Pindosgebergte, werd beheerst door de Nationaal Republikeinse Griekse Liga (EDES) van generaal Napoleon Zervas. De terugtrekkende Duitse troepen werden stevig aangevallen. De 104e Jägerdivisie en de Festungsbrigade 966 konden toch zonder serieuze verliezen naar het noorden terugtrekken. Via Ioannina, Korçë (Albanië) en Bitola werd Veles bereikt, waar weer aansluiting werd verkregen met het 68e Legerkorps.