thumb|Ettore Roesler-Franz: Via Rua, ca. 1880. Het getto van Rome (in het Italiaans ghetto gespeld) was van 1555 tot 1870 de enige wijk van de stad Rome waar Joden mochten wonen. De wijk werd grotendeels afgebroken en gesaneerd op het einde van de 19e eeuw. Wat overbleef is nog steeds het centrale punt voor de Joden in de stad, ook al wonen de meesten nu elders.
De aanwezigheid van Joden in Rome miniatuur|Reliëf op de triomfboog van Titus: voorwerpen geroofd uit de Joodse tempel worden meegevoerd in de triomftocht. Reeds in de 2e eeuw v.C. woonden er Joden in het antieke Rome, dat daarmee de oudste Joodse gemeenschap in Europa kende. Hun aantal nam sterk toe door door de diaspora en vooral door de komst van de Joodse slaven nadat Pompeius Magnus in 63 v.C. Jeruzalem had veroverd en opnieuw nadat Vespasianus en Titus die stad hadden heroverd in 70 n.C. In de 3e of 4e eeuw n.C. telde de stad elf of misschien zelfs veertien synagogen.
Zoals vele andere inwijkelingen uit het oosten woonden de meesten Joden in de oudheid en de middeleeuwen niet aan de oostzijde (de linkeroever) van de Tiber, maar wel aan de westzijde (de rechteroever) ervan, dus trans TiberimLatijn: "aan de overzijde van de Tiber". het huidige Trastevere. Omstreeks het jaar 1200 echter gingen de meesten van hen zich vestigen op de linkeroever, voornamelijk in de omgeving van het Theater van Marcellus.M. Lucentini, o.c. p. 237 en p. 530, suggereert dat er mogelijk een verband is tussen de vestiging van de Joden in de buurt van het Theater van Marcellus en het feit dat dit theater gedurende zekere periode eigendom was van de Joodse familie Pierleoni.
Op het einde van de 15e eeuw was er in Italië een nieuwe toestroom van Joden die waren verdreven uit Spanje (1492), uit Portugal (1497) en uit de Provence (1498). Velen van hen kwamen in Rome terecht, waar ze van paus Alexander VI heel wat vrijheden toegestaan kregen, o.a. vrijheid van godsdienst en van beroepsuitoefening.
De pauselijke bul van 1555 Als reactie op de Reformatie nam de Katholieke Kerk in de eerste helft van de 16e eeuw een strenge houding aan tegenover allen die niet de zuivere katholieke leer aanhingen. In 1555 vaardigde paus Paulus IV de bul Cum nimis absurdum uit, waarmee hij de Joden in de pauselijke staat een aantal verboden en verplichtingen oplegde. Zo waren zij verplicht om te wonen in een zone die was afgescheiden van de christenen; deze zone mocht slechts één enkele ingang en één enkele uitgang hebben. Ze mochten in elke stad hoogstens één enkele synagoge hebben; de andere moesten ze afbreken. Bovendien moesten ze een gekleurd kenteken dragen: de mannen een hoed, en de vrouwen een ander kenteken op hun kledij. Aanvankelijk moest dit turkooiskleurig zijn,"Glauci coloris" in de Latijnse tekst. later werd dit vervangen door geel.
Tegelijk was het hen verboden om onroerende goederen te bezitten; christenen als dienstpersoneel te hebben; op christelijke feestdagen te werken in het openbaar, of hun personeel op die dagen te doen werken; met geld van christenen te woekeren of valse contracten met hen af te sluiten; zich met christenen te vermaken, met hen te eten of vertrouwelijk te spreken; andere handelsactiviteiten te verrichten dan het kopen en verkopen van lompen en afgedragen kledij, of om meer graan te verhandelen dan nodig was voor menselijke consumptie.
Verdere ontwikkelingen in de behandeling van de Joden in Rome miniatuur|Opschrift op de San Gregorio della Divina Pietà. miniatuur|Kapel van de Madonna del Carmelo aan de Piazza Costaguti. In 1572 voerde paus Gregorius XIII de verplichting in dat de Joden op zaterdag (de joodse sabbat) de predikingen moesten bijwonen die tot doel hadden hen tot het christendom te bekeren.Verteld wordt dat de Joden hun oren dichtstopten met was om de prediking niet te moeten horen. Er waren evenwel geen verplichte bekeringen en evenmin vervolgingen van joden die weigerden zich te bekeren.De situatie van de Joden in Rome verschilde dus van die in Spanje en Portugal. De predikingen gingen door in de nabijgelegen kerken (in het ghetto zelf waren er geen christelijke kerken), nl. in de San Gregorio della Divina Pietà, de Sant'Angelo in Pescheria, de Carmel-kapel (zie verder) en de Santa Maria del Pianto. Hieraan refereert een citaat uit de profeet IsaiasIsaias 65:2-3. De Latijnse tekst is die van de Vulgaat. in het Hebreeuws en in het Latijn dat werd aangebracht op de gevel van de San Gregorio della Divina Pietà.De Latijnse tekst luidt "Expandi manus meas tota die ad populum incredulum qui graditur in via non bona post cogitationes suas, populus qui ad iracundiam provocat me ante faciem meam semper. Congregatio Divinae Pietatis posuit".
Vertaling: "De hele dag heb ik mijn handen uitgestrekt naar het volk dat een slechte weg bewandelt naar eigen gedachte. Het volk dat steeds voor mijn aanschijn mijn toorn opwekt. De congregatie van de Divina Pietas (goddelijke liefde) heeft [dit opschrift] aangebracht." Deze verplichting bleef gelden tot in 1848.
Enkele van de verplichtingen en verboden van de bul Cum nimis absurdum, waaronder de verplichting om op de kledij een kenteken te dragen, werden reeds in 1586 opgeheven door paus Sixtus V.
In enkele korte periodes genoten de Joden veel grotere vrijheid: zo tijdens de zgn. Eerste Romeinse Republiek (1798-1799), tijdens de Franse bezetting door de troepen van Napoleon (1808-1814) en opnieuw in de vijf maanden durende periode van de Tweede Romeinse Republiek (1849). Telkens betekende het herstel van de macht van de paus als staatshoofd het einde van de kortstondige vrijheid voor de Joden.
Pas in 1870, na de inlijving van de stad Rome bij het nieuwe Koninkrijk Italië, kregen de Joden dezelfde rechten als de andere burgers, en werd de verplichting opgeheven om in het ghetto te wonen.
In de 20e eeuw zochten de pausen weer toenadering tot de Joden van Rome: achtereenvolgens hebben paus Johannes Paulus II in 1986, paus Benedictus XVI in 2010 en paus Franciscus in 2016 de Grote Synagoge (Tempio Maggiore) van Rome bezocht.
Ontstaan en ontwikkeling van het ghetto tot in de 19e eeuw miniatuur|Kaart uitgegeven door Monaldini: de wijk Sant'Angelo in 1777. Het ghetto is aangeduid in het geel. miniatuur|Ettore Roesler Franz: Piazza delle Azimelle, ca. 1880.
Overeenkomstig de pauselijke bul van 1555 moesten de Joden wonen in een zone die was afgescheiden van de christenen. Hiervoor kregen ze een deel van de rione Sant'Angelo toegewezen,Een "rione" is een wijk van Rome binnen de stadsmuren. Deze wijk is genoemd naar de kerk Sant'Angelo in Pescheria, geconstrueerd in het portaal van de Porticus van Octavia. meer bepaald het gedeelte tussen de Tiber, het Theater van Marcellus, de toenmalige Via della PescheriaVariante spelling: Via della Pescaria. Deze straat werd later verbreed en heet thans de Via del Portico d'Ottavia. en de Piazza delle Cinque Scole: daar immers woonde voorheen reeds de meerderheid van de Joden van Rome. Deze wijk kreeg spoedig de naam ghettoAanvankelijk werd deze woonzone "serraglio degli ebrei" of "claustro degli ebrei" genoemd. die was overgenomen van het ghetto van Venetië waar de Joden van die stad reeds vanaf 1516 verplicht waren te wonen.
In 1586 breidde paus Sixtus V de toegestane oppervlakte van het Romeinse ghetto uit tot drie hectare. In 1825 voegde paus Leo XII er nog het huizenblok tussen de Via di Sant'Ambrogio en de Via della Reginella aan toe.
Het ghetto was van de rest van de stad afgescheiden door een muur, en was afgesloten met poorten die enkel overdag geopend waren; 's nachts moesten de Joden in hun wijk verblijven. Aanvankelijk waren er slechts twee poorten; nadien kwamen er andere bij tot er uiteindelijk acht waren.
De uitbreidingen van het ghetto beletten niet dat de beschikbare oppervlakte veel te krap was voor het toenemende bevolkingsaantal: in 1733 telde de wijk iets meer dan 4.000 inwoners behorend tot bijna 900 families.L. Violetti, o.c. p. 15 In het begin van de 19e eeuw werd het aantal inwoners van de wijk geschat op 8.000.C. Rendina, o.c. p. 216. Om de toegestane oppervlakte maximaal te benutten was de wijk zeer dicht bebouwd langs vele nauwe steegjes, en telden de huizen vele verdiepingen. De hygiënische omstandigheden in de overbevolkte wijk waren bijzonder slecht, en bovendien leidde het feit dat de eigenaars van de huizen elders in de stad woondenHet was de Joden immers verboden om onroerende goederen te bezitten. tot gebrekkig onderhoud.
Door haar ligging in een laaggelegen zone vlak naast de TiberHet Ghetto behoort tot de laagst gelegen gedeelten van de stad: zie FUNICIELLO Renato, HEIKEN Grant, DERIA Donatella en PAROTTO Maurizio, p. 88. werd het ghetto vaak getroffen door de overstromingen van de deze rivier die tot op het einde van de 19e eeuw frequent voorkwamen.In het laatste kwart van de 19e eeuw werden de oevers van de Tiber in het centrum van Rome vijf à zes meter verhoogd, zodat overstromingen van de stad nadien nog maar zelden voorkwamen. De huizen - en dan vooral die dichtst bij de rivier - kwamen dan ook regelmatig gedeeltelijk onder water te staan en bleven ook nadien de sporen dragen van de overstromingen.
In afwijking van de beperking tot één enkele synagoge die de bul van 1555 toestond, waren er vijf binnen het Romeinse ghetto, alle gelegen in eenzelfde gebouw gelegen aan de Piazza delle Scole.Thans Piazza delle Cinque Scole genoemd. Drie synagogen volgden de sefardische ritus (nl. de Siciliaanse, de Castiliaanse en de Catalaanse synagoge) en twee de Italiaanse ritus (nl. de Nieuwe synagoge en de "Tempio").
In 1849 werd de muur rond de wijk afgebroken en werden de poorten weggenomen, maar tot 1870 bleven de Joden nog steeds verplicht om in ghetto het te wonen (zie hoger).
Afbraak en sanering van het ghetto op het einde einde 19e eeuw miniatuur|Ettore Roesler Franz: overstroming in de Via della Fiumara, ca. 1880. In 1875 besliste de jonge Italiaanse staat om de Tiber in het centrum van Rome in te dijken. Dit werd gerealiseerd in het laatste kwart van de 19e eeuw. Daarbij werd een deel van het ghetto afgebroken om plaats te bieden voor een brede laan langs de oever van de rivier: de huidige Lungotevere de'Cenci, die nagenoeg het tracé van de vroegere Via Fiumara volgt maar ook de ruimte heeft ingenomen van de huizen die aan de rivierzijde van die vroegere straat stonden.
De uitvoering van het ruimtelijk ordeningsplan van de stad Rome in 1885-1889 leidde tot grondige transformatie van het resterende gedeelte van het oude ghetto, waarvan slechts een tiende bewaard bleef. De nauwe steegjes en de oude huizen werden afgebroken en vervangen door vier grote en (voor die tijd) moderne huizenblokken te midden van brede straten: de Via del Portico d'Ottavia, de Via Catalana, de Via Elio Toaff en de Via del Tempio. Daardoor is het oorspronkelijke uitzicht van het ghetto totaal gewijzigd. De enige resterende gedeelten zijn de Piazza delle Cinque Scole en de uitbreiding van 1825 d.w.z. het huizenblok tussen de Via di Sant'Ambrogio, Via del Portico d'Ottavia en de Via della Reginella. Die laatste twee straten geven nog het beste een idee van het vroegere uitzicht. Van de Via del Portico d'Ottavia bewaart enkel de noordzijde het originele uitzicht, aangezien de woningen aan de zuidzijde ervan werden afgebroken om de vroegere Via della Pescheria te verbreden.
Doordat samen met de ommuring de exacte afbakening van de wijk is verdwenen, wordt de naam ghetto - ook door de Romeinen zelf - vaak gebruikt om het ruimere stadsdeel aan te duiden gelegen tussen de Via Arenula, Via dei Falegnami, Via de' Funari, Via della Tribuna di Campitelli, Via del Portico d'Ottavia en de Lungotevere de' Cenci.
Het ghetto en zijn bewoners in de 20e eeuw alt=|miniatuur|De Grote Synagoge van Rome