thumb|Graf van Katsu Kaishū met twee ishi-dōrō (stenen lantaarns) en daarachter twee massief stenen gorintō (pagodes) Tōrō of dōrōSoms worden tōrō en dōrō het geschreven als tourou en dourou. De uitspraak van de beginletter t of d hangt af van het voorgaande woord.(), is de vereenvoudigde vorm van letterlijk: lichttoren of lichtmand, is een traditionele Japanse lantaarn of lamp, meestal voor gebruik buitenshuis, gemaakt van steen, metaal, hout, bamboe en papier. (2010) Tourou 灯籠, Japanese Architecture and Art Net Users System (2010) Tōrō 燈籠, Japanese Garden DictionaryToro (Garden Lantern) (灯籠) Generated from the Japanese-English Bilingual Corpus of Wikipedia's Kyoto Articles Naast de tōrō, zijn er de andon, een lantaarn voor gebruik binnenshuis, en de chōchin, een opvouwbare en draagbare lantaarn.

Een lantaarn voor buitengebruik bestaat uit een lichtbron in een armatuur: van onder naar boven uit een sokkel of basaal platform (dai of kiso), een schacht of zuil (sao), een centraal platform (chūdai of nakadai),Soms wordt Chūdai geschreven als Chuudai. met daarop een lamphuis of vuurkamer (hibukuro), een dakje of 'paraplu' (kasa), en een ornament: een samengestelde (sōrin) met een eindknop, het 'juweel' (hōju),Soms worden Hōju en Hōshu geschreven als Houju, resp. Houshu. Ook komt Hoh ju voor. maar bij veel typen lantaarns zijn niet alle onderdelen aanwezig. In Japan zijn verschillende typen lantaarns van diverse materialen gangbaar, zoals hangende metalen lantaarns, staande stenen lantaarns, olielantaarns met ijzeren of houten frames, draagbare lantaarns, en papieren lantaarns en lampions.

De vroegste lantaarns werden in de 6e eeuw met het boeddhisme vanuit China, via Korea, in Japan geïntroduceerd, waar Koreaanse ambachtslieden begonnen met het maken van lantaarns. Deze lantaarns werden, net als vele andere elementen van de Japanse traditionele architectuur, in de 6e eeuw tijdens de Asukaperiode in Japan via Korea geïntroduceerd vanuit China, waar ze nog steeds te vinden zijn in boeddhistische tempels en in Chinese tuinen. In Korea zijn lantaarns niet zo gebruikelijk als in China of Japan.

De meest voorkomende hoofdtypen tōrō die kunnen worden onderscheiden zijn: de metalen hangende tsuri-dōrō, letterlijk: visserslantaarn, hanglantaarn), meestal aan de rand van een daken; de staande sokkel- of platformlantaarns dai-dōrō, veelal gebruikt in parken en tuinen langs het pad (sandō) naar een shinto-heiligdom of boeddhistische tempel; verder de met hun schacht direct 'ingegraven' lantaarns zonder platform: ikekomigata tōrō; de yukimigata tōrō zonder schacht maar 1-6 poten of voeten; en de zonder poten en zonder schacht direct op de grond geplaatste stenen lantaarns okigata tōrō.

De vorm van de stenen lantaarn (ishidōrō) is zeer divers. Stenen lantaarns worden in Japan beschouwd als een kunstvorm. Er is een grote variatie aan stijlen en ontwerpen, met weinig overeenkomsten tussen de uitersten, maar er is ten minste een vuur- of lichtkamer (hibukuro).

Geschiedenis De oudste nog bestaande bronzen en stenen lantaarns zijn te vinden in Nara. Taima-dera, een boeddhistische tempel in Katsuragi in prefectuur Nara, heeft een in de Naraperiode (710 - 794) gebouwde stenen lantaarn. Kasuga-taisha, een jinja eveneens is Nara, heeft een stenen lantaarn uit de hieropvolgende Heianperiode heeft. Tijdens de Azuchi-Momoyamaperiode (1568-1600) werden stenen lantaarns populair gemaakt door theemeesters, die ze als tuinornamenten gebruikten om een gewenste sfeer te creëren. Al snel begonnen men naar behoefte nieuwe typen te ontwikkelen. In moderne tuinen hebben lantaarns een puur decoratieve functie en staan ze langs paden, in de buurt van water of bij monumenten en andere bouwwerken.

Oorspronkelijk werden lantaarns veelal gebruikt als votieflicht bij boeddhistische tempels en shinto-heiligdommen. Volgens de traditie werden lantaarns tijdens de Momoyamaperiode (1568 – 1603) geïntroduceerd in de Japanse theetuinen door de eerste grote theemeesters. In latere particuliere tuinen werden lantaarns puur als decoratie gebruikt. Lantaarns worden daarnaast gebruikt in tuinen, als bedrijfsdecoraties en dergelijke.

Boeddhistische tempels In Japan werden tōrō oorspronkelijk alleen bij boeddhistische tempels gebruikt om paden en boeddhabeelden te verlichten. Lantaarns werden vervolgens beschouwd als een offer aan Boeddha. In het boeddhisme kent men vijf kosmologische elementen (godai, , of godaigenso, ), waaruit alles is opgebouwd. In een tōrō in zijn volledige, oorspronkelijke vorm zijn de vijf elementen van de boeddhistische kosmologie vertegenwoordigd, zoals die duidelijk herkenbaar zijn in de gorintō (een type van Japanse pagode).

Het onderste stuk van de lantaarn, dat op de grond staat, vertegenwoordigt chi of ; de volgende sectie staat voor sui of ; ka of , wordt voorgesteld door het gedeelte dat het licht of de vlam van de lantaarn omhult, terwijl fū ( of ) en kū ( of ) worden voorgesteld door de laatste twee secties, het meest bovenaan en naar de hemel wijzend. De segmenten drukken het idee uit, dat na onze dood onze fysieke lichamen zullen terugkeren naar hun oorspronkelijke, elementaire vorm. Japanese Buddhist Statuary. Five-tier Pagoda, five-element Stupa, five-wheeled Reliquary, five-layered stele, Gorintō - Gorinto - Gorintou / 五輪等

Japanse stenen lantaarns dateren uit de Naraperiode (710 – 794 n.C.) en de Heianperiode (794 – 1185 n.Chr.). Oorspronkelijk bevonden ze zich alleen bij boeddhistische tempels en andere plaatsen om Boeddhabeelden, paden en toegangen van de tempel te verlichten.

In oude tempels was het gebruikelijk om een lantaarn op de centrale as van het tempelcomplex (garan) te plaatsen. Als gevolg hiervan worden de overblijfselen van de lantaarns daarbuiten niet gezien, maar kunnen alleen vanaf de centrale as worden gezien.

Shintoheiligdommen Bij heiligdommen of shinto-schrijnen worden lantaarns gebruikt voor de "Mikashi" van het heiligdom, en als offergaven. De soorten lantaarns bij heiligdommen worden onderverdeeld in houten lantaarns, gouden lantaarns, stenen lantaarns, oeverlantaarns, hangende lantaarns en overige. Bij rituelen en nachtrituelen wordt het licht gedimd. De rechthoekig doosvormige schaduwlantaarns verbergen het licht door slechts één opening te verlichten, zoals ter gelegenheid van de god van de dood, de ceremonie van de overtreding.

Japanse tuinen In de Japanse tuincultuur begon de toepassing en verdere ontwikkeling van stenen lantaarns en de waardering voor toepassing in parken en bij theeceremonies. De tuinlantaarns (niwa dōrō, ) zijn gewoonlijk stenen lantaarns en het gebruik ervan begon in de Azuchi-Momoyama-periode. Bij de stenen lantaarns komen vooral de granieten voor. Er is dan meestal hoogstens één lantaarn aanwezig in een tuin.

Opbouw van lantaarns Een lantaarn heeft ten minste een vuurplaats of lampenkamer (hibukuro), zodat de eenvoudigste lantaarns alleen bestaan uit de vuurkamer met een dak. Deze vuurkamer is het onderscheidende element met Japanse pagodes.

De meer ingewikkelde lantaarns hebben vijf of meer op elkaar gestapelde elementen. Deze elementen of etages worden vaak etages, lagen of 'ringen' genoemd, en komen ten dele overeen met die, die bij Japanse pagodes worden onderscheiden.

+De vijf Boeddhistische kosmologische elementen

V. , Sora Sōrin(), Kūrin(), Hōrin() IV. , Fū, Kaze Kasa() III. , Ka, Hi Hibukuro()

II. , Sui, Mizu Chūdai, Nakadai(), Ukehachi() I. , Chi Sao(), Hashira(), Chirin()

Kiso(), Dai() Kidan()

De traditionele verlichtingsapparatuur van Japan omvat de andon (voor gebruik binnenshuis), de bonbori (een kleine andon), de chōchin (opvouwbare en draagbare lantaarn) en de tōrō (voor het gebruik buitenshuis).

De eenvoudigste tōrō bestaan alleen uit de vuurkamer met een dak; de meer ingewikkelde lantaarns (zoals de tachigata tōrō) hebben vijf of meer op elkaar gestapelde 'ringen' (elementen), die daarmee verwijzen naar de samenstelling van Japanse pagoden.

De belangrijkste onderdelen zijn van boven naar beneden: sōrin (vaak vereenvoudigd tot alleen een hōju, 'heilig juweel' met een ukebana, lotusbloem), kasa (dak), hibukuro (vuurkamer is per definitie aanwezig), chūdai (middenplatform), sao (zuil) en kiso (sokkel). De meeste onderdelen kunnen gestileerd of juist weer versierd zijn, vooral bij de gegoten metalen lantaarns. Bepaalde typen lantaarns worden juist onderscheiden op grond van het ontbreken van bepaalde onderdelen.

+ Onderdelen van staande Japanse stenen lantaarns

Sōrin(), Kūrin(), Kōrin() 1, A. Hōju(宝珠)'heilig juweel', Tama (, bol) (Kaen(火焔), vlammen-decoratie) Kakikubi() (nek) B Ukebana()('ontvangende bloem') Fukubachi() Fusebachi, Fukuhatsu() 2, C. Kasa()(dakje, paraplu) Roban (), shōroban(), masugata() Kudarimune()(nok, dakrib) Warabite()(uitstekende hoek) 3, D. Hibukuro()(lampenkamer) Kamiku()(bovenndeel) Nakaku()(middendeel) Ensō()(venster) Higuchi() Shimoku()(onderste deel) 4, E. Chūdai, Nakadai()(middenplatform),  Ukehachi(受鉢) Renben()(lotusbloem) 5, F Sao(), Hashira() (schacht, zuil, kolom of paal) Fushi()(een band van decoraties) Ukeza()(inkeping, scheiding met Kiso) 6 Kiso(), Dai(だい), Chirin(, platform) Kaeribana()(omgekeerde lotusbloem) Kidan()(ondergrond, podium)Kasuga-dōrō(stenen platformlantaarn) 270px|centerYukimigata tōrō 200px|center

Sōrin Sōrin(), kūrin()of hōrin() komt overeen met het vijfde en hoogste Boeddhistische kosmologische element: of . Het belangrijkste en soms het enige onderdeel is hōju, hōshu() (2010) Houju 宝珠, Japanese Architecture and Art Net Users System, waarnaar het geheel vaak genoemd wordt. Een sōrin vertegenwoordigt een volledige pagode (met de fukubachi in de vorm van een omgekeerde kom als representatie van een stoepa).

Onderdelen van de sōrin zijn, naast de altijd aanwezige hōju, vaak nog de daaronder liggende delen, zoals ukebana, kakikubi en fukubachi. De sōrin is zeer gevarieerd van opbouw. Bij stenen lantaarns is de sōrin meestal vereenvoudigd tot een bolvormige of druppelvormige hōju, staande in een ukebana (de 'ontvangende lotusbloem'), maar bij metalen lantaarns kan de sōrin bestaan uit meerdere onderdelen.

Een sōrin kan ook als zelfstandig bouwwerk als een pagode van het type sōrintō, die in allerlei varianten kan voorkomen en een hoogte tot enkele meters kan hebben.

Bij houten pagodes is gewoonlijk midden op het dak een gedetailleerd uitgevoerde sōrin te vinden, met soms nog vier extra sōrins op de hoeken van het dak.

Hōju De hōju is een met een piron vergelijkbaar top-ornament, het 'juweel' of 'schat', in de vorm van een bol, een ui of een druppel.

Bij stenen lantaarns is soms alleen het bol- of uivormige deel aanwezig, de hōju in stricte zin. Het staat in het midden van het dak (kasa), die vaak als afsluiting op de top van het dak een doosvormig roban ('dauwbekken') kan hebben. (2010) Hōshu 宝珠, Japanese Garden Dictionary

Hōju vormt structureel min of meer een geheel met de ukebana. Het is globaal radiair symmetrisch van vorm, vaak in tegenstelling tot de eronder gelegen delen.

left|85px De term giboshi() (2010) Giboshi 擬宝珠, Japanese Architecture and Art Net Users System verwijst naar de hōju-vorm, vaak ook inclusief roban, fukubachi en/of kakikubi. Een giboshi is van brons, hout, messing, ijzer of steen en dient als een architecturale decoratie op verschillende plaatsen, zoals op leuningen, op daken, op grafmonumenten en op pagodes.