De Guldenbergabdij, voluit Onze-Lieve-Vrouw-van-de-Guldenberg, was van 1214 tot 1797 een vrouwenklooster in Wevelgem, België.

Geschiedenis Middeleeuwen Ontstaan kloosterdomein te Wevelgem De cisterciënzersabdij werd opgericht in 1214 door Margaretha van Guines te Moorsele. Zij begiftigde de abdij met beduidend veel dotaties. Er werd geleefd van eigen landbouw en veeteelt. Aangezien Margaretha zelf geen religieuze was, kon ze de leiding van haar abdij niet op zich nemen. Sara Nieulandt, afkomstig van de cisterciënzerinnenabdij van Blendeke, dicht bij Sint-Omaars, thans in het noorden van Frankrijk, werd de eerste abdis. In 1221, zeven jaar na de stichting van de abdij, overleed Margaretha van Guines. Ze werd begraven in het koor van de nieuwe kloosterkerk te Moorsele.

Er kwamen ook inkomsten binnen door de zogenoemde tienden, waarbij iedere parochiaan een tiende van zijn inkomsten moest afstaan voor het onderhoud van kerken, geestelijken en armen.

De abdij stond dan wel op de grond die ze gekregen had van de kasteelvrouwe van Kortrijk, door het feodale systeem van leen boven leen waren er toch steeds weer anderen die ook rechten konden laten gelden op die grond en daarvoor geld wilden ontvangen.

Onroerende goederen waren ook een belangrijk aspect. De nonnen van Moorsele begonnen gronden te verwerven. Reeds in 1227 had de abdij 3 bunders land gekocht van Gerard van Douai, gelegen in de pescherie, letterlijk de visserij, dus langs de Leie, te Wevelgem. Abdis Sara Nieulandt had ingezien dat de ligging van haar abdij niet ideaal was en zag deze liever overgeplaatst naar de boorden van de Leie. De Leie was namelijk visrijk, er zou nooit watertekort zijn en in tijden van schaarste of nood was het een goede verbindingsweg of aanvoerroute.

In 1241 werd een stuk land voor de abdij gekocht van Eustachius vander Leye en zijn vrouw Aleydis. De koop omvatte 20,5 bunders land en weiden langs de Leie, waaronder dus het stuk tussen de huidige Lauwestraat en de hoeve Busschaert waarop de abdij gebouwd zou worden. Het klooster betaalde 240 Vlaamse ponden.

De bouwwerken vorderden traag. Tal van gebouwen zoals een bakkerij, een ziekenzaal en een brouwerij werden voltooid tussen 1310 en 1334. De grote kloosterkerk werd pas in 1333 ingewijd. Het is onbekend hoe de abdij er na haar voltooiing uitzag. Geen enkele prent of schilderij is bewaard gebleven.

Bij de verhuizing werden de stichtster en abdis opgegraven in Moorsele en herbegraven aan de oevers van de Leie, in de nieuwe abdij te Wevelgem.

Levenswijze abdij tijdens bloeiperiode van Citeaux De levenswijze van de zusters van de Guldenbergabdij steunde op drie pijlers: het Opus Dei, het liturgisch gebed; het Opus Manuum, de handenarbeid; en de Lectio Divina, de lezing en studie van de heilige Schrift.

De zusters werden tussen 2 en 3 uur ’s morgens gewekt voor het eerste koorgebed. Daarna werd gemediteerd tot aan het koorgebed rond zonsopgang. Daarna volgden de Heilige Mis en het schuldkapittel. 's Middags volgde opnieuw een gebed. Van 14 à 15 uur tot rond 20 uur, waarna er een slotgebed volgde.

Via het Opus Manuum, de handenarbeid, voorzagen de zusters in hun eigen levensonderhoud. Door het bewerken van landbouwgrond en het hoeden van vee was men zelfvoorzienend, maar omdat dit werk moeilijk samen ging met het zware gebedsprogramma, werden de agrarische en huishoudelijke taken vooral uitgevoerd door lekenzusters (ook wel conversen genoemd). De gebedstaken werden door de monialen uitgevoerd; zij kwamen doorgaans uit de betere kringen, terwijl de conversen uit het gewone volk afkomstig waren.

Vrije tijd werd opgevuld met de lectio Divina (de studie van het Schrift en andere liturgische teksten).

Verder streefde de hele manier van leven naar het bereiken van de volmaaktheid van God. Er was een streng regime van stilzwijgen, strikte clausuur, de absolute gehoorzaamheid aan de abdis, strenge voedselregels, eenvoudige kledij, eenvoudige slaapzalen, en een radicaal verbod op persoonlijk bezit.

De abdij in de 14de en 15e eeuw In de tweede helft van de 13de eeuw moest de Guldenbergabdij veel bijdragen betalen om het dure oorlogsgeweld van destijds te helpen bekostigen. Toen veel abdijen hierdoor op de rand van de afgrond kwamen te staan deden ze een beroep op de paus en op de abt van Cîteaux zelf; deze laatste stelde Filips in 1312 voor jaarlijks zelf alle door de kloosters van zijn orde verschuldigde belastingen in één keer af te lossen en 12.000 ponden van Tours aan de schatkist te betalen.

Hoewel de koning dus verbood om nog bij cisterciënzerabdijen belastingen te innen, waren zijn ambtenaren zo ambitieus om dit toch te doen. Diverse abdijen waaronder die van Wevelgem werden nog steeds lastiggevallen. Zij protesteerden hiertegen en Filips VI schreef tot tweemaal toe een brief om zijn belastinginspecteurs aan te manen Wevelgem met rust te laten. Veel hielp dat blijkbaar niet. Men ging zelfs over tot het aanslaan van kloostergoederen. In 1346 schreven de zusters een brief aan paus Clemens VI om hem te smeken alle personen die kloostereigendommen ontvreemden, te straffen.

In 1458 kocht de abdij het goed Ter Veere, gelegen te Lauwe op de andere oever van de Leie tegenover het klooster. Daardoor verwierf de abdij de controle over de inkomsten uit het verkeer tussen Wevelgem en Lauwe.

Na de afbrokkeling van de kloosterdiscipline in de cisterciënzerabdijen in de 14de en 15de eeuw kwam een reformatiebeweging op gang, die tijdens de eerste helft van de 16de eeuw ook Wevelgem zou bereiken. Hoeveel het kloosterleven in Wevelgem was veranderd in de 14e en 15e eeuw is niet exact bekend, maar reeds in 1406 hadden Marie de Bervier en enkele medezusters zich teruggetrokken om de regels van de orde weer nauwgezetter te gaan opvolgen: strenge toepassing van de clausuur, herinvoering van het leven in gemeenschap, absoluut verbod op het bezit van persoonlijke inkomsten, uniformiteit en eenvoud in de klederdracht en een nauwkeurige reglementering van bezoeken.

Renaissance Eerste helft 16de eeuw thumb|Wapen van Wevelgem Met de komst van de reformatie in 1542 of 1543 te Wevelgem besloot abdis Johanna van Welsenaers (1518-1544) een hervorming door te voeren en het is vooral haar opvolgster Antionette de Bailleul (1544-1553) die deze realiseerde. Antionette liet drie zusters overkomen uit de Bijloke abdij te Gent en plaatste hen op strategische plaatsen in de abdij. Eén werd portierster (controle op de bezoeken en de clausuur), de andere werd kassierster (controle op de particuliere inkomsten) en de derde werd priores (functie net onder die van abdis, dus als steun ‘aan de top’ voor de plannen van de abdis). De ommezwaai slaagde vrij goed, er was geen sprake van speculaties of uittredingen. Waarschijnlijk was er wel onderhuids, sluipend verzet.

De naam Guldenbergabdij dook voor het eerst op in 1551 als “cloostere vanden ghulden berghe”. Vanaf dan werd de naam in 1574 geregeld geschreven als “Abbaye de Notre-Dame du Mont d’Or”, in tal van andere varianten in latere tijden. Niemand weet waar deze naam vandaan komt. Het is alleszins een feit dat Goudberg of Guldenberg een populaire plaatsnaam is in het nochtans uitermate vlakke West-Vlaanderen. De bijnaam heeft overigens geleid tot het abdijwapen: in 1610 verscheen de Carte Armoriale de Flandre, waarin het wapenschild van de abdij vermeld werd als “d’azur à la montagne d’or”, dus een blauw veld met één heraldieke figuur, een gouden berg. Toen de abdij in 1756 Wevelgem kocht, werd dit schild tevens het blazoen van de gemeente.

Godsdiensttroebelen tweede helft 16de eeuw In 1554, het jaar dat Elisabeth de la Tramerie abdis werd, was de godsdienststrijd volop bezig. In het klooster van Wevelgem schenen de nonnen daar niet zoveel last van te ondervinden. De hervorming naar de strengere regeltucht was succesvol.

In augustus 1561 bezocht de abt van Clairvaux de Guldenbergabdij.

In 1566 begon de Beeldenstorm en een groep van 300 man bereikte op 14 augustus de Guldenbergabdij. Ze vernielden de beelden, braken altaars af, verscheurden schilderijen en vertrappelden liturgische voorwerpen en hosties. Het is onbekend of er gewonden vielen. Op 23 juni 1572 werd de abdij opnieuw overvallen en de zusters vluchtten in allerijl naar Kortrijk waar ze in enkele bouwvallige huisjes in het begijnhof een tijdelijk onderkomen vonden. In 1573 keerden de zusters terug naar Wevelgem en hervatten hun monastiek leven. De abdis zocht intussen naar een wijkhuis om zich in geval van nood binnen de relatief veilige stadsmuren van Kortrijk te kunnen terugtrekken.

In 1578 werden de parochiekerk en de abdij geplunderd. De abdij werd zodanig leeggeroofd en platgebrand dat er nauwelijks nog iets van overeind bleef. Aangezien Kortrijk bezet was, kon er geen gebruik worden gemaakt van het aldaar aangekochte refugehuis. Sommige zusters vluchtten naar Rijsel en sommigen trokken in bij familieleden en vrienden.

In 1580 werd Kortrijk heroverd en kwam weer in katholieke handen terecht. Elisabeth de la Tramerie riep haar zusters bijeen en gingen in wijkhuisjes wonen. Deze bleken al snel veel te klein voor een gemeenschap van ongeveer 25 leden en daarom werd uitgekeken naar een nieuwe refuge, gelegen in de Groeningestraat in Kortrijk. Het betrof twee aan elkaar palende woonhuizen waarvoor een hoog bedrag betaald moest worden; de huizen konden pas 16 jaar later, in 1598, afbetaald worden. De zusters leefden in moeilijke tijden. Ze moesten constant geld lenen, subsidies aanvragen en soms de weinige ornamenten en liturgische voorwerpen die ze uit de brand hadden kunnen slepen in 1578, verkopen of wegschenken om de rente te kunnen betalen. Hun kleine inkomsten trachtten ze op te krikken door handwerk (bijvoorbeeld kussens borduren), door een schooltje te openen en door op de hulp van ouders en vrienden te rekenen.

Er ontstond in 1586 een controverse rond dom Philippe Sauvaige die sedert 1547, dus bijna 40 jaar, de (inwonende) biechtvader van de Guldenbergabdij was. Het schandaal bracht heel wat controverse teweeg in de cisterciënzerwereld en begin september 1586 zond abt Lemire van Clairvaux een onderzoekscommissie ter plaatse. De dom was verantwoordelijk voor het feit dat tal van zusters het klooster verlaten hadden en werd definitief uit zijn ambt ontzet.

De periode in Kortrijk zorgde ook voor veranderingen in de religieuze levenswijze. Er heerste tweespalt in de kloostergemeenschap en er waren nagenoeg geen roepingen meer. In 1592 verzochten de cisterciënzeroversten daarom de reeds 84 jaar oude abdis Elisabeth de la Tramerie om ontslag te nemen of op zijn minst een hulpabdis aan te wijzen. Zij weigerde halsstarrig en in 1593 ondernam de abt van Cambron stappen bij de regering om van rechtswege een coadjustores (hulpabdis) te laten verkiezen. De 42-jarige Anne Gargant werd op 16 september 1594 tot abdis gewijd in de nieuwe abdijkerk van Groeninge. Elisabeth de la Tramerie legde zes maanden voor haar dood haar ambt neer en overleed op 18 december 1594.

Anne Gargant probeerde tijdens haar korte abbatiaat (1594-1599) de financiële toestand van de abdij te verbeteren. Met het weinige geld liet ze enkele hoogdringende herstellingswerken uitvoeren aan de enkele nog overeind staande kloostergebouwen in Wevelgem. Anne slaagde erin de rust en de eensgezindheid in haar gemeenschap te herstellen en in vijf jaar werden vier nieuwe koorzusters geprofest. Anne Gargant stierf op 29 juni 1599 en op 26 augustus 1599 werd de 53-jarige Beatrix Vanden Abeele tot 26ste abdis van de Guldenbergabdij benoemd.

Het klooster kwam er financieel steeds beter bovenop en Beatrix Vanden Abeele ving in 1603 aan met de heropbouw van de abdij te Wevelgem. Eerst werd de hoeve opgetrokken, daarna in 1611 volgde de Sint-Bernarduskapel. In 1613 konden de zusters naar Wevelgem terugkeren. De bouw van de abdijkerk werd in 1614 voltooid. De zusters waren er ook in geslaagd om een aantal relikwieën ongeschonden te bewaren.