De gordel van Maria is in de rooms-katholieke en oosters-orthodoxe traditie een relikwie dat bestaat uit de vermeende gordel of riem van Maria, de moeder van Jezus. Verschillende kerken claimen het voorwerp – of een deel ervan – in bezit te hebben, waaronder de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek in Maastricht. De Maastrichtse gordel was ooit onderdeel van een kostbare zilveren reliekhouder, die tijdens de Franse Tijd grotendeels verloren is gegaan. De kern van de huidige reliekhouder is veertiende-eeuws en bevindt zich in een laat-negentiende-eeuws reliekschrijn. Het relikwie trok door de eeuwen heen veel bedevaartgangers en is ook nu nog voorwerp van volksdevotie. Daarnaast is het een voorwerp van kunsthistorische betekenis en een van de topstukken in de Schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek.
Legendes thumb|Dit reliëf in de Dom van Prato toont de tenhemelopneming van Maria en de schenking van de gordel aan Tomas (Niccolò di Cecco del Mercia, ca. 1360) In de Bijbel wordt de gordel van Maria niet genoemd. Volgens de christelijke traditie is de gordel van Maria verbonden met de apostel Tomas en het feest van Maria-Tenhemelopneming (15 augustus). Maria zou tussen 36 en 50 na Chr. zijn overleden. Volgens een van de vele legendes waren alle apostelen hierbij aanwezig, behalve Tomas. Toen hij later haar graf bezocht, was hij getuige van haar tenhemelopneming, waarbij hij van Maria haar gordel ontving, die hij als bewijs aan de andere apostelen toonde. De legende is in feite een omkering van het Bijbelverhaal, waarin Tomas als enige apostel aanvankelijk niet geloofde in de verrezen Christus.
In de Legenda Aurea van Jacobus de Voragine zijn alle apostelen, met uitzondering van Tomas, getuige van Maria's tenhemelopneming. Tomas gelooft de apostelen niet, maar dat verandert als de gordel van Maria uit de hemel valt. In de oosterse traditie verwierf Tomas de gordel toen hij door een engel vanuit India, waar hij missioneerde, door de lucht naar Jeruzalem werd gevoerd. Daarbij kwam hij Maria tegen, die juist op dat moment ten hemel werd opgenomen en hem haar gordel toewierp., 'Maria's gordel' op heiligen.net.
Maria's gordel (samen met haar kleed en mantel) zou vanaf 450 bewaard zijn in een verzegeld schrijn in de kerk van Maria Blachernae in Constantinopel (tegenwoordig Istanboel). Later bevond de gordel zich in de Chalcoprateiakerk, eveneens in Constantinopel. Daar genoot het voorwerp grote verering, met name op de 15e augustus. Keizerin Zoë († 899), de vrouw van keizer Leo VI van Byzantium, zou een droomvisioen hebben gehad, waarin haar de gordel van Maria werd getoond als redmiddel tegen de depressiviteit die haar kwelde. Toen het relikwie op de zieke werd gelegd, was ze onmiddellijk genezen.De Kreek (1994), p. 170.
De gordel wordt traditioneel in verband gebracht met het bevorderen van de vruchtbaarheid bij vrouwen, waarschijnlijk vanwege het feit dat Maria deze gedragen zou hebben om haar middel, dicht bij de baarmoeder, toen ze zwanger was van Jezus.De Kreek (1994), p. 169.
De gordel van Maria in Maastricht Geschiedenis De oudste vermelding van de gordel van Maria in Maastricht dateert van 27 juli 1286, toen het kapittel van Onze-Lieve-Vrouwe een nieuw reglement opstelde voor de koster-schatbewaarder (custos). Daarin staat dat deze een van de sleutels bezat van het kistje (capsella), waarin de gordel van Maria ("cingulus gloriose Virginis") was opgeborgen. Hoe en wanneer de kerk het reliek verwierf is niet bekend. De Onze-Lieve-Vrouwekerk zou volgens sommige berichten slechts de helft van deze gordel te bezitten; de andere helft zou worden bewaard in de Dom van Aken. De gordel van Maria was niet het enige reliek van Maria dat de Onze-Lieve-Vrouwekerk bezat. Een barokke, monstransvormige reliekhouder bevat de trouw- of verlovingsring van Maria (Maastrichts zilver, 1727). (1987): 'Maastrichts zilver in de schatkamer'. In: Goessen (1986-'94), pp. 31-32. Ook bezat de kerk gordels van andere heiligen, in elk geval van Sint-Barbara en Sint-Elisabeth.De Kreek (1994), pp. 129-130, 229.
thumb|left|190px|Het complete ensemble op een 17e-eeuws toningsformulier: het zilveren Mariabeeld en de twee engelen die de langwerpige reliekhouder vasthouden Het is niet bekend hoe het oorspronkelijke reliekenkistje er uit zag. Wel is duidelijk dat de gordel uit het kistje moest worden gehaald om getoond te worden. Eind veertiende eeuw werd de gordel in de nog bestaande langwerpige reliekhouder geplaatst. Mogelijk was deze onderdeel van een groter ensemble dat verloren is gegaan. De middeleeuwse reliekhouder is in de zestiende eeuw deel gaan uitmaken van een ambitieus, verguld zilveren beeldhouwwerk. Het ensemble bestond uit een groot zilveren beeld van een madonna met kind, geflankeerd door twee kleinere zilveren engelen, die de oudere reliekhouder vasthielden. In het voetstuk van het Mariabeeld was een ovaal medaillon aangebracht met daarin een reliek van het graf van Maria, wellicht wat aarde. Het kostbare beeld van edelmetaal werd in 1580 voor het eerst vermeld, toen het uit veiligheidsoverwegingen naar Luik werd overgebracht.
thumb|Tekening door Philippe van Gulpen, midden 19e eeuwHet onderschrift suggereert dat de andere helft van de gordel in een klooster op de berg Athos zou worden bewaard. Het is niet bekend waarop deze informatie gebaseerd is. thumb|Houtsnede van Lambris & Brend'amour in Bock & Willemsens catalogus, 1872 thumb|left|190px|Het tonen van de reliekhouder met de gordel van Maria (achtergrond) en de Sterre der Zee op het priesterkoor van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek, 1962 Maastricht werd in 1794 bezet door Franse revolutionaire troepen en kort daarna ingelijfd bij de Eerste Franse Republiek. De opheffing van het kapittel van Onze-Lieve-Vrouwe in 1797 werd voorafgegaan door een periode van zware oorlogsbelastingen, waardoor het kapittel zich genoodzaakt zag een groot deel van de goud- en zilverschat om te laten smelten. Het zilveren Mariabeeld en de engelen zijn toen vrijwel zeker verdwenen in de smeltoven. De relieken zelf, waaronder de gordel, werden merendeels door de kanunniken in veiligheid gebracht. In 1817, toen duidelijk was dat het kapittel niet meer zou worden heropgericht, werden deze overgedragen aan de Sint-Nicolaasparochie. Pas in 1837 kreeg de oude kapittelkerk weer haar religieuze functie terug, nu als parochiekerk.De Kreek (1994), p. 173.
Ook in de negentiende en twintigste eeuw zijn voorwerpen verloren gegaan doordat de kunsthistorische waarde ervan niet werd ingezien, alsmede door diefstal. Vooral het verlies van het patriarchaalkruis en het 'kruisje van Constantijn' wordt in Maastricht betreurd. Beide kruisreliekhouders werden door een overijverige ex-kanunnik in 1837 aan de paus geschonken en bevinden zich sedertdien in de schatkamer van de Sint-Pietersbasiliek in Vaticaanstad. In veel gevallen zijn de oorspronkelijke reliekhouders verdwenen, maar bleven de relieken bewaard. Van de gordel van Maria bleef het eigenlijke relikwie met een fragment van de oorspronkelijke reliekhouder bewaard.De Kreek (1994), p. 174. Eind negentiende eeuw werd bij de firma Ehrens in Aken een neogotisch schrijntje besteld, waarin de middeleeuwse reliekhouder werd geplaatst.De Kreek (1994), p. 168.
De Akense kanunnik en kunsthistoricus Franz Bock en de Maastrichtse kapelaan en schatbewaarder Michaël Willemsen publiceerden in 1872 een uitgebreide catalogus van de Maastrichtse kerkschatten: Die mittelalterlichen Kunst- und Reliquienschätze zu Maestricht, aufbewahrt in den ehemaligen Stiftskirchen des h. Servatius und Unserer Lieben Frau daselbst, enz, in 1873 gevolgd door een Franstalige versie en een jaar later door een Nederlandstalige samenvatting. De publicatie betekende een omslag in de herwaardering van het Maastrichtse religieus erfgoed. In de catalogus wordt de reliekhouder van de gordel van Maria omschreven als typisch laatgotisch en gedateerd in de tweede helft van de vijftiende eeuw. Het reliek zelf wordt niet beschreven, hoewel wordt opgemerkt dat de zichtbare strook bruine stof waarschijnlijk niet de gordel zelf betreft, maar een beschermend omhulsel.Bock/Willemsen (1872/1873), pp. 241-242 (Franstalige editie); pp. 163-164 (Duitstalige editie).
Opvallend is dat in de negentiende en twintigste eeuw de gordel van Maria in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, de Mariakerk bij uitstek in Maastricht, een minder prominente rol speelde dan in de periode daarvoor. Wellicht was het toenemend historisch besef daar debet aan, het besef dat zoveel gordels van Maria nooit allemaal 'echt' konden zijn. Een factor van belang was zeker dat het genadebeeld van de Sterre der Zee in 1837 uit de kort daarna afgebroken Sint-Nicolaaskerk naar de Onze-Lieve-Vrouwe werd overgebracht. Dat beeld werd in de twintigste eeuw hét symbool van de Mariadevotie in Maastricht en Limburg, dat weinig ruimte overliet voor andere devoties.
Beschrijving De huidige reliekhouder bestaat uit drie delen: het uit meerdere lagen stof bestaande textielrelikwie, de langwerpige, veertiende-eeuwse reliekhouder, en het eveneens langwerpige, negentiende-eeuwseschrijn.
Het textielreliek Het textiele gedeelte is 55,5 cm lang en 2,5 cm breed en bestaat uit vijf lagen stof. In 1990 is het textielreliek door de Zwitserse Abegg-Stiftung onderzocht. Het was daarbij niet mogelijk om de ouderdom of de plaats van herkomst van de weefsels te bepalen. De buitenste lagen stof (van ongeverfde zijde en linnen) zijn vooral naar de uiteinden toe afgesleten. De tweede en vierde laag bestaat uit een identieke strook rode zijde met een ingeweven patroon van blauwe ruiten met gouddraad. Waarschijnlijk is de 1,5 cm brede middelste strook van ongekleurd linnen het oorspronkelijke reliek.De Kreek (1994), pp. 168, 173-174. Tussen de eerste en tweede laag bevindt zich een perkamenten 'cedula' (echtheidsverklaring) uit de tweede helft van de vijftiende eeuw.De Latijnse tekst op de cedula luidt: Cingulus iste dei genitricis creditur esse · Cum quo se cinxit virgo quo tempore vixit · Tempore quo peurum mater gestavit in alvo. Vertaling: Dit is, naar men meent, de gordel van de moeder gods, waarmee de maagd zich tijdens haar leven omgordde, toen zij als moeder de zoon in haar schoot droeg.
De middeleeuwse reliekhouder Het textielreliek is in de late veertiende eeuw gevat in een langwerpige, verguld zilveren reliekhouder. Een blauw zijden lint, voorzien van lakzegels, houdt het textielreliek op zijn plaats. De houder meet 59 x 3,8 x 1,3 cm. Bock & Willemsen merkten in 1872 al op dat de reliekhouder de vorm heeft van een lange, van kantelen voorziene muur. Die indruk wordt versterkt door het ingegraveerde patroon van bouwstenen aan de achterzijde. Het verguldsel is gedeeltelijk afgesleten. De bovenrand is versierd met plantmotieven. Aan de voorzijde, voorheen afgesloten door stukken bergkristal, tegenwoordig grotendeels open, is uiterst links en rechts een bloemmotief aangebracht met een grote groene edelsteen in het midden. De kopse kanten zijn vormgegeven als een nis, waarin een miniatuurbeeldje is geplaatst: links een Madonna (met Christuskind); rechts een Sint-Catharina (met zwaard en rad).De Kreek (1994), pp. 167-168.
Het negentiende-eeuwse schrijn De middeleeuwse reliekhouder, die na het verdwijnen van het zilveren beeld enigszins 'kaal' achterbleef, werd eind negentiende eeuw voorzien van een verzilverd geelkoperen schrijn in neogotische stijl. Het schrijn meet 65,8 x 24,5 x 11 cm. Het heeft de vorm van zeer langgerekt huis met een zadeldak met een vorstkam en een centraal geplaatste pinakel. Op de daklijst zijn drie blauwe edelstenen aangebracht. Op de vier hoeken bevinden zich eveneens pinakels met kruisbloemen. Het geheel wordt gedragen door vier leeuwtjes.
Verering