Yagan (ca. 1795 - Belhus, Perth, 11 juli 1833) was een krijger van de Nyungah, een volk van de Australische Aborigines. miniatuur|Portret van Yagan door George Cruikshank gebaseerd op het gedroogde hoofd Hij speelde een belangrijke rol in het vroege verzet tegen de Britse kolonisatie en overheersing van de streek rond het tegenwoordige Perth in West-Australië. Yagan werd achtervolgd door de lokale autoriteiten nadat hij Erin Entwhistle, een knecht van landbouwer Archibald Butler, doodde. Het ging om een wraakactie nadat Thomas Smedley, een van Butlers andere knechten, naar een groep Nyungah Aborigines geschoten had toen ze aardappelen en pluimvee stalen. De overheid bood een premie voor Yagans gevangenneming, dood of levend. Een jonge kolonist, William Keats, schoot Yagan dood. Yagans executie staat symbool voor de onrechtvaardige en soms wrede behandeling van de oorspronkelijke bevolking van Australië door de kolonisten. Hij wordt door de Aborigines als een held aanzien.

Na zijn dood onthoofdden de kolonisten Yagan om de premie te kunnen opeisen. Later zond een ambtenaar het hoofd naar Londen waar het als een "antropologische curiositeit" werd tentoongesteld en uiteindelijk aan een museum in Liverpool werd gedoneerd. Het museum bewaarde het hoofd meer dan een eeuw lang. Het werd in 1964 samen met andere overblijfselen in een anoniem graf in Liverpool begraven. Door de jaren heen hebben de Aborigines verschillende malen om de terugkeer van het hoofd gevraagd, zowel om religieuze redenen als vanwege Yagans status. Het graf werd in 1993 geïdentificeerd. Ambtenaren groeven het hoofd vier jaar later op en lieten het naar Australië overbrengen. Er volgden binnen de Nyungah-gemeenschap jaren discussie over de meest geschikte plaats om het hoofd te begraven. Uiteindelijk werd Yagans hoofd tijdens een traditionele ceremonie in juli 2010, 177 jaar na zijn dood, in de vallei van de rivier Swan begraven.

Biografie Vroege leven Yagan maakte deel uit van de Whadjuk dialectgroep binnen de Nyungah Aborigines. Hij behoorde tot een stam bestaande uit een zestigtal mensen die volgens Robert Menli Lyon de naam Beeliar droegen. Academici geloven tegenwoordig dat de Beeliar een subgroep of clan waren van een grotere stam die Daisy Bates de Beelgar noemde. Volgens Lyon bewoonden de Beeliar het gebied ten zuiden van de rivieren Swan en Canning tot aan Mangles Bay. De groep had door gewoonte het gebruiksrecht over een veel groter gebied dat zich tot Lake Monger en de rivier Helena uitstrekte. De groep bezat ook de ongewone vrijheid om zich over het land van de buren te bewegen, waarschijnlijk door verwantschaps- en huwelijksbanden met die buurgroepen.

Yagan werd vermoedelijk geboren rond 1795. Zijn vader heette Midgegooroo en was stamoudste (En:Elder) bij de Beeliar. Zijn moeder was vermoedelijk een van Midgegooroo's twee vrouwen. Yagan was vermoedelijk een Ballaroke in het Nyungah-verwantschapssysteem.

Huwelijk en familie Volgens de geschiedkundige Neville Green had Yagan een vrouw en twee kinderen. Een verslag in de Perth Gazette uit 1833 spreekt over "Naral", 9 jaar oud, en "Willim", 11 jaar oud. Volgens de meeste bronnen echter, was de krijger ongehuwd en kinderloos. Yagan wordt beschreven als langer dan gemiddeld met een gespierd lichaam. Hij had een opvallende stamtatoeage op zijn rechter schouder die hem kenmerkte als "een belangrijk man volgens het stamrecht". Hij werd algemeen erkend als de fysiek sterkste man van zijn stam.

Relaties met de kolonisten Yagan was ongeveer 35 jaar oud toen de kolonisten in 1829 in de streek arriveerden en er de kolonie aan de rivier de Swan oprichtten. Tijdens de eerste twee jaren van de kolonisatie waren de relaties tussen de Aborigines en de kolonisten vriendschappelijk omdat er weinig concurrentie was over de bestaansmiddelen. De Nyungah verwelkomden de blanke kolonisten als de Djanga, de teruggekeerde geesten van hun doden. Geschiedkundige verslagen beschreven het delen van de visvangst tussen beide groepen. Langzamerhand ontstonden er conflicten tussen de twee culturen. De kolonisten dachten verkeerdelijk dat de Nyungah nomaden waren en geen eigendomsrechten kenden over het land waarover ze zich voortbewogen. De kolonisten omheinden weide- en landbouwgrond op de traditionele manier.

Doordat de kolonisten almaar meer land omheinden werden de Nyungah de toegang tot een groeiend aantal jachtgebieden en heilige plaatsen ontzegd. Op zoek naar voedsel plunderden ze de gewassen van de kolonisten en doodden hun vee. Dit werd groot probleem voor de kolonie. Daarenboven betekende de Nuygah-praktijk, om wild uit het struikgewas te verjagen door vuur aan te steken en op die manier ook het kiemen van het struikgewas te bewerkstelligen, een gevaar voor de gewassen en huizen van de kolonisten.

In december 1831 leidden Yagan en zijn vader het eerste grote aboriginesverzet tegen de blanke kolonisatie van West-Australië. Thomas Smedley, een knecht van de landbouwer Archibald Butler, betrapte enkele Aborigines die een aardappelveld aan het plunderen waren. Hij doodde daarbij iemand van Yagans familiegroep. Enkele dagen later bestormden Yagan, Midgegooroo en enkele anderen de boerderij en begonnen de lemen muren te vernielen omdat de deur op slot was. Binnenin bevonden zich Butlers knecht Erin Entwhistle en zijn twee zonen Enion en Ralph. Na zijn zonen onder het bed verstopt te hebben opende Entwhistle de deur om met Yagan en Midgegooroo te praten maar werd door hen gedood. Het Nyungah-stamrecht vereiste dat moord door het doden van leden van stam van de moordenaar gewroken werd, niet per se door het doden van de moordenaar. De Nyungah beschouwden knechten en werknemers als leden van de kolonistengroepen. Historici geloven dat de Nyungah-aanval op Entwhistle een vergelding volgens stamrecht was. De blanke kolonisten hadden geen begrip van het stamrecht (en zouden haar waarschijnlijk niet aanvaard hebben). Ze beschouwden Entwhistle's dood als moord zonder gegronde reden. Er werd een posse uitgezonden om Yagans groep gevangen te nemen maar die slaagde daar niet in.

In 1832 leidde Yagan een aboriginesaanval op twee boeren die een graanveld langs de rivier Canning nabij Kelmscott aan het inzaaien waren. Een van beide boeren, John Thomas, kon ontsnappen. De andere, William Gaze, raakte gewond en stierf later aan zijn verwondingen. De kolonie verklaarde Yagan vogelvrij en bood een premie van £20 voor zijn gevangenneming. Yagan kon zijn gevangenneming vermijden tot oktober 1832. Een groep vissers lokte Yagan en twee metgezellen toen in een boot en zette zich af naar het diepe. De vissers voeren de drie Aborigines naar de gevangenis van Perth, vanwaar ze werden overgebracht naar het Round House in Fremantle. Yagan werd eerst ter dood veroordeeld maar later door de tussenkomst van Robert Menli Lyon gered. Lyon argumenteerde dat Yagan zijn land tegen een invasie verdedigde. Hij stelde dat Yagan niet als crimineel mocht aanzien worden. Hij diende als krijgsgevangene beschouwd en als dusdanig behandeld te worden. Op advies van John Septimus Roe werden Yagan en zijn mannen onder toezicht van Lyon en twee soldaten naar Carnac Island verbannen.

Lyon geloofde dat hij Yagan Britse gewoonten kon bijbrengen en hem tot het christendom zou kunnen bekeren. Hij hoopte Yagans medewerking te verkrijgen en diens status in de stam te gebruiken om de Nyungah te overhalen het koloniale gezag te aanvaarden. Lyon spendeerde vele uren met Yagan en leerde diens taal en gewoonten. Na een maand stalen Yagan en zijn kompanen een onbewaakte jol en roeiden naar Woodman Point op het vasteland. De overheid achtervolgde hen niet. Blijkbaar gingen de ambtenaren ervan uit dat ze al genoeg gestraft waren.

In januari 1833 bezochten twee Nyungah uit King George Sound, waar de relaties met de kolonisten vriendschappelijk waren, Gyallipert en Manyat, Perth. Twee kolonisten, Richard (Robert?) Dale en George Smythe, organiseerden een treffen met een groep Nuyngah van Perth in de hoop ook vriendschappelijke relaties in de Swan River-kolonie aan te moedigen. Op 26 januari leidde Yagan een groep van tien formeel bewapende Nyungah naar een ontmoeting met Gyallipert en Manyat nabij Lake Monger. De mannen hielden een corroboree en ruilden wapens. Beide groepen leken niet dezelfde taal te spreken. Yagan en Gyallipert wedijverden in het speerwerpen. Yagan toonde zijn kunde door, vanop 25 meter afstand, een wandelstok te raken.

Gyallipert en Manyat bleven nog een tijd in Perth. Op 3 maart kreeg Yagan de toestemming nog een corroboree te houden, nu in de tuin van het postkantoor van Perth. De mannen uit Perth en King George Sound ontmoetten elkaar bij valavond, versierden hun lichamen met kalk en voerden enkele dansen uit waaronder een kangoeroe-jachtdans. The Perth Gazette schreef dat "Yagan ceremoniemeester was en zich met oneindige sierlijkheid en waardigheid van zijn taak kweet."

In februari en maart was Yagan bij een reeks kleine conflicten met kolonisten betrokken. In februari klaagde William Watson dat Yagan zijn deur had open geduwd, een revolver had geëist en enkele zakdoeken had meegenomen. Watson diende Yagan en zijn kompanen bloem en brood te geven. De daaropvolgende maand maakte Yagan deel uit van een groep die koeken ontvingen van een militair detachement dat onder het gezag stond van luitenant Norcott. Norcott probeerde Yagans aandeel te beperken en werd bedreigd met een speer. Later die maand hoorde Yagan bij een groep Nyungah die Watsons huis binnendrong toen deze van huis was. De groep verliet het huis nadat Watsons vrouw de hulp van de buren inriep. De volgende dag berispte kapitein Ellis de Nyungah om hun gedrag. De frequente incidenten deden The Perth Gazette opmerken dat "het roekeloze tarten van deze vogelvrijverklaarde die zijn leven op het spel zet ... Voor de meest triviale vergrijpen ... hij zou elke man doden die hem uitdaagde. Hij staat aan het hoofd en vooraan bij elke streek."

Wanted Dead or Alive Op 29 april 1833 's avonds brak een groep Nyungah in een winkel in Fremantle in en stal bloem. Ze werden beschoten door de toezichter, Peter Chidlow. Yagans broer Domjum raakte daarbij ernstig gewond en stierf enkele dagen later in de cel. De rest van de groep verplaatste zich van Fremantle naar Preston Point waar Yagan wraak voor de dood van zijn broer zou hebben gezworen. Tussen 50 en 60 Nyungah kwamen samen nabij Bull Creek. Ze ontmoetten er een groep kolonisten die wagens met voorraden waren aan het inladen. Later op de dag overvielen de Nyungah de belangrijkste wagen en doodden daarbij twee kolonisten, Tom en John Velvick. Stamrecht vereiste slechts één dode als wraak. Enkele historici vermoedden dat de Velvicks werden uitgekozen omdat ze eerder al veroordeeld waren voor het aanvallen van Aborigines en gekleurde zeelui. Volgens Alexandra Hasluck was het stelen van voorraden een belangrijk motief bij de aanval, maar dit werd elders weerlegd.

Luitenant-gouverneur Frederick Irwin verklaarde Yagan, Midgegooroo en Munday vogelvrij voor de moord op de Velvicks. Hij bood premies van £20 voor de gevangenneming van Midgegooroo en Munday en een premie van £30 voor de gevangenneming van Yagan, dood of levend. Munday tekende succesvol beroep aan tegen zijn vogelvrijverklaring. Midgegooroo, Yagan en hun groep verlieten onmiddellijk hun grondgebied en trokken noordwaarts naar de vallei van de Helena. Op 17 mei werd Midgegooroo gevangen genomen aan de Helena. Na een kort informeel proces werd hij geëxecuteerd door een fusillade. Yagan bleef nog twee maanden op vrije voeten.

Eind mei meldde George Fletcher Moore dat hij Yagan op zijn eigendom had gezien en met hem in pidgin gesproken had. Moore schreef in de The Perth Gazette: