De Slag om Koerland was een reeks gevechten tussen oktober 1944 en mei 1945 tussen de afgesneden Duitse troepen op het schiereiland Koerland en het Rode Leger. De gevechten maakten deel uit van het oostfront van de Tweede Wereldoorlog.
De Duitse troepen werden afgesneden tijdens het Baltische Offensief van het Rode Leger, toen troepen van het 1e Baltische Front de Oostzee bij Memel bereikten. Deze operatie isoleerde de Duitse Heeresgruppe Nord van de rest van de Duitse troepen tussen Tukums en Liepāja (Duits: Libau) in Letland. Op 25 januari werden de Duitse troepen omgedoopt tot Heeresgruppe Kurland en men bleef tot het einde van de oorlog geïsoleerd. De Duitse troepen in het Koerland waren enkele van de laatste Duitse eenheden die zich overgaven.
Achtergrond
Koerland werd in 1941, samen met de rest van de Baltische oostkust, overlopen door Heeresgruppe Nord. In de daaropvolgende twee jaar probeerde Heeresgruppe Nord zonder succes Leningrad in te nemen. In januari 1944 slaagde het Sovjetleger erin Leningrad te ontzetten.
Op 22 juni 1944 lanceerde het Rode Leger het Wit-Russische Strategische Offensief, met de codenaam Operatie Bagration. Het doel van dit offensief was de bevrijding van Wit-Rusland. Operatie Bagration, dat op 29 augustus ten einde kwam, was zeer succesvol en leidde tot de bijna volledige vernietiging van Heeresgruppe Mitte. In de laatste fases van het offensief stootten Sovjettroepen door tot aan de Oostzeekust, daarbij sneden ze de verbinding door tussen Heeresgruppe Nord en de overblijfselen van Heeresgruppe Mitte.
Na het einde van Operatie Bagration gingen de Sovjettroepen door met het zuiveren van de Baltische kust, ondanks Duitse pogingen de frontlinie te herstellen tijdens Operatie Doppelkopf. Het Rode Leger lanceerde het Memeloffensief met het doel Heeresgruppe Nord te isoleren door de stad Memel in te nemen.
De Slag om Koerland miniatuur|De frontlinie op 1 mei (roze = door geallieerden bezet gebied; rood = betwist gebied. Het Koerland is te zien in de rechter bovenhoek van deze kaart, afgesneden van de gevechten in Duitsland Op 9 oktober 1944 bereikten de Sovjettroepen de Oostzee nabij Memel, nadat ze het hoofdkwartier van het 3e Pantserleger hadden overlopen. Als gevolg hiervan was Heeresgruppe Nord afgesneden van Oost-Pruisen. Hitlers militaire adviseurs - met name Heinz Guderian, chef van de Duitse generale staf - drongen aan op evacuatie en de inzet van de troepen om het front in Midden-Europa te stabiliseren. Hitler weigerde hier echter gehoor aan te geven en gaf aan de Duitse troepen in Koerland en de Estste eilanden Hiiumaa en Saaremaa het bevel om vol te houden, omdat hij vond dat het noodzakelijk was om de Duitse onderzeeërbases aan de Baltische kust te beschermen. Hitler dacht dat de oorlog nog steeds gewonnen kon worden en hoopte dat de nieuwe Type XXI U-boot technologie Duitsland alsnog een overwinning zou bezorgen in de Slag om de Atlantische Oceaan, wat tot het noodzakelijke vertrek van de geallieerden uit West-Europa zou leiden. Dit zou de Duitse troepen in staat stellen zich te richten op het Oostfront en kon Koerland gebruikt worden als springplank voor een nieuw offensief. miniatuur|Postzegel die in het Koerland werd gebruikt (1945) miniatuur|right|Armband Kurland
Hitlers weigering de legergroep te evacueren leidde tot de opsluiting van 200.000 Duitse troepen van voornamelijk het 16e Leger en het 18e Leger in een gebied dat voor de Duitsers bekend stond als het "Bruggenhoofd Koerland". 32 divisies van Heeresgruppe Nord - onder bevel van veldmaarschalk Ferdinand Schörner - waren afgesneden van Oost-Pruisen en lagen verspreid langs een front dat liep van Riga naar Liepāja. Tijdens de tweede fase van het Sovjet Baltische Offensief (14 september - 24 november 1944) trokken de Duitsers zich terug uit Riga naar een beter verdedigbare linie.
Tijdlijn Eerste Koerlandslag
15 tot 24 oktober 1944 De Sovjets lanceerden op 15 oktober 1944 om 10:00 met een zware artilleriebeschieting de Eerste Koerlandslag, waarbij de ze met het 2e Baltische Front oprukten vanuit het gebied rond Dobele, via Tukums, richting Ventspils. Daarnaast probeerde het 1e Baltische Front door te breken vanuit het gebied van Vaiņode naar Liepāja (Duits, historisch: Libau) om deze belangrijke bevoorradingshaven te veroveren en zo de bevoorrading van de hele legergroep te onderbreken. Deze aanvallen, waren eigenlijk ingezet “uit de beweging” en mislukten allen in hun opzet.
Tweede Koerlandslag
24 oktober tot eind november 1944 De Sovjettroepen lanceerden na een korte onderbreking van slechts drie dagen een nieuw offensief om door het front te breken in de richting van Skrunda en Saldus. Daarnaast viel men ook ten zuidoosten van Liepāja aan om deze havenstad in te nemen. In totaal namen 80 divisies tussen 27 oktober en 1eind november deel aan de aanval, die zich uitstrekte over een front van 12 kilometer. De Sovjetdoorbraak kwam na ongeveer 4 kilometer tot stilstand. Ook werd er gevochten rond Priekule, Vaiņode en werd Auce ingenomen. Ondanks flink wat terreinwinst, wisten de Sovjets nergens de Duitse linie te breken.
Derde Koerlandslag
21 tot 31 december 1944 Deze derde slag werd ingezet in het gebied bij Saldus, op de naar tussen het 18e en 16e Leger. Toen daar geen doorbraak lukte, breidden de Sovjettroepen hun aanvallen uit naar het gebied van Dobele richting Džūkste en op vele andere plaatsen. Opnieuw konden de Sovjets nergens een doorbraak forceren. Opvallend was dat tijdens deze gevechten het Letse 130e Infanteriekorps, onderdeel van het 22e Leger, tegenover hun landgenoten van de Letse 19e SS Divisie stonden. Na deze slag, en voor de Sovjets als voorbereiding op hun nieuwe offensieven in Polen en Oost-Pruisen, werden vele Sovjet- en Duitse eenheden weggehaald van het Koerland-front.
Vierde Koerlandslag
24 januari tot 3 februari 1945 Aangezien het Rode Leger intussen in Polen en Oost-Pruisen vol in het offensief was gegaan, was het zaak zoveel mogelijk Duitse troepen te binden. Hiervoor werd daarom eind januari 1945 de Vierde Koeslandslag opgezet. Natuurlijk was ook de bedoeling om het Duitse bruggenhoofd geheel te elimineren indien mogelijk. Wel waren aan Sovjetzijde aanmerkelijk minder troepen beschikbaar. Toch waren de gevechten niet minder heftig. Dit keer lag de grootste concentratie rond Priekule. De Sovjets slaagden erin bruggenhoofden te vestigen over de Bārta en Vārtāja rivieren, maar werden al snel verdreven door de Duitsers. Toen het niet lukte daar door te breken, volgden verdere pogingen bij o.a. Saldus. Ook in deze slag lukte het de Sovjets niet om de Duitse linies te doorbreken. Op 25 januari 1945 werd Heeresgruppe Nord omgedoopt tot Heeresgruppe Kurland en werd het bevel overgedragen aan Generaloberst Lothar Rendulic.
Vijfde Koerlandslag
20 februari tot 11 maart 1945 Om hun offensieven in Polen en Oost-Pruisen te ondersteunen, Duitse troepen vast te houden in Koerland en toch ook te proberen het bruggenhoofd op te ruimen, werd eind februari door de Sovjets een nieuw offensief ingezet. Net als in de vorige slag lag de eerste focus op Priekule. Maar opnieuw bleek de beoogde directe doorbraak naar Liepāja niet mogelijk voor de Sovjets. Dus werd maar weer geprobeerd vervolgens – zoals voorheen – Saldus in te nemen en daar de spoorlijn te bereiken. Van daaruit zou het doorgaan naar Liepāja. Op de naad tussen het 18e en 16e Leger lag het eerste doel van de nieuwe aanvallen. Maar ook die lukten niet. De Sovjets slaagden er wel nog in Džūkste in te nemen. Ook in deze vijfde slag lukte het de Sovjettroepen niet de Duitse verdediging te breken.
Zesde Koerlandslag
18 tot 31 maart 1945 In maart 1945 werd door de Sovjet legerleiding nogmaals besloten een poging te ondernemen het Duitse bruggenhoofd te kraken, vóórdat de beslissende slag om Berlijn zou plaatsvinden. Met al hun macht wilden de Sovjets westwaarts oprukken via Saldus naar Liepāja. Maar opnieuw lukte dit niet. Vervolgens werd weer, volgens bekend recept, geswitched van zwaartepunt, weer naar het gebied tussen Saldus en Džūkste. Ook met deze laatste grote aanval van de Sovjets langs het bruggenhoofd was het ze niet gelukt de Duitse verdediging te slechten.
Capitulatie Op 8 mei gaf het Duitse staatshoofd Karl Dönitz aan kolonel-generaal Carl Hilpert - de laatste commandant van de legergroep - opdracht zich over te geven. Hilpert, zijn persoonlijke staf en de staven van de twee legers gaven zich over aan maarschalk Leonid Govorov, commandant van het Leningrad Front. In die tijd bestond de Duitse legergroep nog steeds uit de resten van 27 divisies en een brigade. De dag erna begonnen de Sovjets met het ondervragen van de gevangengenomen stafofficieren van Heeresgruppe Kurland en begon het verzamelen van krijgsgevangenen.
Tegen 12 mei hadden ongeveer 135.000 Duitse troepen zich overgegeven in het Koerland. Op 23 mei was het verzamelen van Duitse troepen in het Koerland voltooid. Een totaal van 42 generaals, 8.038 officieren en 181.032 onderofficieren en soldaten werden in de Baltische gebieden gevangengenomen.
Slagorde Wehrmacht (maart 1945) 16e Leger – General der Infanterie Carl Hilpert tot 10 maart 1945, daarna General der Infanterie Ernst-Anton von Krosigk, vanaf 16 maart General der Gebirgstruppe Friedrich Jobst Volckamer von Kirchensittenbach
16e Legerkorps – General der Infanterie, vanaf 10 maart Generalleutnant Gottfried Weber 81e Infanteriedivisie 300e Divisie voor speciale doeleinden Gruppe Barth 6e SS Legerkorps – SS-Obergruppenführer und General der Waffen-SS Walter Krüger 24e Infanteriedivisie 12e Pantserdivisie 19. Waffen-Grenadier-Division der SS (lettische Nr. 2) 38e Pantserkorps – General der Artillerie Kurt Herzog 122e Infanteriedivisie 290e Infanteriedivisie 329e Infanteriedivisie 43e Legerkorps – General der Gebirgstruppen Kurt Versock Garnizoen van Ventspils 121e Infanteriedivisie
18e Leger – General der Infanterie Ehrenfried Boege
1e Legerkorps – Generalleutnant Friedrich Fangohr, vanaf 21 april 1945 Generalleutnant Christian Usinger 218e Infanteriedivisie 132e Infanteriedivisie 2e Legerkorps – General der Infanterie Johannes Mayer, vanaf 1 april 1945 Generalleutnant Alfred Gause 263e Infanteriedivisie 563e Volksgrenadierdivisie 10e Legerkorps – General der Artillerie Siegfried Thomaschki 87e Infanteriedivisie 126e Infanteriedivisie 30e Infanteriedivisie 50e Legerkorps – General der Gebirgstruppe Friedrich Jobst Volckamer von Kirchensittenbach 205e Infanteriedivisie 225e Infanteriedivisie 11e Infanteriedivisie 14e Pantserdivisie
Rode Leger (mei 1945) 2e Baltische Front – Maarschalk Leonid A. Govorov
51e Leger - luitenant-generaal Jakov G. Krejtser
10e Infanteriekorps - generaal-majoor Konstantin P. Neverov 91e, 279e en 347e Infanteriedivisie 1e Infanteriekorps - luitenant-generaal I.F. Fedjoekin 257e, 267e en 347e Infanteriedivisie 63e Infanteriekorps - luitenant-generaal T.K. Kolomnetz 77e, 87e en 417e Infanteriedivisie
6e Gardeleger - kolonel-generaal Ivan M. Tsjistjakov
2e Garde Infanteriekorps - luitenant-generaal A.I. Baksov 71e en 29e Infanteriedivisie 22e Garde Infanteriekorps - generaal-majoor A.I. Roetsjkin 46e en 90e Garde Infanteriedivisie 23e Garde Infanteriekorps - luitenant-generaal A.N. Jermakov 51e en 67e Garde Infanteriedivisie 270e Infanteriedivisie 3e Garde Mechanische Korps - luitenant-generaal Viktor T. Obutsjov 7e, 8e en 9e Garde Mechanische Brigade, 35e Garde Tankbrigade
4e Stoottroepenleger - luitenant-generaal Pjotr F. Malysjev
84e Infanteriekorps - luitenant-generaal J.M. Prokofjev 47e Garde Infanteriedivisie, 164e en 332e Infanteriedivisie 92e Infanteriekorps - luitenant-generaal Nikolaj B. Ibjansksi 156e, 16e en 179e Infanteriedivisie 19e Infanteriekorps - generaal-majoor Dmitri I. Samarov 344e, 70e en 32e Infanteriedivisie
42e Leger - luitenant-generaal Vladimir P. Sviridov
83e Infanteriekorps - generaal-majoor N.I. Soldatov