De Ierse Confederale Oorlogen, ook wel de Elfjarige Oorlog genoemd (afgeleid van de Ierse naam Cogadh na hAon Bhliana Déag) vonden plaats in Ierland tussen 1641 en 1653. Het was het Ierse strijdtoneel van de Oorlogen van de Drie Koninkrijken, een reeks burgeroorlogen in de koninkrijken Ierland, Engeland en Schotland (alle drie geregeerd door Karel I). De oorlog in Ierland begon met een opstand in 1641 door Ierse katholieken, die probeerden het Engelse bestuur in Ierland over te nemen en daarmee concessies voor katholieken af te dwingen. De katholieke leiders vormden in 1642 de Ierse Katholieke Confederatie, dat het grootste deel van Ierland bestuurde en losjes aan de zijde stond van de royalisten. De confederalen en royalisten vochten tegen het Engelse parlement en Schotse covenanters. In 1649 viel een parlementsleger onder Oliver Cromwell Ierland binnen en wist tegen 1653 het eiland te veroveren.
De oorlog had zowel een religieus als etnisch karakter. De inzet was wie Ierland zou besturen, of dit vanuit Engeland zou gebeuren, wiens etnische en religieuze groeperingen het meeste land zou bezitten en welke religie de overhand zou krijgen in het land. Het was het meest destructieve conflict in de geschiedenis van Ierland.
Overzicht De oorlog in Ierland begon in oktober 1641 met een opstand in Ulster, waarbij veel Schotsen en Engelse kolonisten werden vermoord. De opstand verspreidde zich over het land en in 1642 werd in Kilkenny de Associatie van Confederale Katholieken in Ierland opgericht om de katholieke oorlogsinspanning te organiseren. De Confederatie was feitelijk een onafhankelijke staat en bestond uit een coalitie van alle groepen binnen de Iers-katholieke gemeenschap, zowel Keltisch als Oud Engels. De Ierse Confederalen zeiden de kant te kiezen van de Engelse royalisten tijdens de daaropvolgende burgeroorlogen, maar waren vooral zelf bezig hun eigen oorlog te voeren voor de belangen van de Iers-katholieke landeigenaren.
De Confederalen bestuurden tot 1649 het grootste deel van Ierland als een de facto soevereine staart en claimden loyaal te zijn aan Karel I. Van 1642 tot 1649 vochten de Confederalen tegen de Schotse Covenantse en Engelse Parlementslegers in Ierland. De Confederalen stonden, in de bredere context van de Engelse Burgeroorlog, losjes aan de kant van de Engelse royalisten, maar ze waren onderling verdeeld of ze militaire steun moesten leveren aan hen. Uiteindelijk hebben ze nooit troepen naar Engeland gestuurd, maar wel een expeditieleger naar Schotland om de Schotse royalisten te helpen, wat de Schotse Burgeroorlog tot gevolg had.
De oorlogen hadden een zeer verdeeld politiek landschap tot gevolg. De protestanten waren als gevolg van de burgeroorlogen in Engeland en Schotland onderverdeeld in drie groepen: Engelse koningsgezinden, Engelse parlementsgezinden en Schotse covenanters. De Katholieke Confederalen waren zelf verdeeld over de vraag of hun voornaamste loyaliteit bij hun katholieke geloof lag of bij Karel I.
De oorlog eindigde in een nederlaag voor de Confederalen. Samen met hun Engels royalistische bondgenoten werden ze tussen 1649 en 1653 verslagen tijdens Cromwells verovering van Ierland door het New Model Army onder Oliver Cromwell. De oorlogen die volgden op de opstand van 1641 veroorzaakten veel doden in Ierland, slechts vergelijkbaar met de grote hongersnood in de jaren 1840. De uiteindelijke winnaar, het Engelse parlement, onteigende grote hoeveelheden land van Ierse katholieken als straf voor de opstand en om de oorlog te kunnen betalen. Hoewel een deel van de onteigende gebieden na 1660 werden teruggegeven, betekende deze periode het einde van de oude katholieke landbezitters.
Het plan: oktober 1641
De opstand was bedoeld als een snelle en voornamelijk vreedzame machtsgreep in Ierland, uitgevoerd door een kleine groep samenzweerders onder Phelim O'Neill. Kleine bendes, bestaande uit familieleden en kennissen van de samenzweerders, werden in Dublin, Wicklow en Ulster gevormd om strategische gebouwen in te nemen, zoals Dublin Castle. Omdat er maar een kleine hoeveelheid Engelse troepen in Ierland gestationeerd was, had dit plan een redelijke kans op succes. Als dit ook zo was gebeurd, zouden de overgebleven Engelse garnizoenen zich waarschijnlijk overgegeven hebben, waardoor de Ierse katholieken een sterke positie zouden hebben bemachtigd om hun eisen voor politieke hervormingen, religieuze tolerantie en Iers zelfbestuur kracht bij te zetten. Het plan lekte echter op het laatste moment uit en als gevolg hiervan ontaardde de opstand in chaotisch geweld. Na het uitbreken van de opstand ging de vijandigheid van de Ierse bevolking jegens de Engelse kolonisten over in dodelijk geweld. Kort na het uitbreken van de opstand liet O'Neill de Proclamatie van Dungannon uitgaan, waarin hij een rechtvaardiging van de opstand uiteen zette. Hij claimde dat hij handelde op bevel van Karel I.
De opstand: 1641-1642 Van 1641 tot begin 1642 werden de gevechten in Ierland gekenmerkt door kleine bendes, gevormd door lokale landeigenaren of door lokale inwoners, die burgers van de andere etnische en religieuze groepen aanvielen. In eerste instantie maakten de Ierse katholieke bendes van het gebrek aan staatgezag gebruik door af te rekenen met de protestantse kolonisten die Iers grondgebied hadden bezet tijdens de volksplantingen in Ierland. In eerste instantie vormde de Ierse katholieke adel milities om het geweld een halt toe te roepen. In gebieden waar de protestantse kolonisten woonden, rondom Cork, Dublin, Carrickfergus en Derry, vormden ze hun eigen milities om zichzelf te kunnen verdedigen tegen de opstandingen. Beide zijden toonden extreme wreedheid in deze fase van de oorlog. Ongeveer 4.000 protestanten werden vermoord en nog eens 12.000 stierven doordat ze midden in de winter uit hun huis werden gezet. Tijdens een berucht incident werden de protestantse inwoners van Portadown gevangen genomen en op de brug van de stad afgeslacht. De kolonisten reageerden op dezelfde manier met aanvallen op de Ierse bevolking. Op Rathlin Island en elders werden katholieke burgers vermoord. De rebellen in Ulster wisten een regeringsleger bij Julianstown te verslaan, maar slaagden er niet in Drogheda in te nemen.
Begin 1642 bestonden er vier grote groepen rebellen: in Ulster onder Phelim O'Neill, in de Pale rond Dublin onder Burggraaf Gormanstown, in het zuidoosten onder de familie Butler (voornamelijk Lord Mountgarret) en in het zuidwesten onder Donagh MacCarthy, de Burggraaf van Muskerry.
De Confederale oorlog: 1642-1648 rechts|miniatuur|250x250px|Kilkenny Castle, waar de Algemene Vergadering van de Ierse Confederatie bijeen kwam Karel I wilde Ierland in zijn bezit hebben om haar middelen te kunnen gebruiken tegen zijn vijanden in Engeland en Schotland. De Schotten en hun bondgenoten van het Engelse parlement wilden dit juist voorkomen. In de loop van 1642 landden 10.000 door het parlement betaalde Schotten in Coleraine en Carrickfergus, terwijl de Engelsen Dublin veilig stelden.
Een van de laatste wetten die door zowel Karel als het parlement was goedgekeurd voor het uitbreken van de Engelse Burgeroorlog was de Adventurers Act. In deze wet was vastgelegd dat de oorlog in Ierland zou worden bekostigd door de verkoop van landgoederen die onteigend zouden worden van de Ierse rebellen. Als gevolg hiervan zou geen van de strijdende partijen een autonome katholieke staat tolereren en waren ze allebei van plan over te gaan tot verdere landonteigeningen. Het afdwingen van de Adventurers Act was dan ook het voornaamste doel van Cromwells verovering van Ierland.
Ondertussen had de Ierse Confederatie, gevestigd in Kilkenny, eind 1642 twee derde van Ierland onder haar bestuur, waaronder de havensteden Waterford en Wexford, via welke ze hulp zou kunnen ontvangen van de katholieke mogendheden in Europa. Hoewel de Confederatie op de steun van de meeste Ierse katholieken kon rekenen, hadden met name de geestelijkheid en de leden van de hogere klassen een pro-royalistische houding, omdat ze bang waren dat ze hun eigen landgoederen zouden verliezen als de volksplantingen teruggedraaid zouden worden. Enkelen vochten zelfs tegen de Confederatie, terwijl anderen neutraal bleven.
De Confederatie kon in eerste instantie enkel beschikken over milities en privélegertjes, onder het bevel van aristocratische amateurs zoals Lord Mountgarret. Zij leden een reeks nederlagen, maar het uitbreken van de Engelse Burgeroorlog in medio 1642 leidde tot de terugtrekken van veel Engelse soldaten. Dit stelde Garret Barry, een voormalige Ierse huursoldaat, in staat dat jaar Limerick in te nemen en werd het Engelse garnizoen in Galway het jaar erop gedwongen zich over te geven aan de plaatselijke bevolking.
Medio 1643 was, met uitzondering van Dublin, Ulster en Cork, geheel Ierland in handen van de Confederatie. Hierbij werden ze geholpen door verdeeldheid bij hun tegenstanders, omdat sommige gebieden werden bezet door troepen die loyaal waren aan het parlement, anderen door de royalistische Hertog van Ormonde en de Covenanters voerden hun eigen plannen uit in de omgeving van Carrickfergus. Dit zorgde voor een ingewikkelde mix van veranderende loyaliteiten, waarbij de protestanten in Ulster de Schotsen vijandig bejegenden, net zoals hun bondgenoten in het parlement, waaronder Cromwell.
Patstelling links|miniatuur|216x216px|Hertog van Inchiquin, legerleider in Munster, die in 1644 naar het Parlement overliep en vier jaar later weer terug ging naar het royalistische kamp De burgeroorlog in Engeland gaf de Confederatie tijd om een regulier beroepsleger op de been te brengen en zij wisten uiteindelijk 60.000 man te rekruteren. Deze werden betaald middels het heffen van belastingen, uitgerust met militaire wapens uit Frankrijk, Spanje en het Pausdom en geleid door beroepsofficieren, zoals Thomas Preston en Owen Roe O'Neill, die nog gediend had in het Spaanse leger.
De Confederalen lieten een mogelijkheid om het hele eiland te veroveren lopen door een wapenstilstand te tekenen met de royalisten op 15 september 1643 en de daaropvolgende drie jaar te verspillen met moeizame onderhandelingen. De periode 1642 - 1646 werd gekenmerkt door aanvallen gericht op de voedselvoorraden van de vijand, wat leidde tot veel doden onder de burgerbevolking. De verbittering die dit veroorzaakte wordt duidelijk in een Parlementair Voorschrift uit oktober 1644, dat verbood 'onderdak te bieden aan een Ier of een in Ierland geboren Paap die door het parlement met vijandigheid zou worden behandeld op zee, als ook in Engeland en Wales.'
Een offensief tegen Ulster in 1644 wist geen noemenswaardige vooruitgang te boeken en een nederlaag bij Marston Moor in juli maakte duidelijk dat de Engelse royalisten de oorlog aan het verliezen waren. Twee weken later stapte de Graaf van Inchiquin over naar de kant van het parlement, dat daardoor de controle kreeg over de havens van Cork, Kinsale en Youghal. Eind 1644 wist de Confederatie Banchon in te nemen, maar Inchiquin wist Cork te behouden. Preston veroverde Duncannon in januari 1645 en belegerde vervolgens Youghal. Een gebrek aan voorraden dwong hem echter in maart het beleg weer af te breken.
Vluchtelingen