De Ierse opstand van 1641 (Iers: Éirí Amach 1641) begon als een staatsgreep door Iers-katholieke edelen, die een poging deden de macht over te nemen van het Engelse bestuur in Ierland om zodoende concessies af te dwingen voor de katholieken. De staatsgreep mislukte en de opstand ontwikkelde zich tot een etnisch conflict tussen de Ieren en de Engelse katholieken aan de ene kant en de Engelse protestanten en Schotse kolonisten aan de andere kant. Dit conflict heet de Ierse Confederale Oorlogen.
De opstand werd veroorzaakt door de angst onder de katholieken voor een op handen zijnde invasie van Ierland door anti-katholieke troepen van het Engelse Lange Parlement en de Schotse Covenanters, die de macht van Koning Karel I van Engeland trotseerden. Op haar beurt leidde de vermeende samenwerking tussen de Ierse rebellen en Karel I tot het begin van de Engelse Burgeroorlog. De Engelse en Schotse parlementen weigerden een leger op de been te brengen om de opstand neer te slaan, tenzij het onder hun bevel stond in plaats van dat van de koning.
De Ierse opstand brak in oktober 1641 uit en werd gevolgd door enkele maanden van chaotisch geweld voordat de Ierse elite en de geestelijkheid in de zomer van 1642 de Katholieke Confederatie vormden. De Confederatie werd de de facto regering voor het grootste deel van Ierland, onafhankelijk van het Engelse bestuur en het stond losjes aan de zijde van de royalisten tijdens de Oorlogen van de Drie Koninkrijken. De daaropvolgende Ierse Confederale Oorlogen duurden in Ierland tot in de jaren 1650, toen het New Model Army van Oliver Cromwell de Ierse katholieken en royalisten beslissend versloeg en het land heroverde. De Ierse opstand van 1641 wordt gezien als een belangrijke stap in de val van het Huis Stuart tijdens de 17e eeuw.
Oorzaken De oorzaken van de opstand van 1641 liggen in het nalaten van het Engelse bestuur in Ierland om de Ierse elite op te nemen in haar rangen, in de nasleep van Elizabeths verovering van Ierland en de kolonisering van het land. De Ierse bevolking van voor Elizabeths verovering wordt gewoonlijk verdeeld tussen de Keltische Ieren en de Oude Engelsen, de nazaten van de Normandische kolonisten uit de Middeleeuwen. Deze groepen stonden van oudsher vijandig tegenover elkaar, waarbij de door de Engelsen bewoonde gebieden werden versterkt om aan de dreiging van de rurale Keltische clans het hoofd te bieden.
Maar in de zeventiende eeuw nam de kloof tussen deze twee groepen af, vooral op het hoogste niveau. Veel Oud Engelse edelen spraken niet alleen Iers, maar financierden Ierse poëzie en muziek en werden weleens beschreven als Hiberniores Hibernis ipsis ('Ierser dan de Ieren zelf'). Huwelijken tussen de twee groepen vonden regelmatig plaats. Bovendien vonden de twee groepen elkaar in hun gezamenlijke Katholicisme, met name na Elizabeths verovering van Ierland en de komst van de protestantse Engelse bestuurders en kolonisten. In de decennia tussen het einde van Elizabeths verovering in 1603 en het uitbreken van de opstand in 1641 werd de politieke positie van de rijke Ierse katholieken steeds meer bedreigd door het Engelse bestuur in Ierland.
Volksplantingen thumb|Kaart van Ierland in 1609 met daarop aangegeven de volksplantingen Tijdens de Engelse verovering van Ierland in de 16e eeuw vonden de eerste volksplantingen plaats in Munster, gevolgd aan het begin van de 17e eeuw door volksplantingen in Ulster. In het geval van Ulster was dit het gevolg van het in beslag nemen van grote hoeveelheden land na de Vlucht der Grafen in 1607. Van dit gebied werd 20% toegewezen aan Ierse edelen en clans die loyaal waren aan de Engelse koning. Maar rond de tijd van de opstand van 1641 leverden de volksplantingen de Ierse bevolking niks op. Dit werd nog eens versterkt doordat veel Ierse edelen die grondgebied hadden ontvangen dit moesten verkopen wegens wanbeleid en opgelopen schulden. De uitholling van hun status en invloed zorgde ervoor dat zij zich aansloten bij een opstand, zelfs als zij veel te verliezen hadden.
Veel van de Ierse bannelingen namen dienst als huurlingen in de katholieke legers van Spanje en Frankrijk. Zij vormden samen een kleine Ierse emigrantengemeenschap, dat zeer vijandig stond jegens de door de Engelsen bestuurde protestantse staat in Ierland. Zij werden echter beperkt in hun mogelijkheden door de vriendschappelijke banden die Engeland, Spanje en Frankrijk na 1604 met elkaar aanknoopten. In Ierland zelf waren de gevolgen van de volksplantingen een van de voornaamste redenen voor het uitbreken van de opstand. Bovendien moesten wetten die al waren aangenomen door het Ierse parlement ook nog eens goedgekeurd worden door het Engelse parlement. Het door de protestanten gedomineerde bestuur maakte hiervan gebruik door steeds meer gebied in te pikken van landeigenaren. Eind jaren 1630 stelde Thomas Wentworth, de Lord Deputy van Ierland, een nieuwe ronde volksplantingen voor, hoewel deze nog niet was uitgevoerd in 1641. In dat jaar was 60% van het land nog steeds eigendom van katholieken.
Religie De meeste leden van de Iers-katholieke hogere klassen stonden niet onwelwillend tegenover de soevereiniteit van Karel I in Ierland, maar wilden gezien worden als volwaardige onderdanen van de driedelige monarchie (Engeland, Schotland, Ierland) en hun vooraanstaande positie in de Ierse gemeenschap behouden. Dit werd echter niet mogelijk gemaakt door hun religieuze dissidentie en door de dreiging die de volksplantingen voor hen vormden. Na het mislukte Buskruitverraad van 1605 werden de rechten van de rijke Ierse katholieken beperkt, hoewel zij niet betrokken waren bij het plan.
Het anglicanisme was de enige toegestane denominatie in de Drie Koninkrijken. Het niet bijwonen van protestantse kerkdiensten kon bestraft worden met boetes en voor het openlijk belijden van niet goedgekeurde vormen van geloof kon men gearresteerd worden. Katholieken mochten geen hooggeplaatste bestuursfuncties hebben of boven een bepaalde rang in het leger dienen. De Ierse raad van state werd gedomineerd door Engelse protestanten. Het aantal kiesdistricten van het Ierse Lagerhuis werden vergroot, waardoor de protestanten vanaf 1613 een meerderheid van 108 tegen 102 hadden. Het Ierse Hogerhuis had daarentegen nog wel een flinke katholieke meerderheid waardoor het in staat was de meeste onwelkome wetgeving te blokkeren.
Als gevolg van de parlementaire verschuivingen besloten leden van de Ierse-katholieke elite een rechtstreeks appel te doen aan de koning, eerst Jacobus I en daarna Karel I, om volledige rechten als onderdanen en tolerantie voor hun religie. Diverse keren leek het erop dat de koningen in ruil voor hogere belastingen akkoord gingen met hun eisen. Maar de Ierse katholieken waren erg teleurgesteld toen ze hun hogere belastingen hadden betaald en Karel I besloot het uitvoeren van hun eisen uit te stellen tot 3 mei 1641, toen hij de Ierse rechterlijke macht opdracht gaf de noodzakelijke wetten door te voeren.
Onder het mom van het controleren van landbezit voor het innen van belastingen nam Wentworth landgoederen in beslag en was hij van plan volksplantingen in Roscommon en Sligo uit te voeren, die later gevolgd zouden moeten worden door Galway en Kilkenny. Volgens historicus Padraig Lenihan zou Wentworth uiteindelijk te maken hebben gekregen met gewapend verzet door katholieke landeigenaren als hij dit zou hebben doorgezet. Maar de destabilisering van de Engelse en Schotse politiek en de verzwakking van de positie van de koning in 1640 zorgden reeds voor een Ierse opstand. Overigens werd Wentworth in mei 1641 geëxecuteerd in Londen.
Samenzwering Van 1638 tot 1640 kwam Schotland in opstand tegen de pogingen van Karel I om de liturgie van de Church of Engeland daar in te voeren. De Schotten vonden deze echter te veel lijken op Katholicisme. De pogingen van de koning om de opstand neer te slaan mislukten echter toen het Engelse Lange Parlement, die de religieuze zorgen van de Schotten deelden, weigerden geld beschikbaar te stellen voor de vorming van een leger. Karel besloot daarop onderhandelingen met de Ierse katholieke adel te starten met als doel een Iers leger te rekruteren om de Schotse opstand mee neer te kunnen slaan, in ruil voor de Ierse eisen voor religieuze tolerantie en een einde van de volksplantingen. Dit leger kwam maar heel langzaam bij elkaar in Carrickfergus, gelegen tegenover de Schotse kust, maar werd medio 1641 weer opgeheven. Maar voor de Schotse en Engelse parlementen leek het er sterk op dat Karel een tiran was die zijn katholieke geloof wilde opdringen aan zijn koninkrijken en weer wilde regeren zonder zijn parlementen, zoals hij tussen 1628 en 1640 ook al had gedaan. Begin 1641 stelden sommige parlementariërs voor Ierland binnen te vallen en het Katholicisme te onderdrukken zodat er geen Iers-katholiek leger in Engeland of Schotland kon landen.
Deze voorstellen zorgden voor veel onrust in Ierland en een kleine groep Ierse landeigenaren wilden hiervan gebruik maken door met een snelle staatsgreep in naam van de koning Dublin Castle in te nemen, gevolgd door andere belangrijke steden in het land. Op deze manier wilden ze een eventuele invasie voor zijn en de koning dwingen hun eisen in te willigen. Ook leek de koning in een zeer verzwakte positie te verkeren door zijn constante ruzie met het Engelse parlement, waardoor de kans van slagen veel groter was.
Economie Een ongunstige economische situatie droeg ook bij tot het uitbreken van de opstand. De economische neergang was een gevolg van de Kleine IJstijd, dat in de 17e eeuw plaatsvond. De Ierse economie was in een recessie terechtgekomen en de oogst van 1641 was erg mager. De jaarlijkse rente lag in de jaren 1630 op maar liefst 30%. Enkele leiders van de opstand, zoals Phelim O'Neill en Rory O'Moore, hadden hoge schulden en liepen het risco hun landgoederen kwijt te raken aan hun schuldeisers. Bovendien hadden de Ierse boeren het ook zwaar te verduren door de slechte oogst en huurverhogingen. Dit stimuleerde hun verlangen om de kolonisten te verdrijven en droeg bij aan de wijdverbreide aanvallen op de kolonisten aan het begin van de opstand.
Opstand thumb|Sir Phelim O'Neill, een van de leiders van de opstand De drijvende kracht achter de opstand was een kleine groep Ierse landeigenaren uit Ulster, dat zwaar te lijden had gehad onder de volksplantingen. Hugh Oge MacMahon en Conor Maguire moesten Dublin Castle bezetten en Phelim O'Neill en Rory O'Moore zouden tegelijkertijd Derry en andere noordelijke steden innemen. De opstand moest op 23 oktober 1641 plaatsvinden. Het was voor de samenzweerders belangrijk om het verrassingselement te gebruiken om hun doelen zonder bloedvergieten te behalen en vervolgens hun eisen te stellen, met de verwachting dat ze gesteund werden door de rest van het land. Het plan voor een bloedeloze staatsgreep viel echter in duigen toen de autoriteiten in Dublin het plan via een informant te horen kregen en Maguire en MacMahon arresteerden.