De Normandische invasie van Ierland nam in fases plaats tijdens het einde van de twaalfde eeuw en leidde tot de Anglo-Normandische verovering van grote delen Iers grondgebied. In die tijd bestond Keltisch Ierland uit diverse koninkrijken met een hoge koning aan het hoofd. De Normandische invasie was een keerpunt in de geschiedenis van Ierland en was het begin van meer dan 800 jaar rechtstreeks Britse bemoeienis in Ierland.

In mei 1169 landden Anglo-Normandische huurlingen in Ierland op verzoek van Diarmait Mac Murchada (Dermot MacMurragh), de afgezette koning van Leinster, die hun hulp had gevraagd bij het herwinnen van zijn koninkrijk. Diarmait en de Normandiërs namen Leinster binnen enkele weken in en lanceerden vervolgens aanvallen op naburige koninkrijken. Deze militaire interventie had de steun van koning Hendrik II van Engeland en de goedkeuring van paus Adrianus IV.

In de zomer van 1170 vonden er nog eens twee Normandische landingen plaats, beide geleid door de Anglo-Normandische graaf van Pembroke, Richard 'Strongbow' de Clare. Tegen mei 1171 had Strongbow Leinster onder zijn controle en de Noors-Ierse koninkrijken Dublin, Waterford en Wexford veroverd. Die zomer leidde Hoge Koning Ruaidrí Ua Conchobair (Rory O'Connor) een Ierse tegenaanval tegen de Normandiërs, die desalniettemin het grootste deel van het veroverde gebied wisten te behouden. In oktober 1171 landde Koning Hendrik met een groot leger in Ierland om de heerschappij over zowel de Anglo-Normandiërs en de Ieren te bemachtigen. De Normandische heren gaven het veroverde gebied aan Hendrik. Hij liet Strongbow Leinster als leen behouden en riep de steden uit tot kroondomein. Veel Ierse koningen onderwierpen zich aan hem, waarschijnlijk in de hoop dat hij de Normandische expansie zou remmen. Hendrik gaf echter het nog niet veroverde koninkrijk Mide aan Hugh de Lacy. Na Hendriks vertrek in 1172 ging de Normandische expansie en daaropvolgende Ierse tegenaanvallen verder.

Het Verdrag van Windsor uit 1175 erkende Hendrik als heerser van het veroverde gebied en Ruaidrí als heerser over de rest van Ierland, waarbij Ruaidrí trouw zwoer aan Hendrik. Het verdrag hield echter niet lang stand. De Anglo-Normandische heren bleven Ierse koninkrijken aanvallen en zij vielen op hun beurt de Normandiërs aan. In 1177 vormde Hendrik een nieuw beleid. Hij riep zijn zoon Jan uit tot 'heer van Ierland' (het hele land) en gaf de Normandische heren toestemming meer land te veroveren. Het gebied dat zij in bezit hadden werd de heerlijkheid Ierland en onderdeel van het Angevijnse Rijk. De grotendeels succesvolle invasie werd toegedicht aan een aantal factoren, zoals de Normandische militaire superioriteit, een gebrek aan verenigd Iers verzet en de steun van de Katholieke Kerk voor Hendriks interventie.

Achtergrond In de 12e eeuw bestond Keltisch Ierland uit diverse koninkrijken, die elk uit kleinere koninkrijken bestonden. Aan de top stond de Hoge Koning, die cijns ontving van de andere koningen, maar hij bestuurde Ierland niet als een eenheidsstaat. De vijf havensteden Dublin, Wexford, Waterford, Cork en Limerick werden bewoond door de Noors-Ieren en kenden hun eigen heersers.

De Normandiërs hadden Engeland tussen 1066 en 1075 veroverd, waarbij alle graafschappen overgingen in Normandische handen. De bisdommen volgden na 1096. In 1072 sloten Normandische en Schotse heren het Verdrag van Abernathy, waarbij de Schotten landgoederen in Cumbria opgaven in ruil voor vrede. In de daaropvolgende decennia veroverden de Normandische heren grote delen van Zuid-Wales en vestigden ze daar hun eigen semionafhankelijke heerlijkheden. Volgens historicus John Gillingham ontstond er na de Normandische verovering een imperialistische houding binnen de nieuwe Engelse elite en zagen zij hun Keltische buren als minderwaardig en barbaars.

In september 1155 hield koning Hendrik II een raadsvergadering in Winchester. Volgens de kroniekschrijver Robert van Torigni besprak Hendrik daar plannen om Ierland binnen te vallen en het aan zijn broer Willem van Poitou te schenken. Hij stelde deze plannen uit op aandringen van zijn moeder, keizerin Mathilde van Engeland.

Een deel van het initiatief voor de invasie was afkomstig van de Anglo-Normandische kerkleiders, waaronder Theobald van Bec, de aartsbisschop van Canterbury, die de Ierse kerk onder zijn gezag wilde brengen. Datzelfde jaar vaardigde paus Adrianus IV (de enige Engelse paus) de bul Laudabiliter uit, dat Hendrik toestemming gaf Ierland te veroveren als middel om de Gregoriaanse hervorming door te voeren in de Ierse kerk. In werkelijkheid hadden de Ierse kerkleiders regels aangenomen om de hervorming in te voeren, maar dit bleek een langzaam en moeilijk proces te zijn. De hervorming eiste de achterlating van eigenschappen van de Keltische samenleving die teruggingen tot de tijd voor de komst van het christendom en van gewoonten die eeuwenlang werden geaccepteerd door de kerk in Ierland. Deze gewoonten hadden betrekking tot het huwelijk, het celibaat, de sacramenten en het zeggenschap over kerkelijk landbezit.

Johannes van Salisbury, secretaris van de aartsbisschop van Canterbury, sprak in Rome over de 'barbaarse en goddeloze' bevolking van Ierland. In 1149 schreef de Franse abt Bernardus van Clairvaux een boek over St.-Malachias, waarin hij Ierland beschreef als barbaars en semi-heidens. Volgens historicus F.X. Martin was Ierland enkel en alleen 'barbaars' in de ogen van Bernardus omdat het 'haar eigen cultuur had behouden en buiten de Latijnse wereld was gebleven'. De beschrijving van Ierland door Johannes en Bernardus werd het gevestigde beeld in heel Europa, in plaats van de waarheid over de hervormingen.

Landingen van 1169 miniatuur|250x250px|"Henry authorizes Dermod to levy forces", uit A Chronicle of England (1864) door James Doyle In 1166 werd Diarmait Mac Murchada (Dermot MacMurragh) afgezet als koning van Leinster door een coalitie geleid door de Hoge Koning, Ruaidrí Ua Conchobair (Rory O'Connor) en de koning van Breffny, Tigernán Ua Ruairc (Tiernan O'Rourke). Het werd hem wel toegestaan eigenaar te blijven van zijn eigen grondgebied, Uí Ceinnselaig.

Diarmait ontvluchtte Ierland en zocht de hulp van Hendrik II om zijn koninkrijk te herwinnen. Hendrik gaf Diarmait toestemming huurlingen te rekruteren en gaf zijn onderdanen het volmacht Diarmait te helpen. In ruil hiervoor zwoer Diarmait trouw aan Hendrik.

Diverse Anglo-Normandische heren wilden helpen: Richard de Clare (ook wel bekend als Strongbow), Robert FitzStephen, Maurice FitzGerald en Maurice de Prendergast. Diarmait gaf Strongbow zijn dochter Aoife als echtgenote en het koninkrijk Leinster na zijn overlijden. Hij beloofde Robert en Maurice de stad Wexford en de omliggende gebieden. Volgens de Ierse wet had Diarmait overigens geen enkel recht om dit te doen. Nu hij hun hulp had geregeld, keerde hij in 1167 terug naar Uí Ceinnselaig en wachtte hij op de komst van de huurlingen.

Op 1 mei 1169 landden Robert FitzStephen en Maurice de Prendergast bij de Bannowbaai aan de zuidkust van Leinster met een leger bestaande uit 40 ridders, 60 voetsoldaten en 360 boogschutters. Deze troepen voegden zich samen met de 500 man van Diarmait. Zij begonnen met de verovering van Leinster en de gebieden waarvan Diarmait claimde eigendom te hebben. Eerst belegerden ze de Noors-Ierse havenstad Wexford, dat zich na twee dagen overgaf. Vervolgens plunderden ze de gebieden ten noorden van Leinster, die geweigerd hadden zich te onderwerpen aan Diarmait. Ook vielen ze het naburige koninkrijk Ossory aan, waarbij ze het leger van koning Donnchad Mac Gilla Patraic (Donagh MacGillapatrick) versloegen tijdens de slag om Achad Úr. Donnchad wist zijn troepen echter in goede orde terug te trekken en bleef zich verzetten.

Als reactie op de landing leidde Hoge Koning Ruaidrí een leger naar Leinster om het op te nemen tegen Diarmait en de Normandiërs. Dit leger bevatte eenheden uit Connacht, Breffny, Mide en Dublin, elk onder leiding van hun eigen koningen. Bij Ferns kwam men tot een akkoord. Diarmait werd erkend als koning van Leinster en in ruil hiervoor zou hij zijn buitenlandse bondgenoten wegsturen en Ruadrí erkennen als Hoge Koning. Om zijn gehoorzaamheid af te dwingen, gaf Diarmait gijzelaars aan Ruaidrí, waaronder zijn zoon.

Diarmait was echter van plan zijn Anglo-Normandische bondgenoten te gebruiken om zichzelf te kronen tot Hoge Koning. Kort na het Verdrag van Ferns landde Maurice FitzGerald met 10 ridders, 30 boogschutters te paard en 100 boogschutters bij Wexford. Daarna marcheerden Maurice en Diarmait noordwaarts en plunderden ze de omgeving van Dublin.

Strongbows invasie van 1170 links|miniatuur|250x250px|Een kaart met de locaties van Bannow, Baginbun, Wexford and Waterford In mei 1170 kwam Raymond FitzGerald aan land in het gezelschap van tien ridders en zeventig boogschutters. Zij vormden de voorhoede voor Strongbows leger en zouden een springplank moeten vormen voor een aanval op Waterford. Raymonds leger bezette een op een klif gelegen fort bij Baginbun en plunderde het omliggende platteland. Zij werden vervolgens belegerd door een veel groter leger Ieren en Noren. De in de minderheid zijnde Anglo-Normandiërs dreven een grote kudde vee door het vijandige leger. In de daaropvolgende chaos wisten de Normandiërs hun belegeraars op de vlucht te jagen, waarbij ze 500 man doodden en namen ze er 70 gevangen. Deze gevangenen werden geëxecuteerd door het breken van hun ledematen, het afhakken van hun hoofd en het in zee dumpen van hun lichamen.

Op 23 augustus landde Strongbow bij Passage East met ten minste 200 ridders en duizend voetsoldaten. Zij sloten zich aan bij Raymonds troepenmacht en vielen Waterford aan. De stadsmuren werden uiteindelijk beslecht en bij de zware gevechten in de straten vielen zeker 700 doden onder de verdedigers. Diarmait en de andere Normandische commandanten arriveerden na de gevechten in Waterford en daar trouwde Strongbow met Diarmaits dochter, Aoífe.

De Normandiërs en Diarmait hielden een oorlogsraad in Waterford en besloten daar Dublin in te nemen. Hoge koning Ruaidrí stelde echter een groot leger op in de buurt van Dublin om hen te onderscheppen. Behalve soldaten uit Connacht, bevatte het ook troepen uit Breffny (geleid door Koning Tigernán), Mide (geleid door koning Domnall Ua Máel Sechlainn) en Oriel (geleid door Koning Murchad Ua Cerbaill). De Normandiërs en Diarmait wisten hen echter te omzeilen door via de Wicklow Mountains te trekken. Daarmee dwongen ze Ruaidrí's leger de plannen aan te passen.

Nadat ze bij Dublin waren aangekomen, begon Diarmait met haar koning, Ascall mac Ragnaill (Ascall MacRannall), te onderhandelen. Op 21 september, terwijl de besprekingen nog plaatsvonden, bestormde een leger Normandiërs onder Miles de Cogan en Raymond FitzGerald de stad en nam het in. Ascall en zijn volgers vluchtten in hun schepen maar zwoeren de stad te heroveren. Strongbow en Diarmait lanceerden vervolgens een verwoestende veldtocht door Mide en Breffny, waarbij ze diverse kloostersteden in brand staken. Als gevolg van deze schendingen van hun akkoord van Ferns liet Ruaidrí drie gijzelaars executeren, waaronder Diarmaits zoon.

Ierse tegenaanval van 1171 Diarmait keerde terug naar Ferns en stierf daar plotseling in mei 1171. Strongbow riep zich daarop uit tot koning van Leinster. Dit ging echter in tegen de Keltische wetten en zijn claim werd bestreden door Diarmaits broer Murchad.