Fostoria is een geslacht van plantenetende euornithopode dinosauriërs dat tijdens het midden van het Krijt leefde in Australië. De typesoort is Fostoria dhimbangunmal.
Vondst en naamgeving Bij Lightning Ridge in het noorden van New South Wales bevindt zich een verzameling kleine particuliere mijnen. Ze bestaan uit een stelsel van tunnels waarin gezinnen wonen en meteen op zoek zijn naar opalen. In 1984 stuitte mijnwerker Robert Foster op tien meter diepte in zijn tunnels in het Sheepyard Opal Field op grote botten die hem aan paarden deden denken. Hij brak ze open op zoek naar opalen en wierp de resten op een hoop. Toen de stapel steeds hoger werd, kwam de gedachte bij hem op dat de vondsten van wetenschappelijke waarde zouden kunnen zijn. Hij laadde de beenderen in twee koffers en reisde ermee per trein naar het Australian Museum te Sidney. Daar werden ze meteen herkend als de botten van dinosauriërs, die in Australië vrij zeldzaam zijn. Dr. Alexander Ritchie groef dat jaar de resterende fossielen op. Na preparatie liet Foster ze tentoonstellen bij juwelenhandelaren in Sidney. Ze waren namelijk bedekt met een laagje opaal, hoewel niet geheel geopaliseerd. De vondsten trokken veel publiek maar geen kopers. In Lightning Ridge werd een Australian Opal Centre opgericht. Begin eenentwintigste eeuw liet Forster ze daar tentoonstellen en uiteindelijk werden ze gedoneerd aan het instituut.
Al die tijd was er niet over de vondsten gepubliceerd. Botten van grote euornithopoden uit de Lightning Ridge werden aangeduid als een Muttaburrasaurus sp. Dat veranderde toen Phillip Bell geopaliseerde botten uit het gebied systematisch begon te bestuderen. Hij maakte een CAT-scan van de Forstercollectie en ontdekte dat de botten niet één individu vertegenwoordigden, zoals tot dan toe aangenomen, maar meerdere. Ook concludeerde hij dat het een nieuwe soort betrof.
In 2019 werd de typesoort Fostoria dhimbangunmal benoemd en beschreven door Bell, Tom Brougham, Matthew C. Herne, Timothy Frauenfelder en Elizabeth T. Smith. De geslachtsnaam eert Foster als ontdekker. Niet uitgelegd werd waarom de naam niet "Fosteria" luidt. De soortaanduiding is een combinatie van dhimba ("schaap") en ngunmal ("omheind terrein"), woorden uit de talen van de Yuwaalaraay, Yuwaalayaay en Gamilaraay die de oorspronkelijke bevolking vormen van het gebied. Ze verwijzen naar de Sheepyard. De soortaanduiding werd gesuggereerd door de vrouw van Forster, Jenny, die zelf een aboriginal is.
Het holotype, LRF 3050.A, is gevonden in de opaalhoudende kleisteenlenzen van het Finch Clay facies, in het bovenste deel van de Wallangulla Sandstone Member van de Griman Creek Formation. Die formatie werd meestal gedateerd op het late Albien maar Bell stelde in 2019 dat nieuwe metingen wezen op een afstamming uit het vroege Cenomanien. Dat laatste zou betekenen dat het uit het Boven-Krijt komt in plaats van het Onder-Krijt. Het holotype bestaat uit een schedeldak met hersenpan. Andere botten hebben ook het inventarisnummer LRF 3050 maar kunnen niet alle aan hetzelfde individu toebehoren: ze vertegenwoordigen minstens vier individuen. Dit materiaal omvat een rechterquadratum, een volledige ruggenwervel en stukken van andere ruggenwervels, zes staartwervels, vier schouderbladen, een linkeropperarmbeen, een vermoedelijk linkerspaakbeen, een rechterzitbeen, de onderkanten van een linkerdijbeen en een rechterdijbeen, een linkerscheenbeen, een stuk van vermoedelijk een linkerkuitbeen, de onderste uiteinden van het tweede, derde en vierde middenvoetsbeen van een linkervoet, een derde en vierde rechtermiddenvoetsbeen en vier teenkootjes. Deze botten zijn grotendeels beschadigd geraakt toen ze gedolven werden. Het meeste materiaal zou kunnen toebehoren aan één volwassen exemplaar. Er zitten echter ook botten onder van jonge dieren. Het geheel vertegenwoordigt de eerste vondst in Australië van een euornithopode beenderbed waarin maar één soort werd aangetroffen.
Daarnaast zijn nog twee fossielen aan de soort toegewezen uit de collectie van het Australian Museum. Het betreft de specimina AM F128217: het onderste uiteinde van een tweede middenvoetsbeen en AM F128218: een stuk bot waarvan de positie in het skelet niet te bepalen valt.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken De lichaamslengte is in persberichten geschat op een kleine vijf meter.
De beschrijvers wisten zes onderscheidende kenmerken vast te stellen. Het gaat om autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. In bovenaanzicht vormen de voorhoofdsbeenderen samen een driehoek waarvan iedere zijde tweemaal ingesprongen is, waarbij de achterkant overeenkomt met de beennaad tussen de voorhoofdsbeenderen en de wandbeenderen. Het voorhoofdsbeen heeft een korte naar boven gerichte uitstulping aan de voorste zijhoek, bij het facet dat de achterrand van het prefrontale raakt. De vleugel van het quadratum aan de zijde van het quadratojugale heeft aan de binnenste onderzijde een grote opening, aan de binnenzijde begrensd door een krachtig gevormde richel. Het opperarmbeen heeft een verticale richel aan de binnenzijde die over de hele, althans bewaarde, lengte van het element doorloopt. Het opperarmbeen heeft van de onderzijde van de deltopectorale kam uit een richel schuin naar onderen en binnen lopen richting voorzijde. Minstens één ruggenwervel is procoel, met een holle voorzijde.
Skelet Schedel De vorm van de schedel is niet goed bekend. Het voorhoofdsbeen is een kwart langer dan breed. De voorhoofdsbeenderen samen zijn overdwars hol gekromd, voornamelijk door een lichte verheffing van de achterste middennaad. Als geheel zijn deze frontalia opvallend breed, vooraan maar vooral achteraan. De voorrand van het voorhoofdsbeen is ingekeept voor het contact met het neusbeen. De zijrand is dubbel ingekeept. Tussen de voorste inkeping van de zijrand en de inham voor het neusbeen steekt het voorhoofdsbeen flink naar voren. Dit uitsteeksel is geschulpt op de voorrand, een facet vormend dat overlapt werd door het os prefrontale. De rand achter het facet stulpt opvallend omhoog, een autapomorfie. De functie hiervan is onbekend maar de beschrijvers wezen erop dat bij de Hadrosauridae soortgelijke verhogingen een neuskam ondersteunen hoewel bij deze latere vormen de beennaden met neusbeen en prefrontale veel sterker verlengd zijn. De neuskam van Muttaburrasaurus loopt niet naar achteren tot het voorhoofdsbeen door. De dubbele inkepingen van de zijkanten leiden tot een vorm die door de beschrijvers wordt vergeleken met een trappenpiramide. Het normale profiel is T-vormig of ovaal. Het voorste uitsteeksel van de zijkant, de eerste "trap", is dun en werd vermoed deel uit te maken van de bovenrand van de oogkas. Het tweede uitsteeksel vertegenwoordigt het breedste punt, een veel meer achterwaartse positie van de grootste breedte dan bij verwanten. Het wandbeen is, ook zonder tegenhanger, trapeziumvormig en ongeveer half zo lang als het voorhoofdsbeen. Het schedeldak als geheel is tamelijk plat.
Het supraocipitale, het centrale bovenste bot van het achterhoofd, is ovaal als bij Camptosaurus, niet T-vormig als bij de meeste verwanten.
Van het quadratum is alleen de onderzijde bekend. Die is overdwars breed maar niet extreem robuust zoals bij sommige verwanten wel het geval is. De onderste gewrichtsknobbel is maar iets kleiner dan de buitenste. Het gewrichtsvlak van die laatste loopt een stukje door op de achterzijde zodat in zijaanzicht een "hiel" gevormd wordt als bij Zalmoxes. Verder lopen de knobbels niet over in richels op de achterzijde, net als bij Mochlodon. De vleugel richting quadratojugale loopt ver naar voren door, de ruimte scheppend voor een groot foramen paraquadraticum tussen dat element en het quadratum. Het quadratojugale is overigens niet bewaard gebleven. Aan de binnenzijde wordt de vleugel ondersteund door een verhoging die naar voren taps toeloopt. Aan de onderzijde van deze verhoging bevindt zich een groot foramen dat aan de binnenzijde begrensd wordt door een verticale richel die uit de verhoging naar beneden loopt. Verwanten hebben op deze positie of een klein foramen, of een uitholling of helemaal niets. Verder is er nog een plaatvormige vleugel die naar voren en binnen uitsteekt richting het pterygoïde, een gebruikelijke structuur om het verhemelte te verankeren.
Postcrania De gevonden volledige ruggenwervel komt vermoedelijk uit het voorste deel van de reeks, ergens tussen de tweede en vijfde positie. De wervel is ongekield. Het wervellichaam is procoel, met een holle voorkant en platte achterkant. Bij de meeste Iguanodontia zijn de wervels opisthocoel, met een bolle voorzijde, of hebben beide zijden dezelfde kromming: hol zodat ze amficoel zijn of plat wat de amfiplatte toestand oplevert. Het voorste facet is rond, het achterste eirond. Het centrum is langer dan breed of hoog. Beide facetten wijken van onderen wat uiteen en het voorste facet ligt lager, wat betekent dat de voorste rug bol gekromd is, een typisch kenmerk van euornithopoden. De voetstukken van de wervelboog zijn overdwars zo sterk verbreed dat het centrum op de helft van de horizontale lengte van het ruggenmergkanaal wordt gedrongen, een zeldzaam kenmerk voor Amniota dat verder alleen gemeld is van oude en grote Sauropoda. Het ruggenmergkanaal heeft een druppelvormige dwarsdoorsnede, met de punt omlaag gericht. De parapofyse, het voorste ribfacet, wordt begrensd door een richel die van het achterste voetstuk ervan doorloopt over de achterrand van het zijuitsteeksel, net als bij Iguanacolossus. Het zijuitsteeksel draagt een verbrede, knuppelvormige, diapofyse, achterste ribfacet. De wervelboog is drieënhalf maal hoger dan het wervellichaam. Het doornuitsteeksel is op zich tweemaal hoger dan het centrum. Gevonden fragmenten van andere wervels laten zien dat de beennaad tussen wervelboog en wervellichaam gesloten is, wat erop duidt dat het dier volwassen was of althans niet veel meer te groeien had. Bij de middelste staartwervels ligt het ruggenmergkanaal ook bijna geheel in de wervelboog. Bij deze wervels hebben de voorste gewrichtsuitsteeksels de uitzonderlijke vorm van dunne vingervormige uitstulpingen die direct naar voren gericht zijn zonder uiteen te wijken. De achterste staarwervels hebben een zeshoekige dwarsdoorsnede die zich over de hele lengte voortzet en geaccentueerd worden door richels op de "ribben" van de facetten.
Het schouderblad heeft een lang lensvormig raakvlak met het ravenbeksbeen, welk laatste overigens niet bewaard is gebleven. Het vlak loopt naar boven en voren uit in een forse scherpe driehoekige punt van de processus acromialis. Veel verwanten hebben ook zo'n punt maar bij andere is de rand vrijwel vlak. De punt is even lang als het blad in het midden ingesnoerd is, net als bij Trinisaura. De punt loopt zijdelings uit in een richel. Het onderste deel van het raakvlak buigt naar binnen toe. In het midden van de binnenzijde van het raakvlak wordt dit ingesneden door een groeve die zich evenwijdig aan de randen van het blad voortzet. Dit wordt vermoed een voortzetting te zijn van het foramen coracoideum van het ravenbeksbeen. Tegenover de processus acromialis loopt de holte van het schoudergewricht ook uit in een grote punt. Het blad op zich is recht en bandvormig en vermoedelijk maar weinig verbreed aan het uiteinde bij de rug.