thumb|Griekenland en de Egeïsche Zee net voor de Tweede Macedonische Oorlog (200 v.Chr.)

De Romeins-Seleucidische Oorlog (192-188 v.Chr.), ook bekend als de Oorlog van Antiochus of de Syrische Oorlog, was een militair conflict tussen twee coalities die elk onder leiding stonden van de Romeinse Republiek en het Seleucidische Rijk. De oorlog vond plaats in Griekenland, de Egeïsche Zee en Klein-Azië

De oorlog was het gevolg van een "koude oorlog" tussen de twee grootmachten, die begonnen was in 196 v.Chr. In die periode hadden de Romeinen en de Seleuciden geprobeerd om hun invloedssfeer uit te breiden door allianties te sluiten met kleinere Griekse staten.

De oorlog eindigde met een duidelijke Romeinse overwinning. In het Verdrag van Apamea werden de Seleuciden gedwongen om Klein-Azië op te geven, dat aan de Romeinse bondgenoten gegeven werd. Het belangrijkste resultaat van de oorlog was dat de Romeinse Republiek de hegemonie over Griekenland en Klein-Azië kreeg, en zo de enige overgebleven grootmacht rond de Middellandse Zee werd.

De "koude oorlog"

Achtergrond (218-196 v.Chr.)

In 218 v.Chr. waren er rond de Middellandse Zee vijf grootmachten, die allemaal ongeveer even sterk waren:Ernst Badian, Rome and Antiochos the Great. A Study in Cold War, 1959, p. 81-99 de Diadochenkoninkrijken van de Seleuciden, de Ptolemaeën en de Antigoniden in het oosten en Rome en Carthago in het westen.

Een serie van conflicten veranderde dit evenwicht echter: in de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.) vochten de Romeinen met de Carthagers. Carthago verloor de oorlog, behield enkel haar grondgebied in Afrika en was veel minder sterk geworden. Ondertussen had Rome ook de Eerste Macedonische Oorlog (215-205 v.Chr.) tegen Philippus V van Macedonië gevochten. Deze laatste had een bondgenootschap met Carthago gesloten. Philippus slaagde erin stand te houden tegen een Romeins-Griekse coalitie tegen hem. Deze coalitie bestond uit de Romeinse Republiek, de Aetolische Bond, Pergamon en Rhodos. Zo raakte Rome voor de eerste keer verwikkeld in de affaires van Griekenland.

In 203 v.Chr. hadden Philippus en de koning van de Seleuciden, Antiochus III de Grote, een verdrag gesloten om samen de Ptolemaeïsche gebieden van Ptolemaeus V te veroveren. Antiochus veroverde in de Vijfde Syrische Oorlog (202-198 v.Chr.) het omstreden Coele-Syrië, terwijl Philippus oorlog voerde tegen de Ptolemaeën in de Egeïsche Zee. Het Ptolemaeïsche Rijk was na deze oorlogen verzwakt in zijn buitenlands beleid, en zou dat nooit meer te boven komen. Philippus V geraakte tijdens zijn oorlog met Ptolemaeus in conflict met de Griekse machten, die nu een verbond sloten met Rome. In de Tweede Macedonische Oorlog (200-196 v.Chr.) die volgde stond Rome, nu ook met de Achaeïsche Bond als bondgenoot, wederom tegenover Philippus.

Antiochus profiteerde van het feit dat alle andere grootmachten in oorlog waren door in 197 v.Chr. grote delen van Klein-Azië te veroveren. Hij annexeerde ook gebieden in Carië en Lycië die aan Philippus toebehoord hadden. Die had deze gebieden nog maar net buitgemaakt op de Ptolemaeën. Om een conflict met de Rhodiërs en hun Romeinse bondgenoten te vermijden stond Antiochus een deel van zijn veroverde gebieden af aan de eilandstaat.Over de relaties tussen de Seleuciden en Rhodos: H. Rawlings III: Antiochos the Great and Rhodes, 1976, p. 2-28 Ondanks dit was het gebied van het Seleucidenrijk enorm vergroot. Nu had het ook een sterke maritieme basis in handen: Efeze. Daarna rukte Antiochus op naar de Hellespont, waar hij ook steden die eerder aan Philippus toebehoord hadden, bezette. Deze laatste leed ondertussen een nederlaag bij Cynoscephalae tegen de Romeinen en werd gedwongen een vredesverdrag te sluiten. Antiochus probeerde zelf zijn voordeel te halen uit het feit dat Rome en haar bondgenoten nog steeds bezig waren met Philippus, en vertrok daarom in het voorjaar van 196 v.Chr. naar Europa.Ernst Badian, Rome and Antiochos the Great. A Study in Cold War, in: Classical Philology 54 (1959), p. 87. Daar veroverde hij Thracië, liet hij het in verval geraakte Lysimachia heropbouwen tot nieuwe regionale hoofdstad en stelde er zijn zoon Seleucus (IV) op de troon.Livius, Ab urbe condita, 33, 38; Appianus, Syriaka, 1. Over de mogelijke functies van Lysimachia: F. Piejko, The Treaty between Antiochos III and Lysimachia ca. 196 B.C., in: Historia 37, 1988, p. 151–165.

De Romeinse bevelhebber Titus Quinctius Flamininus had geen idee van de doelen van Antiochus en sloot daarom een vredesverdrag met Philippus. Flamininus beëindigde zo de Macedonische hegemonie over Griekenland, maar wilde tegelijkertijd een machtsevenwicht verkrijgen: hoewel Macedonië verzwakt was door het verlies van enkele gebieden, bleef het dienen als de tegenpool van de Aetoliërs en de Achaeërs en verdedigde het Griekenland tegen invallen van de Dardaniërs.Over de rol van Macedonië in Flamininus' plan: Frank William Walbank, Philip of Macedon, Cambridge 1967, p. 174. Daarnaast creëerde Flamininus ook verschillende onafhankelijke staten, zoals Thessalië, dat vroeger deel uitgemaakt had van het rijk van Philippus. In de zomer van 196 v.Chr. verkondigde Flamininus op de Isthmische Spelen dat alle Grieken vanaf nu "vrij" waren.Polybius, Historiën, 18, 46; Livius, Ab urbe condita, 33, 32

Op dat moment waren er rond de Middellandse Zee nog slechts twee van de oorspronkelijke vijf grootmachten over gebleven: het Seleucidenrijk en het Romeinse Rijk.

Doelen van de Romeinen en Seleuciden

thumb|Buste van Antiochus III (Louvre)

Het Seleucidenrijk had sinds haar stichting op het einde van de vierde eeuw v.Chr. geleidelijk provincies verloren. Daarvoor waren zowel opstanden binnen het rijk als tegenstanders van buitenaf verantwoordelijk voor geweest. Toen Antiochus III in het jaar 223 v.Chr. de troon besteeg, behoorde enkel nog Syrië toe aan het rijk. In de loop van de volgende drie jaren kon Antiochus echter voorkomen dat het rijk volledig instortte en heroverde Mesopotamië, Persis, centraal Klein-Azië, Armenië, Parthië, Bactrië en Coele-Syrië. Antiochus vond zichzelf de restitutor orbis ("Hersteller van het rijk").Hatto H. Schmitt, Untersuchungen zur Geschichte Antiochos’ des Großen und seiner Zeit, Wiesbaden 1964, p. 85–87. Ook Thracië wilde hij veroveren, want veel Seleucidenkoningen voor hem hadden dit gebied ook al willen veroveren. De laatste keer dat daar gevochten was door de Seleuciden was door zijn oom Antiochus Hierax in het jaar 226 v.Chr.Over de handelingen van de Seleuciden in Thracië: John D. Grainger, Antiochos III in Thrace, in: Historia 15, p. 329–343.

Antiochus' heroveringen waren slechts oppervlakkig, maar dit was bewust. De gebieden kwamen zelden onder directe controle van de Seleuciden en de verslagen koningen of steden mochten hun autonomie grotendeels behouden, zolang ze de Seleuciden als hun meesters erkenden en een schatting betaalden. Vooral bij de Griekse steden in Klein-Azië gebruikte Antiochus, zolang dat mogelijk was, zo weinig mogelijk geweld. Volgens zijn propaganda trad hij niet op als een veroveraar, maar als brenger van de onafhankelijkheid. Eigenlijk betekende de Seleucidische overheersing voor de steden een zekere autonomie. De prijs voor die autonomie was dat ze zelf geen beslissingen konden nemen wat betreft buitenlands beleid, wat precies het tegenovergestelde was van de ingesteldheid van de klassieke Griekse polis. Verder moesten de steden ook troepen voor het leger geven. De steden moesten ook offers geven in de vorm van betalingen aan Antiochus voor de cultus rond de Seleucidische koningen.Boris Dreyer, Die römische Nobilitätsherrschaft und Antiochos III, Hennef 2007, p. 317.

De Romeinse Republiek ging in Griekenland verder met haar beleid, waaruit vooral hun pragmatisme en hun idealisme bleek. Aan de ene kant hadden de Romeinen hun oostelijke grenzen willen verstevigen. Aan de andere kant hadden ze meer invloed willen krijgen in Griekenland.Boris Dreyer, Die römische Nobilitätsherrschaft und Antiochos III, Hennef 2007, p. 161. Flamininus wilde deze beide aspecten bij elkaar voegen. Hij wilde van de Romeinse invloed in Griekenland een langetermijnproject maken, wat ook niet nadelig zou zijn voor de Grieken zelf. Om een stabiel systeem te installeren zorgde hij ervoor dat de Macedonische hegemonie verzwakte en dat de kleinere staten meer macht kregen.Erich S. Gruen, The Hellenistic World and the Coming of Rome, Berkeley 1984, p. 146. De verklaring van 196 v.Chr. dat alle Grieken vrij waren en het vertrek van de Romeinse soldaten uit Griekenland in 194 v.Chr. zette dit beleid kracht bij.

Het nieuwe bestuurssysteem bleek later echter instabiel te zijn, en Rome moest uiteindelijk beslissen over interne geschillen van de stadstaten zelf, waardoor de Romeinen geleidelijk aan de nieuwe heersers over Griekenland werden. Antiochus' vertrek naar Thracië in 196 v.Chr. had deze situatie nog ingewikkelder gemaakt, omdat de Romeinen bang waren dat de Seleucidenkoning zijn rijk nu wilde uitbreiden naar Griekenland. Daarom weigerde Rome de Seleucidische heerschappij over Thracië formeel te erkennen. Twee Griekse stadstaten in Klein-Azië gaven Rome het ideale excuus om vanuit Klein-Azië Antiochus diplomatisch onder druk te zetten: Smyrna en Lampsacus. Deze twee steden wilden hun volledige onafhankelijkheid behouden en hadden daarom een beroep gedaan op Rome dankzij haar 'vrijheidsbeleid'. Later sloot ook nog een derde stad, Alexandrië Troas, zich bij Rome aan.

Onderhandelingen

Ondanks deze spanningen wilde geen van beide machten een oorlog beginnen.Ernst Badian, Rome and Antiochos the Great. A Study in Cold War, 1959, p. 85 Anderzijds konden ze hun meningsverschillen ook niet opzij zetten.Robert M. Errington, Rome against Philipp and Antiochos, in: A. E. Astin, Cambridge Ancient History, p. 276 Ze hielden drie vergaderingen om hun geschillen bij te leggen: bij Lysimachia (herfst 196 v.Chr.) eisten de Romeinen van Antiochus dat hij zich terugtrok uit Europa en de Griekse steden in Klein-Azië opgaf.Polybius, historiën, 18, 51; Livius, Ab urbe condita, 33, 40; Appianus, Syriaka, 6 Bij een vergadering in Rome (herfst 194 v.Chr.) deed Flamininus een ander aanbod:Livius, Ab urbe condita, 34, 57-9 als Antiochus zich zou terugtrekken uit Thracië en de Hellespont als uiterste grens zou aannemen, zouden de Romeinen hem vrij spel in Klein-Azië geven. Omdat beide zijden toch niet tot een compromis konden komen, gingen ze in Efeze (zomer 193 v.Chr.) tot verdere onderhandelingen over. Antiochus wilde wel enkele omstreden steden in Klein-Azië opgeven, maar hij wilde Thracië behouden.Appianus, Syriaka, 12 Verder beschuldigden zowel de Romeinen als Seleuciden elkaar van het onderdrukken van de Grieken in respectievelijk Zuid-Italië en Klein-Azië.Livius, Ab urbe condita, 35, 15-6 Antiochus

In deze periode ontwikkelde zich een "Koude Oorlog" tussen Rome en Antiochus, terwijl ze zelf ook hun invloed in de Egeïsche Zee wilden uitbreiden. Flamininus moest al een jaar na de vrede met Macedonië opnieuw vechten in Griekenland. Toen in 195 v.Chr. Nabis, de tiran van Sparta, zijn macht wilde vergroten ten koste van de Achaeïsche Bond, verklaarden de Romeinen hem de oorlog. Nabis werd verslagen en moest de omstreden stad Argos en de vlootbasis van Gytheion op te geven. Hijzelf mocht echter koning van Sparta blijven, omdat Flamininus het evenwicht tussen de Griekse staten wilde behouden.