Sticusa was een Nederlandse stichting die van 1948 tot 1991 door de Nederlandse overheid de taak had gekregen culturele samenwerking tussen Indonesië, Suriname en de Nederlandse Antillen te bevorderen. Het is een afkorting die in die periode verschillende betekenissen heeft gekend.
STICUSA, 1948-1955 Oprichting Op 26 februari 1948 werd in het Amsterdamse Trippenhuis de Stichting voor Culturele Samenwerking tussen Nederland, Indonesië, Suriname en de Nederlandse AntillenDe Sticusa heeft in haar geschiedenis verschillende namen gehad, die altijd als "Sticusa" werden afgekort. In de inleiding wordt de afkorting "Sticusa" gebruikt. opgericht. De plechtigheid werd bijgewoond door de minister-president, Louis Beel en de minister van Overzeese Gebiedsdelen, Jan Anne Jonkman. Hiermee werd terloops de financiële betrokkenheid van de regering benadrukt. Het doel van de stichting was met een beroep op het hele cultureel vermogen van Nederland, te geraken tot harmonische ontwikkeling in democratische zin van de onderlinge samenwerking op cultureel terrein tussen Indonesië, Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederland, op basis van wederkerigheid.
Aan de oprichting van de stichting ging een voorbereidingstijd van een jaar vooraf. Begin 1947 kwam in Nederland een Comité van voorbereiding van de culturele samenwerking tussen Nederland en Indonesië tot stand. Aanvankelijk was het niet de bedoeling Suriname en de Nederlandse Antillen in de plannen te betrekken. De oprichting van de Sticusa was nauw verbonden met de ontstaansgeschiedenis van de Indonesische staat. Voor het eerst dook de mogelijkheid van culturele uitwisseling tussen Nederland en de ex-kolonie op in het ontwerp-akkoord van Linggardjati, dat op 15 november 1946 werd getekend. Het akkoord werd weliswaar in het Nederlandse parlement geamendeerd, maar in alle verdere akkoorden en in het akkoord over de soevereiniteitsoverdracht op 30 december 1949 bleef een paragraaf over culturele samenwerking gehandhaafd. Later werden op dringend verzoek van minister-president Beel Suriname en de Antillen in de plannen betrokken en in een door de minister-president "verruimde zin" door de regering overgenomen.
Vooruitlopend op de formele goedkeuring van regering en parlement ondernam het comité intussen incidentele culturele activiteiten en werden contacten gelegd met voorbereidende culturele comités in Indonesië, Suriname en de Antillen. Deze initiatieven werden mogelijk gemaakt door de financiële ondersteuning door het Prins Bernhard Fonds.Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, archief van het Ministerie van Zaken Overzee, dossier 48, map 1 (1947-1956). Zie ook A. Helman en J. de Roo, Groot Geld tegen klein geld, ter gelegenheid van de herdenking van de oprichting van de Sticusa (1988), inv.nr 236. In de voetnoten wordt het Ministerie van Koloniën, dat na de oorlog diverse naamswijzigingen onderging, aangeduid met de laatste naam: Ministerie van Zaken Overzee. Ten aanzien van de uitoefening van de taak van de Sticusa luidde artikel II, lid 2 van de statuten: De stichting is bij het verrichten van haar culturele taak geheel vrij en onafhankelijk. Daarmee was in het stichtingsreglement het beginsel van culturele autonomie verankerd.
Bij beschikking van de Minister van Overzeese Rijksdelen van 30 april 1948 werd de stichting een subsidie toegekend van één miljoen gulden, met slechts de beperking dat het bedrag zou worden uitgekeerd naargelang van de behoefte.ARA-II, Zaken Overzee, beschikking van de Minister van Overzeese Gebiedsdelen, Afdeling Cultureel Contact, van 30 april 1948 nr. 9. Deze min of meer onvoorwaardelijke toekenning van subsidiegelden stuitte op bezwaren van het Ministerie van Financiën. De Algemene Rekenkamer reageerde, na kennisneming, laconiek met de vraag: (...) hoe de Kamer zal kunnen vaststellen dat de Stichting de uit te keren bedragen inderdaad behoeft. Dit werd het begin van een conflict tussen regering en de stichting over de invulling van subsidievoorwaarden en later over de interpretatie van de vastgestelde subsidieregeling.ARA-II, Zaken Overzee, dossier 48, map 22-30, 1948-1955 (subsidievoorwaarden). De stichting beriep zich op eerder gemaakte afspraken en zag in het vaststellen van (subsidie-)voorwaarden een aantasting van haar "culturele autonomie". De overheid wenste op haar beurt garanties ten aanzien van een zuinig en efficiënt beheer van subsidiegelden.ARA-II, Zaken Overzee, dossier 48/23. Zie interne nota aan minister Götzen waarin onder andere wordt gesteld: "Symptomen als: hoge salarissen aan de directeuren en rekenplichtige ambtenaar, hoge vacatiegelden, hoge representatiegelden enz. voorspellen weinig bemoedigends. Integendeel, wanneer van overheidswege niet direct een duidelijk halt toegeroepen wordt, zullen in de toekomst enkele onaangename ervaringen niet uitblijven". Na ruim een jaar touwtrekken tussen de overheid en de stichting kwam in februari 1950 een definitieve subsidieregeling tot stand.ARA-II, Zaken Overzee, dossier 48, map 22. Hierin de gemeenschappelijke beschikking van 15 september 1949, Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen, 2e Afdeling, nr. 24 en 10 oktober 1949, Ministerie van Financiën, Generale Thesaurie, Afdeling Inspectie der Rijksfinanciën, nr. 165.
Bestuur en interne organisatie De algemene leiding van de Sticusa berustte bij een bestuur, bestaande uit ten minste zeven en ten hoogste negen leden en een Raad van Bijstand eveneens bestaande uit zeven tot negen leden. De directie was belast met de dagelijkse leiding en het ontwerpen van de werkprojecten. De directie werd bijgestaan door een directie-secretaris, territoriale adviseurs, een afdeling Culturele Contacten, een afdeling Culturele Zaken, een afdeling Financiële Zaken en een afdeling Algemene Zaken. Aan de stichting was een aantal advies-commissies verbonden. De belangrijkste waren de Financiële Adviescommissie (FAC) en de Culturele Contact Commissie. De FAC, waarin vertegenwoordigers van de ministers van Financiën en van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen zitting hadden, adviseerde over de samenstelling van de begroting en over de bestedingen van beschikbare geldmiddelen. De Culturele Contact Commissie, waarin vertegenwoordigers van de ministers van Unie Zaken en Overzeese Rijksdelen en van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zitting hadden, coördineerde de samenwerking op cultureel gebied tussen de verschillende departementen en de stichting.Zie jaarverslagen Sticusa 1948-1955, inv. nr. 4.
De eerste jaren van de Sticusa verliepen niet zonder zorgen. In de betrekkelijk korte tijd dat de stichting werkzaam was, rezen van verschillende kanten twijfels over de doelmatigheid van het administratief en financieel beheer van de stichting. De Centrale Accountantsdienst van het Ministerie van Financiën, belast met de administratieve controle, concludeerde in haar rapport van 1949 geen verantwoordelijkheid te kunnen aanvaarden wegens onvoldoende administratief beheer. Later volgde de Algemene Rekenkamer. Ook deze drong aan op verbetering in het beheer van de stichting. Het bestuur van de Sticusa erkende dat zich bij aanvang weliswaar enkele kinderziekte-verschijnselen hadden voorgedaan, maar wees de aanhoudende kritiek op het administratief en financieel beheer van de stichting resoluut van de hand.
Gelijktijdig speelde een intern conflict tussen directie en bestuur over de organisatievorm. Meuleman, directeur en medeoprichter van de Sticusa, memoreert: "Ik heb altijd een klein bemiddelingsbureau gewild, maar LogemannSticus wilde aan het hoofd staan van een organisatie".A. Helman en J. de Roo, Groot Geld tegen klein geld, p. 27, inv.nr 236. Eind 1950 verliet Meuleman de Sticusa. Inmiddels telde het kantoor ruim twintig medewerkers, wat zou oplopen tot 57 in 1954. In de latere jaren hield de kritiek in de vaderlandse pers en het parlement op het financieel beheer van de stichting aan. In Vrij Nederland en Het Parool werden het doen en laten van de stichting op de korrel genomen.Als wij kamerlid waren: Sticusa opheldering gevraagd, in: Vrij Nederland van 11 december 1954. Met name de verhouding tussen de apparaatskosten en de culturele uitgaven riep de nodige weerstand op.
Uit onderstaande tabel blijkt dat gemiddeld ruim een derde van het totaal van de apparaatskosten en de culturele uitgaven werd besteed aan apparaatskosten.
Verhouding apparaatskosten - culturele uitgaven:Jaarrekeningen Sticusa, 1951-1955.
jaar totale uitgaven apparaatskosten culturele uitgaven 1951 ƒ 1.366.155 ƒ 490.380 41 % ƒ 875.775 59 % 1952 ƒ 1.866.673 ƒ 536.315 29 % ƒ 1.330.358 61 % 1953 ƒ 1.990.998 ƒ 661.059 33 % ƒ 1.329.939 67 % 1954 ƒ 2.302.677 ƒ 774.175 33 % ƒ 1.528.502 67 % 1955 ƒ 2.336.972 ƒ 820.044 35 % ƒ 1.516.928 65 %
In 1952 vond een reorganisatie plaats.Statutenwijziging 1952, inv. nr. 11. De bestuurlijke en administratieve organisatie werd veranderd op aanwijzing van de Centrale Accountantsdienst van het Ministerie van Financiën. De reorganisatie moest leiden tot een aanzienlijke vereenvoudiging van de bestaande bestuurscolleges. Een stichtingsraad, een samenvoeging van het oude bestuur en de raad van bijstand, werd belast met de algemene leiding. De stichtingsraad was samengesteld uit ten minste vijftien en ten hoogste eenentwintig leden. Uit zijn midden koos de stichtingsraad het (dagelijks) bestuur. Een nieuwe figuur van een commissaris voor financiële aangelegenheden deed zijn intrede in het bestuur. Het aanstellen van een financieel deskundige was een antwoord van het bestuur op de aanhoudende kritiek van pers en parlement op het financiële beheer van de stichting.
Activiteiten thumb|Studenten aan de medische faculteit in Jakarta Het bevorderen van de culturele samenwerking tussen Indonesië, Suriname en de Nederlandse Antillen verliep in de regel vanuit drie verschillende invalshoeken: Een van de eerste daden van de Sticusa was de organisatorische opbouw van culturele centra in Indonesië en de West, die nodig was om de culturele samenwerking tussen de verschillende landen structuur te geven.
In Indonesië werd als gevolg van de politieke situatie de oprichting van zusterinstellingen vertraagd. Op Java werden de zaken van de stichting tijdelijk waargenomen door ambtenaren van het gouvernement. In Oost-Indonesië werd een comité van voorbereiding opgericht, dat in 1948 uitmondde in de oprichting van de Stichting Cultureel Centrum Oost-Indonesië (Jajasan Pusat Kebudajaan Indonesia Timur) in Makassar. In Pontianak (West-Borneo) werd eveneens een cultureel comité ingesteld ter voorbereiding van de oprichting van een cultureel centrum.
In Suriname verleende de Sticusa haar medewerking aan de opbouw van de zusterstichting Cultureel Centrum Suriname (CCS), dat in 1948 werd opgericht en optrad als overkoepelend orgaan voor alle culturele activiteiten in Suriname en voor het distribueren van goederen en schenkingen, die uit Nederland naar Suriname werden gezonden. Als vertegenwoordiger van het CCS bij de Sticusa werd benoemd Rudie van Lier.Zie art. X van de statuten van de Sticusa: verwante instellingen overzee kunnen door de Stichtingsraad worden uitgenodigd om een vertegenwoordiger aan te wijzen die zitting heeft in de Stichtingsraad met raadgevende stem.