Het huis Nassau-Beilstein was een zijtak van de Ottoonse Linie van het huis Nassau, een Duitse adellijke familie. Het huis Nassau-Beilstein ontstond in 1343 door een deling in de Ottoonse Linie en heerste over een deel van het graafschap Nassau. Het huis stierf uit in 1561. Nadien was er nog een zijtak die Nassau-Beilstein genoemd wordt.

Ontstaan van het huis Het huis Nassau-Beilstein ontstond in 1343 door de deling in de Ottoonse Linie tussen de twee zoons van graaf Hendrik I van Nassau-Siegen: Otto en Hendrik. Deze hadden na een geschil reeds tijdens het leven van hun vader in 1341 een verdelingsverdrag gesloten, dat bij het overlijden van hun vader in 1343 tot uitvoering gebracht werd. Hendrik verkreeg bij de verdeling Beilstein, Mengerskirchen, Eigenberg, Liebenscheid en de heerlijkheid Westerwald met de plaatsen Emmerichenhain, Marienberg en Neukirch.

Regerende graven

Hendrik I

Hendrik I van Nassau-Beilstein (ca. 1307 - 24 februari 1378 (1380?)) was de tweede zoon van graaf Hendrik I van Nassau-Siegen en Adelheid van Heinsberg en Blankenberg.

Hendrik was domheer te Keulen, kanunnik van de Sint-Florin te Koblenz 1326, en provoost van de Dom van Speyer 1329-1334. Hij trad later uit de geestelijke stand. Met zijn broer Otto sloot hij in 1336 een delingsverdrag voor het graafschap van hun vader.

In 1339 huwde Hendrik tegen de wil van zijn vader en broer. Het kwam tot strijd tussen beide broers. Otto sloot een verbond met landgraaf Herman I van Hessen tegen Hendrik. Door bemiddeling van de graven Gerlach I van Nassau en Dirk III van Loon-Heinsberg kon een verzoening bereikt worden. In 1341 volgde een nieuw verdelingsverdrag waarbij Hendrik Beilstein, Mengerskirchen, Eigenberg, Liebenscheid en de heerlijkheid Westerwald met de plaatsen Emmerichenhain, Marienberg en Neukirch werden toegezegd. Hendrik volgde in 1343 zijn vader op overeenkomstig de in 1336 en 1341 gesloten verdelingsverdragen met zijn broer Otto.

Hendrik resideerde overwegend op het slot Beilstein. Het relatief kleine graafschap bood Hendrik slechts geringe inkomsten. Al in 1344 moest hij de burcht Liebenscheid aan de heren van Haiger verpanden. Talrijke verdere verpandingen volgden.

Hendrik stond aan de zijde van koning Lodewijk de Beier. Deze stond hem tolheffing in het Westerwald toe. Hendrik inde de tol eerst in Limburg an der Lahn en later in Hachenburg. In de stad Keulen gold hij als een roofridder. Het lukte hem wel om een vete met de stad Keulen te vermijden. Voor Liebenscheid ontving Hendrik in 1360 stadsrechten, maar het lukte hem niet om deze plaats tot stad te ontwikkelen.

Sinds 1374 was zijn zoon Hendrik mederegent.

Uit het huwelijk van Hendrik en Imagina van Westerburg werden drie kinderen geboren, waaronder zijn opvolgers Hendrik II en Reinhard.

Hendrik II

Hendrik II van Nassau-Beilstein († kort na 12 oktober 1412) was de oudste zoon van graaf Hendrik I van Nassau-Beilstein en Imagina van Westerburg.

Hendrik was sinds 1374 mederegent van zijn vader. Na het overlijden van zijn vader nam Hendrik samen met zijn broer Reinhard de regering over. Hendrik resideerde op slot Beilstein en naam de titel "heer van Beilstein" aan, Reinhard resideerde op de burcht Liebenscheid. Het graafschap bleef echter ongedeeld; beide broers regeerden gezamenlijk. Het lukte de broers de financiële toestand van het graafschap te verbeteren en talrijke rechten die hun vader verpand had weer in te lossen. Het lukte hen eveneens de hoogheidsrechten op de heerlijkheid Westerwald te verdedigen tegen de heren van Westerburg en de heren van Runkel.

In de strijd om de heerlijkheid Heinsberg, een erfenis van zijn grootmoeder Adelheid van Heinsberg en Blankenberg, kreeg Hendrik van hertog Willem II van Gulik in 1380 als schadevergoeding een jaarlijkse rente van 50 goudgulden uit de Blankenbergse herfstbede.

Hendrik was in 1406 aanwezig op de Rijksdag van Mainz. Hier hoorde hij tot de rijksstanden die een compromis tussen rooms-koning Ruprecht en de Marbacher Bund moesten bereiken.

Hendrik overleed vermoedelijk kort na 12 oktober 1412. Hij werd begraven in de Dom van Mainz.

Uit het huwelijk van Hendrik en Catharina van Randerode werden vijf kinderen geboren, waaronder zijn opvolgers Johan I en Hendrik III.

Reinhard

Reinhard van Nassau-Beilstein († tussen 30 december 1414 en 17 april 1418) was de tweede zoon van graaf Hendrik I van Nassau-Beilstein en Imagina van Westerburg.

Na het overlijden van zijn vader nam Reinhard samen met zijn broer Hendrik II de regering over. Hendrik resideerde op slot Beilstein en Reinhard op de burcht Liebenscheid. Het graafschap bleef echter ongedeeld; beide broers regeerden gezamenlijk. Het lukte de broers de financiële toestand van het graafschap te verbeteren en talrijke rechten die hun vader verpand had weer in te lossen. Het lukte hen eveneens de hoogheidsrechten op de heerlijkheid Westerwald te verdedigen tegen de heren van Westerburg en de heren van Runkel.

In de strijd om de heerlijkheid Heinsberg, een erfenis van zijn grootmoeder Adelheid van Heinsberg en Blankenberg, kreeg Reinhard van hertog Willem II van Gulik in 1380 als schadevergoeding een jaarlijkse rente van 50 goudgulden uit de tol bij Ravenstein.

Na het overlijden van zijn broer regeerde Reinhard het graafschap samen met zijn neef Johan I. Reinhard overleed vermoedelijk tussen 30 december 1414 en 17 april 1418. Reinhard was ongehuwd en had geen kinderen.

Johan I

Johan I van Nassau-Beilstein († juli 1473) was de oudste zoon van graaf Hendrik II van Nassau-Beilstein en Catharina van Randerode.

Na het overlijden van zijn vader regeerde Johan het graafschap Nassau-Beilstein gemeenschappelijk met zijn oom Reinhard. Bij diens kinderloos overlijden was Johan de enige erfgenaam, omdat zijn beide broers in de geestelijke stand waren getreden.

Vanwege de slechte financiële toestand van het kleine graafschap moest Johan in 1413 de Kalenberger Zent aan graaf Filips I van Nassau-Weilburg verpanden. In hetzelfde jaar wist Johan een overeenkomst over de erfverdeling van 1341 te bereiken met graaf Johan I van Nassau-Siegen, die hem een schadeloosstelling van 2000 mark opleverde. In 1415 huwde Johan met Mechtild van Isenburg-Grenzau. Als huwelijksgift bracht ze tienden in Oberbrechen in.

Johan probeerde de door zijn vader begonnen consolidering van het graafschap voort te zetten, maar hij had hierbij regelmatig tegenslagen. In strijd met het keurvorstendom Trier moest Johan in 1418 de leenhoogheid van Keur-Trier over het gehele graafschap erkennen. Kort na het inlossen van de Kalenberger Zent verpandde hij dit deel van zijn graafschap opnieuw, ditmaal aan Keur-Trier.

In 1425 kwam het tot een verdeling van het graafschap. Johan ontving geheel Beilstein met het slot Beilstein en Mengerskirchen, twee derde van het graafschap, alsmede de heerlijkheid Westerwald, de rentes en de helft van de lijfeigenen, en de helft van inkomsten uit de tollen te Emmerichenhain en Neukirch. Zijn broer Hendrik III verkreeg de burcht Liebenscheid en een derde van het graafschap. De derde broer, Willem, zag van zijn aandeel af.

Met de heren van Westerburg kwam het in 1435/36 en van 1441 tot 1444/45 opnieuw tot gewapende conflicten over de hoogheidsrechten op de heerlijkheid Westerwald, die Johan in zijn voordeel beëindigen kon.

Johans zoon Filips was erfgerechtigd tot de heerlijkheid Isenburg-Grenzau in het graafschap Isenburg, daar zich aftekende dat Filips van Isenburg-Grenzau, een broer van zijn moeder, kinderloos zou blijven. Om deze aanspraken door te zetten sloot Johan een verbond met de zwagers van Filips, Salentijn VI van Isenburg en Frank van Kronberg. Gezamenlijk openden ze de strijd tegen Diether van Isenburg-Büdingen, die op grond van een erfverdrag met Filips van Isenburg-Grenzau de heerlijkheid Isenburg-Grenzau in bezit genomen had. Na het overlijden van Filips van Isenburg-Grenzau in 1439/40 kon Johan de heerlijkheid Isenburg-Grenzau voor zijn zoon in bezit nemen, die de titel heer van Grenzau aannam. Tussen de erfgenamen kwam het later toch nog tot verdere vetes over de erfverdeling.

In 1444 verpandde Johan de tienden in Oberbrechen. Het lukte de graven van Nassau-Beilstein niet meer om dit pand weer in te lossen. Enkele jaren later namen Johan en zijn zoon Filips aan de zijde van het keurvorstendom Keulen deel aan de Soestse Vete. In een treffen bij Soest sneuvelde Filips. Als gevolg daarvan gingen de aanspraken van het huis Nassau-Beilstein op de heerlijkheid Grenzau weer verloren. Filips was verloofd met Johanna van Gemen. Om haar erfaanspraken voor het huis Nassau-Beilstein te bewaren, huwde Johan met zijn voormalige toekomstige schoondochter. Met Johanna kreeg Johan zijn tweede zoon Hendrik IV. Deze werd later mederegent van zijn vader toen Johan zich steeds meer terugtrok.

Vanaf 1465 namen en Johan en zijn zoon Hendrik samen met graaf Johan IV van Nassau-Siegen aan de zijde van landgraaf Hendrik III van Hessen-Marburg deel aan de Hessische Broederoorlog.

Johan overleed in juli 1473.

Uit het huwelijk van Johan en Mechtild van Isenburg-Grenzau werden drie kinderen geboren, uit het huwelijk van Johan en Johanna van Gemen werd één kind geboren, zijn opvolger Hendrik IV.

Hendrik III

Hendrik III van Nassau-Beilstein († 12 september 1477) was de derde zoon van graaf Hendrik II van Nassau-Beilstein en Catharina van Randerode.

Net als zijn oudere broer Willem was Hendrik voorbestemd voor een geestelijke loopbaan. Hendrik was proost van de Dom van Münster 1421-1429 en aartsdiaken te Luik 1422-1432.

Na het overlijden van zijn vader regeerde Hendriks oudste broer, Johan I, het graafschap Nassau-Beilstein gemeenschappelijk met zijn oom Reinhard. Bij diens kinderloos overlijden was Johan de enige erfgenaam.

In 1425 kwam het tot een verdeling van het graafschap Nassau-Beilstein. Johan behield het slot Beilstein en twee derde van het graafschap, Hendrik verkreeg de burcht Liebenscheid en een derde van het graafschap. De derde broer, Willem, zag van zijn aandeel af. Hendrik verbleef echter zelden in zijn stamland. De regering liet hij over aan zijn broer Johan en rentmeesters. Wel stichtte hij in 1452 de eerste kerk in Liebenscheid.

In 1426 stelde Hendrik zich kandidaat voor het ambt van bisschop van Münster. Bij de bisschopsverkiezing verloor hij nipt van Hendrik II van Meurs. Vier jaar later werd hij, na het overlijden van zijn broer Willem, proost van de Dom van Mainz.

Hendrik stond in nauw contact met Diederik II van Meurs, de aartsbisschop en keurvorst van Keulen. Deze verpandde aan Hendrik de ambten Altenwied, Linz, Lahr en Waldenburg en ook aandelen in de rijntollen. Hendriks betrekkingen met Diederik brachten hem ook verdere belangrijke ambten, zo werd hij kanunnik van de Dom van Keulen 1430-1433, proost van de Sint-Cassiuskerk te Bonn 1432-1477 en aartsdiaken van de Dom van Keulen 1436.

De leden van het huis Nassau-Beilstein namen aan de zijde van Keur-Keulen deel aan de Soestse Vete. In een treffen bij Soest sneuvelde Hendriks neef Filips. In deze vete had Hendrik het commando over de Dortmundse troepen van de aartsbisschop. Bij een treffen bij Dortmund op 13 september 1448 raakte Hendrik in gevangenschap van hertog Johan I van Kleef.

Tussen 1460 en 1464 was Hendrik pandheer van de heerlijkheid Reichenstein.

Hendrik overleed in 1477 en werd in de Sint-Barbarakapel van de Sint-Cassiuskerk te Bonn begraven. In zijn testament van 1471 had hij zijn neef Hendrik IV tot zijn erfgenaam benoemd. Deze kon daardoor het gehele graafschap Nassau-Beilstein in zijn hand verenigen.

Hendrik IV

Hendrik IV van Nassau-Beilstein (1449 - 26 mei 1499) was het enige kind van graaf Johan I van Nassau-Beilstein en Johanna van Gemen.

Hendrik huwde voor zijn twintigste verjaardag met Eva van Sayn en verkreeg daarmee de Saynse lijfeigenen in de heerlijkheid Westerwald alsmede een aandeel in de rijntol te Boppard.